Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:1600

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
2575159 WM VERZ 13-3807
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene parkeert op een parkeerplaats aangewezen voor gehandicapten. De kantonrechter honoreert het beroep op overmacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/118

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team strafrecht

Zittingsplaats Enschede

Kantonnr.: 2575159 WM VERZ 13-3807

CJIBnr.: 163663348

De kantonrechter;

gezien het door

[betrokkene],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen betrokkene,

ingediende beroepschrift dat zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Almelo d.d. 5 februari 2013 op het door betrokkene ingestelde beroep tegen de op 13 augustus 2012 opgelegde sanctie ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV);


gezien voormelde beslissing van de officier van justitie, alsmede de overige op de zaak betrekking hebbende stukken;

gehoord betrokkene en mr. J. Meerdink namens de officier van justitie ter openbare zitting van 6 februari 2014.

Overweegt:

Het beroep is tijdig ingesteld en betrokkene heeft binnen de bij de WAHV bepaalde termijn zekerheid gesteld, zodat het beroep ontvankelijk is.

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 340,--, vermeerderd met € 6,-- administratiekosten, terzake van een bij de WAHV omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met motorvoert. op meer dan 2 wielen met geldige gehand. parkeerkaart”, gepleegd op 31 juli 2012 in de gemeente Enschede.

Betrokkene is tegen de sanctie in beroep gegaan. Zij stelt dat zij uit noodzaak haar auto had geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats voor het ziekenhuis. Zij was daarnaartoe onderweg met haar dochter van vier jaar oud, die toen net sinds 14 juli 2012 met diabetes bekend was. Zij moest voor controle in verband met diabetes door de arts gezien worden. Onderweg naar het ziekenhuis gaf haar dochter plotseling aan dat ze dat ze zich heel slap voelde. In het restaurant van het ziekenhuis (de kantonrechter weet dat deze direct na de ingang is gelegen) heeft ze haar dochter suikers gegeven. Haar dochter ging zich beter voelen, waarop betrokkene haar auto heeft verplaatst. Daarna is ze met haar dochter naar de geplande controle gegaan. Zij bleek inmiddels een bekeuring te hebben gekregen.

Het beroep is ongegrond verklaard. De officier van justitie heeft daartoe overwogen dat betrokkene de gedraging niet ontkent maar dat de door haar genoemde omstandigheden onvoldoende aanleiding geven tot vernietiging of verlaging van de beslissing.

Betrokkene is tegen deze beslissing in beroep gegaan. Betrokkene herhaalt nogmaals haar argumenten. Ter zitting voegt zij toe dat haar dochter 300 à 400 meter voor het ziekenhuis onwel werd, bij de rotonde bij de Aldi. In het restaurant heeft zij haar dochter geprikt om het suikergehalte te meten. Dat was heel laag: 1,9. Zij heeft daarop cola te drinken gegeven om het suikergehalte te verhogen. Zij stelt nog dat zij haar auto op een gehandicapten-parkeerplaats heeft geparkeerd uit paniek om haar dochters toestand. Betrokkene was toen nog niet gewend aan het prikken om het suikergehalte te meten, laat staan in de auto, en had niets te drinken bij zich, en zij wist dat zij, als het suikerniveau te laag zou blijken, direct na de ingang suikerhoudende drank zou vinden in het restaurant, omdat zij zelf werkzaam is in dat restaurant. Zij mocht op basis van wat over diabetes A bekend is ook vermoeden dat haar dochter op korte termijn het bewustzijn kon gaan verliezen als zij niet snel zou ingrijpen. Dat zou het arriveren op een plaats van hulpverlening alleen maar compliceren.

De officier van justitie heeft voorgesteld het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond te verklaren. Weliswaar vindt de officier van justitie het verhaal van betrokkene aannemelijk, maar de aangevoerde omstandigheden zijn voor de officier van justitie niet bijzonder genoeg voor matiging van de sanctie. Betrokkene had immers de keuze om op een reguliere parkeerplaats te parkeren.

De kantonrechter overweegt het volgende.

De kantonrechter is, gelet op de bijzondere omstandigheden, een ander oordeel toegedaan. Het is aannemelijk geworden dat betrokkene’s dochter in acuut gevaar voor haar gezondheid verkeerde. Zij had hierop gelet op de korte tijd dat haar dochter met diabetes bekend was, niet voldoende kunnen anticiperen. Het is verstandig dat zij niet onderweg gestopt is maar dat zij met haar onwel geworden dochter die elk moment het bewustzijn kon verliezen, is doorgereden naar het ziekenhuis. Haar handelingen, inclusief het voor het ziekenhuis op de invalidenplaats parkeren, waren adequaat om het onmiddellijk gevaar voor bewustzijnsverlies te keren, nu zij ook wist dat zij direct na de entree reddend kon optreden. Het is in de gegeven omstandigheid niet billijk om te eisen dat eerst een andere, wettelijk toegestane parkeerplaats wordt gezocht. Betrokkene heeft zoals ook van haar verwacht mocht worden de gedraging zo kort mogelijk laten bestaan, nu zij, onweersproken, meteen na ingetreden verbetering haar voertuig heeft verplaatst naar een wel toegestane parkeerplaats, waarna zij pas naar het geplande controlebezoek aan de dokter is gegaan.

Gelet op een en ander had de officier van justitie het beroep gegrond moeten verklaren en de sanctie moeten vernietigen. De kantonrechter zal daarom de beslissing van de officier van justitie en de sanctie vernietigen.

Beslist:

Verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze.

Verklaart het beroep tegen de inleidende sanctie gegrond en vernietigt deze.

Bepaalt dat hetgeen door betrokkene aan zekerheid is gesteld aan betrokkene wordt terugbetaald.

Aldus gegeven te Enschede door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van mr. A. Akfidan-Turan, griffier, uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2014.