Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:1521

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
25-03-2014
Zaaknummer
C-08-146205 - FA RK 13-2153
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alimentatieverordening en Haags Alimentatieprotocol. Verzoek van de man tot wijziging van de Duitse beschikking waarbij alimentatie is vastgesteld wordt afgewezen en stelt alimentatie opnieuw vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/146205 / FA RK 13-2153 (HA)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 19 februari 2014, in de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. M. Tijken,

tegen

[verweerster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

in persoon verschenen.

Het procesverloop

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de navolgende stukken:

 een op 22 oktober 2013 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man;

 de brief van de griffie waaruit blijkt dat op 22 oktober 2013 een afschrift van het verzoekschrift aan de vrouw is toegestuurd, en waarbij zij in de gelegenheid is gesteld een verweerschrift in te dienen.

Op 5 februari 2014 heeft een mondelinge behandeling ter zitting plaatsgehad. Hiervan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Er zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Tijken en de vrouw in persoon.

De vaststaande feiten

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] [1999],

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] [2001].

Bij uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 27 mei 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

Bij uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 15 juni 2009 (verder te noemen: de Duitse uitspraak of de Duitse alimentatieuitspraak) is bepaald dat de man met € 290,34 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

De standpunten van partijen

het verzoek

De man verzoekt -voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- de uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 15 juni 2009 in te trekken, althans te wijzigen met dien verstande dat de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen met ingang van 15 juni 2009, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoek, althans met ingang van een datum die de rechtbank juist acht, wordt vastgesteld op nihil, althans op een zodanig bedrag dat de rechtbank juist acht.

De man stelt daartoe dat de uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 15 juni 2009 van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan omdat bij de uitspraak van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan, althans is de man van mening dat deze uitspraak nadien door wijziging van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Voorts stelt de man dat de onderhoudsverplichting in de Duitse uitspraak is gebaseerd op zijn inkomen 2008 maar dat zijn arbeidsovereenkomst met zijn werkgever van destijds is geëindigd in 2009. Vanaf juni 2011 heeft hij een tijdelijk arbeids-contract elders gehad en vanaf juni 2013 ontvangt hij een ziektewetuitkering van het UWV. Ten slotte stelt de man dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage te leveren omdat hij een inkomen heeft dat ver onder de bijstandsnorm voor een alleenstaande is. Hij doet daarbij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets omdat hij bij betaling van een onderhoudsbijdrage niet langer in staat is om in eigen kosten van levensonderhoud te voorzien.

het verweer

De vrouw is in persoon verschenen en zij heeft verweer gevoerd. Volgens de vrouw klopt het door de man geschetste arbeidsverleden en zij betwist niet dat de man een uitkering van het UWV ontvangt. De vrouw betwist echter dat die uitkering de enigste inkomstenbron van de man is. Volgens de vrouw heeft de man ongeveer twee jaar geleden een nabetaling ontvangen van € 30.000,= en voorts dat de man enkele paarden houdt en hij kennelijk in staat is om die paarden te onderhouden.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

1.

De rechtbank is van oordeel dat allereerst de vragen dienen te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en vervolgens of het de rechtbank is toegestaan de uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 15 juni 2009 (hierna: de Duitse uitspraak of de Duitse alimentatiebeslissing) in te trekken of te wijzigen, zoals door de man is verzocht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.

Buitenlandse alimentatiebeslissingen vallen sinds 18 juni 2011 onder het formele toepassingsgebied van de Alimentatieverordening EG nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen van 18 december 2008 (Ali-vo), als zij afkomstig zijn uit een EU-lidstaat. Zowel Nederland en Duitsland zijn EU-lidstaat, zodat naar het oordeel van de rechtbank het beantwoorden van de vragen dient plaats te vinden aan de hand van de bepalingen van de Ali-vo. Nederland en Duitsland zijn (als gebonden lidstaat) voorts gebonden door de bepalingen in het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (Protocol).

3.

Nu gebleken is dat de vrouw (de crediteur) op het moment van indiening van het verzoek in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, kan de man op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 1 Ali-vo in Nederland de onderhavige procedure bij de Nederlandse rechter aanhangig maken.

4.

Ingevolge artikel 17 lid 1 Ali-vo wordt de Duitse uitspraak echter zonder vorm van proces in Nederland erkend. Nu niet is gesteld of gebleken dat de Duitse uitspraak volgens de bepalingen van de Ali-vo (artikel 19 Ali-vo) niet uitvoerbaar is, staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast dat de door de man te betalen alimentatie onder toepassing van het Duitse recht is vastgesteld en opgelegd. De man heeft niet gesteld op grond van welke Duitse wettelijke maatstaven de Duitse uitspraak van meet af aan niet heeft voldaan en het Nederlandse recht bevat geen bepalingen voor een wijziging van de Duitse uitspraak met een terugwerkende kracht.

Naar het oordeel van de rechtbank betekent vorenstaande dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van zijn verzoek om de uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 15 juni 2009 in te trekken. Wel kan de Nederlandse rechter de alimentatie opnieuw vaststellen maar een dergelijke beslissing geldt dan uitsluitend voor de toekomst.

6.

Nu de door de man gestelde gewijzigde omstandigheden niet zijn weersproken, acht de rechtbank de man ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.

7.

Alle betrokkenen zijn in Nederland woonachtig. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 3 Ali-vo deze rechtbank haar bevoegdheid ontleent en ingevolge het bepaalde in artikel 3 Protocol Nederlands recht toepasselijk is op de onhoudsverplichting.

8.

De rechtbank hanteert bij de beoordeling de richtlijnen zoals die zijn opgenomen in het rapport alimentatienormen (Trema-rapport) van de Werkgroep alimentatienormen.

9.

De rechtbank is van oordeel dat bij een eventuele wijziging, waarover hierna meer, als ingangsdatum de datum van indiening van het verzoekschrift dient te worden gehanteerd. Door de man zijn, mede gelet op het vorenstaande, voorts onvoldoende feiten of omstandig-heden gesteld of aannemelijk gemaakt waardoor de wijziging met een terugwerkende kracht tot 15 juni 2009 dient in te gaan. Immers: op de datum van indiening van het verzoekschrift is een afschrift daarvan aan de vrouw gestuurd, zodat zij eerst vanaf die datum redelijkerwijs rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat het verzoek van de man wordt toegewezen.

10.

Uitgaande van de door de man overgelegde uitkeringsspecificaties heeft de man een inkomen dat lager is dan € 1.250,= per maand, waaraan -gelet op het advies in het Trema-rapport- een draagkracht van € 25,= kan worden gekoppeld.

Uit de door de man overgelegde stukken volgt dat de inkomsten van de man zijn gedaald sinds hij een ziektewetuitkering ontvangt. Nu de man niet met zoveel woorden de stelling van de vrouw heeft weersproken dat hij twee jaar geleden een nabetaling van het UWV heeft ontvangen, gebleken is dat hij thans geen woonlasten heeft en hij kennelijk wel in staat is om de verzorging van drie paarden en een hond te bekostigen, gaat de rechtbank ervan uit dat hij in staat is om de minimale bijdrage van € 25,= per maand te voldoen.

De man heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij over onvoldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien en dat zijn inkomen zakt onder 90% van de bijstandsnorm. Hierbij is van belang dat bij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets van de onderhoudsplichtige wordt verwacht dat hij een volledig en duidelijk -door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken- inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie.

Nu de man dit heeft nagelaten, dient het beroep op de aanvaardbaarheidstoets te worden afgewezen.

11.

De rechtbank acht de bijdrage van € 25,= per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, zodat zij dit bedrag als na te melden zal opleggen.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om de uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 15 juni 2009 in te trekken.

2.

Bepaalt dat de man, in afwijking van de uitspraak van het Amtsgericht Nordhorn van 15 juni 2009, met ingang van 22 oktober 2013 met € 25,= (vijfentwintig euro) per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

3.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.V.A. Groener, in tegenwoordigheid van H.E. Abbink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.