Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:145

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-01-2014
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
08/000150-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsbeslissing. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van €1.265.545,- aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/000150-03

Datum beslissing: 13 januari 2014

Beslissing op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats],

wonende in [plaats, adres] (BRD).

1 De vordering van de officier van justitie

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.528.016,= en tot oplegging van de verplichting aan veroordeelde tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 2 december 2013 gepersisteerd bij zijn vordering.

2 De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 3 november 2008,

7 december 2009 - met een interlocutoir vonnis op 18 januari 2010 -, 4 maart 2013,

2 september 2013 en 2 december 2013. Veroordeelde, bijgestaan door de raadsman

mr. Doesburg dan wel mr. Van ‘t Land, advocaten te Breda, is op de terechtzitting van 3 november 2008 verschenen en op de vordering gehoord. Op de overige zittingen trad één van beide raadslieden op als gevolmachtigd raadsman.

Op de terechtzitting van 2 december 2013 heeft de officier van justitie mr. Van den Broek zijn vordering, zoals die in de conclusie van repliek van 3 maart 2009 is weergegeven, gehandhaafd.

De raadsman mr. Doesburg heeft op 2 april 2009 bij conclusie van dupliek op de vordering gereageerd. De raadsman mr. Van ’t Land heeft ter terechtzitting van 2 december 2013 de eerder gedane verzoeken herhaald, te weten, zakelijk weergegeven:

- door het buiten beschouwing laten van in het Engels vertaalde stukken, te weten leenovereenkomsten uit Rusland, wordt veroordeelde in zijn verdediging geschaad, hetgeen het horen van (nog niet gehoorde) getuigen noodzakelijk maakt;

- [betrokkene 1], [betrokkene 2]. en mevr. [betrokkene 3] dienen gehoord te worden;

- met betrekking tot de werkzaamheden in Dubai dienen alle twaalf door de verdediging genoemde getuigen gehoord te worden;

- Indien de rechtbank, wat betreft de boten “[boot 1], [boot 2], [boot 3] en [boot 4]”, terugkomt op de in het interlocutoire vonnis van 18 januari 2010 reeds genomen beslissing, dienen [betrokkene 4], [betrokkene 5] en de voorzitter van de [betrokken vereniging] als getuigen te worden gehoord.

De raadsman heeft daarbij aangegeven dat hij de verzoeken heeft herhaald, aangezien anders de Hoge Raad oordeelt dat hij, bij niet herhaling, de verzoeken niet handhaaft.

3 De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2008 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:

1. medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen:

zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

4. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

9. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Bij het vaststellen van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt voornoemd arrest in samenhang met de berekening, zoals vastgelegd in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, behoudens voor zover daarvan hierna wordt afgeweken.

Het rapport is opgemaakt op 30 juli 2008 door de rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] en bij het rapport zijn vijfentwintig bijlagen gevoegd.

3.1

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank wijst de door de raadsman ter terechtzitting van 2 december 2013 gedane (herhaalde) verzoeken af. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die de rechtbank nopen tot wijziging van eerder ingenomen standpunten.

De raadsman heeft ter terechtzitting op 2 december 2013 nog aangevoerd dat, wat betreft de aanschaf van verdovende middelen, zonder redelijke twijfel het strafbare feit vast moet staan en dat betrokkene voordeel heeft gehad. De raadsman is van oordeel dat uit niets blijkt dat zijn cliënt degene is geweest die de verdovende middelen heeft gefinancierd. Tot slot heeft de raadsman nog aangevoerd dat wel rekening gehouden dient te worden met een eerder opgelegde ontnemingsmaatregel, aangezien er mogelijk sprake kan zijn van een dubbeltelling en het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen aan te tonen dat zulks niet het geval zou zijn.

De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Wat betreft de financiering van de drugs.

Vast staat dat er bij veroordeelde een grote hoeveelheid cocaïne is aangetroffen. Het is volstrekt onaannemelijk dat drugs geleverd worden, zonder directe contante betaling, immers gaat het in die criminele branche slechts om één ding: snel en veel geld verdienen. Uit geen concrete omstandigheid is aannemelijk geworden dat die aan veroordeelde geleverde drugs door een ander dan door veroordeelde zouden zijn gefinancierd.

Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat veroordeelde op legale wijze geld heeft geleend en ontvangen van derden.

Ook is niet gebleken dat veroordeelde door het aangaan van rechtmatige rechtshandelingen geld heeft gegenereerd.

Wat betreft een dubbeltelling.

Van een dubbeltelling wat betreft de eerder opgelegde ontnemingsmaatregel is ook niet gebleken, nu aan die zaak een geheel ander feitencomplex vooraf ging, te weten drugshandel in de jaren 1997-1999. Het gerechtshof in Arnhem heeft daarover op 24 juni 2004 arrest gewezen. De raadsman van veroordeelde heeft gesteld dat een bedrag van € 62.000,= aan contante stortingen op banken verklaard kan worden door het wederrechtelijk verkregen voordeel dat (nog) niet aan de Staat is/was terugbetaald. Dit bedrag zou dan niet als niet legaal vermogen uit nieuwe strafbare feiten mogen worden meegenomen in de berekening. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt onvoldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank neemt hierbij eveneens in aanmerking dat veroordeelde over de periode 2001-2003 bij het aanvragen van een bijstandsuitkering geen melding heeft gemaakt van eigen vermogen. Ook is niet gebleken dat veroordeelde een beginsaldo aan contanten uit eerdere criminele activiteiten had. De rechtbank is van oordeel dat de enige bekende legale inkomstenbron van veroordeelde in de onderhavige periode betrof zijn bijstandsuitkering. Daarnaast ontving betrokkene een huursubsidie.

De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de periode 1 november 2001 tot januari 2007. Die periode is door het openbaar ministerie voldoende onderbouwd.

De legale inkomsten van veroordeelde (uitkering en huursubsidie) bedroegen € 33.000,=. Dat veroordeelde andere legale inkomsten in die periode heeft ontvangen, is onvoldoende komen vast te staan. Dat geldt voor de opgevoerde posten erfenis, werkzaamheden voor ETA en dubbeltelling.

Wat betreft de post ‘boten’ gaat de rechtbank uit van de volgende door veroordeelde betaalde aanschafprijzen. Dit is conform hetgeen door de verdediging is vermeld.

[boot 2]: € 25.000,= en [boot 3]: € 17.000,=.

Niet staat vast dat de boten [boot 1] en [boot 4] (mede) door veroordeelde zijn aangeschaft en betaald.

De stortingen per kas bij banken: € 292.903,=.

De uitgaven voor de boten [boot 2] en [boot 3]: € 42.000,=.

Aanschaf 202 kilo cocaïne: € 951.937.

Totaal: € 1.286.840,=

Beschikbaar voor uitgaven: € 21.295,=.

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €  1.265.545,=. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij deze beslissing.

De raadsman heeft, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008

(NJ 2008, 358), geconcludeerd dat de redelijke termijn ex art. 6 EVRM is overschreden en dat tenminste € 5.000,= in mindering dient te worden gebracht. Primair is de raadsman echter van oordeel dat, nu de overschrijding meer dan 12 maanden bedraagt, een substantieel hoger bedrag dan die € 5.000,= in mindering dient te worden gebracht.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Op 20 maart 2008 heeft het gerechtshof te Arnhem arrest gewezen in de strafzaak tegen veroordeelde. De daarop volgende eerste ontnemingszitting heeft plaatsgevonden op

3 november 2008. Na een schriftelijke ronde is de zaak op 7 december 2009 hervat en heeft de rechtbank op 18 januari 2010 interlocutoir vonnis gewezen. Daarin heeft de rechtbank onder meer beslist dat - op verzoek van de verdediging - een zevental getuigen gehoord diende te worden. Vervolgens heeft de rechter-commissaris (r.c.) in juli en november 2010 en in januari 2011 getuigen gehoord, terwijl hij op 19 oktober 2011 in Suriname nog een getuige heeft gehoord. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de r.c. vanaf 24 juli 2010 pogingen heeft ondernomen om de (verdere) personalia en de woon- en/of verblijfplaats van de door de verdediging verzochte getuige [getuige] in Dubai te achterhalen. Op 3 augustus 2012 heeft de r.c. zijn pogingen gestaakt. Daarna werden de terechtzittingen hervat op 4 maart 2013, 2 september 2013 en – laatstelijk – op 2 december 2013.

Weliswaar is er in het geheel sprake van een lange duur van behandeling, doch de onderhavige zaak is telkens met een alleszins redelijke voortvarendheid voortgezet. Bovendien is ook (door de r.c.) uitvoerig getracht aan een verzoek van de verdediging te voldoen, te weten de poging de getuige [getuige] op te sporen en te horen. Het gehele verloop in ogenschouw nemend is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, niet is overschreden, zodat ook geen bedrag in mindering behoort te worden gebracht.

3.2

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.265.545,=.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op €  1.265.545,=;

  • -

    legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van €  1.265.545,= aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. Alers, voorzitter, mr. Huisman en mr. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2014.