Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA2286

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
C/08/136742 / KG ZA 13-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing van de door partijen gevorderde rectificaties (in conventie en in reconventie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/136742 / KG ZA 13-76

datum vonnis: 5 juni 2013 (ib)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. B.S. Friedberg te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. C.P.B. Kroep Enschede.

1. Het procesverloop

1. De voorzieningenrechter heeft op 3 mei 2013 een tussenvonnis gewezen. Voor het procesverloop tot dan toe wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent in dat vonnis is opgenomen.

2. Na het tussenvonnis heeft [eiser] de rechtbank bij brief van 21 mei 2013 meegedeeld dat hij ten genoegen van partijen zekerheid heeft gesteld voor een bedrag van

€ 4.000,--. Bij brief van 22 mei 2013 heeft [gedaagde] de rechtbank meegedeeld dat [eiser] genoegzame zekerheid heeft gesteld voor de proceskosten. In voornoemde brieven hebben partijen eveneens verzocht om vonnis te wijzen. Daarop heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

3. Recentelijk is er tussen [eiser] en [M] een zakelijk geschil ontstaan dat onderwerp is van een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank te Roermond.

4. Op 21 augustus 2009 heeft [gedaagde] een mailbericht verzonden naar de vader van [eiser]. Dit mailbericht bevat - voor zover van belang - de volgende passage:

“Het is heel veel schadelijker voor [eiser], want die heeft de foto gemaakt, en chanteert eigenlijk de man die financieel aan de wieg heeft gestaan van zijn F1 carrière. Het verhaal bij de foto kan voor [eiser] en jou veel schadelijker zijn dan voor [M]. [eiser] wordt gewoon ridder te voet (als niemand zijn benen breekt)”

5. Op 14 november 2011 heeft [gedaagde] aan [S], werkzaam voor [eiser], een mailbericht gestuurd waarin - voor zover van belang - het volgende staat vermeld:

“De bedreiging:

Dus: en zo staat het er ook, niet meer en niet minder, dat als bijvoorbeeld een [E] hetzij sponsor of lener wordt, en bij inroeping hij geconfronteerd wordt met verwijdering van zijn naam van de website en dat (als ze er zouden zijn) van compromitterende foto’s, -- DAT IK ME VOOR KAN STELLEN DAT HIJ ZIJN BENEN BREEKT---”

6. Op de website van het tijdschrift Quote (hierna: Quote) staat in een artikel van

2 november 2012 met de titel “[EISER] [EISER]: ‘[M] HEEFT HELEMAAL NIETS MEER’, voor zover van belang, de volgende tekst vermeld:

“En dan was er nog de ‘bodyguard’ die het kamp-[eiser] terzijde stond in de rechtszaal. ‘Dat is ook zoiets: de man die [gedaagde] en [M] zo betitelen, dat is John van der Spek, de directeur van [eiser] [eiser] BV.’ Uit het vervolg van [eiser]’ relaas zou menigeen dan wel weer opmaken dat persoonlijke beveiliging op zich geen overbodige luxe is: ‘Ik zeg het niet graag, maar ik krijg regelmatig dreigmailtjes van dhr. [gedaagde]. Dat hij mijn been gaat breken bijvoorbeeld. In de rechtbank ging het zelfs zo ver dat hij op zijn telefoon een foto liet zien van een zeer gespierde man die volgens hem ‘dit geschil wel even in drie weken kan oplossen’. Deze meneer is duidelijk niet eerlijk bezig. Hij heeft misschien te veel mafiafilms gekeken, maar wij laten ons niet intimideren.'”

7. Quote heeft in haar nummer van februari 2013 onder de titel “[X]” een artikel over [M] geschreven. In dit artikel is op pagina 85 - in de vorm van een soort kader - onder de kop “SEKS, LEUGENS EN BRANDEND RUBBER”, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Maar het absolute summum zouden compromitterende foto’s van [M] zijn, gemaakt in een seksclub. In een mailcorrespondentie die in handen is van Quote bevestigt [gedaagde], een Overijsselse zakenman die het kamp-[M] bijstaat, het bestaan van ‘de pikante plaatjes’. Toch doen de hoofdrolspelers alsof hun neus bloedt. [eiser]:’Waarom zou ik een foto maken en hem daarmee chanteren? Daar is niks van waar’. [M]: ‘Als er een foto is, dan moet hij die maar laten zien.(…)’”

8. Na de publicatie van voornoemd artikel in het nummer van Quote van februari 2013 heeft [eiser] via zijn advocaat de advocaat van [gedaagde] om opheldering gevraagd. De advocaat van [gedaagde] heeft de advocaat van [eiser] op 6 februari 2013 enige stukken, waaronder het mailbericht van 2 november 2012 van [gedaagde] aan Quote, toegezonden. De advocaat van [gedaagde] heeft per mailbericht van 6 februari 2013 de advocaat van [eiser] gesommeerd om toezending van de dreigmailtjes van [gedaagde] aan [eiser], waar [eiser] in het artikel van 2 november 2012 rept.

3. De standpunten van partijen

9. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar het tussenvonnis van 3 mei 2013.

4. De verdere beoordeling

In conventie en reconventie

10. Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen door [eiser] en door [gedaagde] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter (nog) voldoende aanwezig. Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen van partijen jegens elkaar dan hebben partijen er belang bij dat deze uitlatingen op korte termijn worden gerectificeerd, om de schending van hun reputatie recht te zetten.

11. Uitgangspunt bij de beoordeling in conventie en reconventie moet zijn dat de toewijzing van het gevorderde in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in de onderhavige gevallen zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van de gevallen, waaronder de aard van de geuite verdenkingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, de ernst van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak willen stellen, de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de uitlatingen steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen, de aard van het medium waarin de uitlatingen zijn gedaan en het gedrag en de positie van de benadeelde. Daarnaast dient een beperking zoals gevorderd proportioneel te zijn.

In conventie

12. [gedaagde] stelt dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en dat hij weigert om iets te rectificeren dat hij niet heeft gezegd, niet heeft geschreven en niet heeft bevestigd aan Quote. Quote is zelf verantwoordelijk voor wat zij schrijft, zodat [eiser] Quote moet dagvaarden voor rectificatie.

13. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat de tekst onder de kop “SEKS, LEUGENS EN BRANDEND RUBBER” geen citaten of uitlatingen van [gedaagde] bevat. Dat in de tekst wordt vermeld dat in een mailcorrespondentie, die in handen is van Quote, het bestaan van ‘pikante plaatjes’ wordt bevestigd door [gedaagde] is een uitlating, interpretatie en kwalificatie die voor rekening komt van de journalist die het artikel heeft geschreven en niet voor rekening van [gedaagde]. Er is weliswaar sprake geweest van mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en de journalist van Quote, doch de inhoud rechtvaardigt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet de conclusie dat [gedaagde] het bestaan van ‘pikante plaatjes’ heeft bevestigd. In het mailbericht van 2 november 2012 van [gedaagde] aan de journalist van Quote komen de (vermeende) foto’s weliswaar aan de orde, doch daarbij wordt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter door [gedaagde] een duidelijke kanttekening geplaatst doordat [gedaagde] schrijft: “Als die fotos er al zouden zijn, dan (…)”. Dit betekent dat de passage inzake de bevestiging van het bestaan van ‘pikante plaatjes’ voorshands niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend.

14. Gelet hierop slaagt het door [gedaagde] opgeworpen verweer dat voor de toewijzing van de conventionele vordering geen c.q. onvoldoende grondslag is te vinden in de vaststaande feiten.

15. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 274,-- (griffierecht) + € 816,-- (salaris advocaat) = € 1.090,--.

In reconventie

16. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] niet heeft betwist dat hij de uitlatingen als vermeld in het artikel van 2 november 2012 heeft gedaan. [eiser] stelt echter dat de vordering tot rectificatie van de beschuldiging die inhoudt dat hij [gedaagde] ervan beticht dat hij heeft gedreigd om de benen van [eiser] te breken moet worden afgewezen omdat deze mededeling regelrecht bij [gedaagde] vandaan komt en hij is er dan ook verantwoordelijk voor. Dat [gedaagde] indirect een ander persoon opvoert om tegen [eiser] te zeggen dat diens benen maar gebroken moeten worden, althans dat hij er begrip voor heeft dat dat gebeurt, doet daar volgens [eiser] niet aan af.

17. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt. Gelet op de gehanteerde bewoordingen in het eerdergenoemde mailbericht van 21 augustus 2009 is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [eiser] dit als een min of meer verkapt dreigement in de door hem verwoorde zin heeft kunnen opvatten. Het mailbericht is immers afkomstig van [gedaagde]. Dat het mailbericht is gericht aan de vader van [eiser] doet hieraan niet af nu duidelijk is dat dat bericht [eiser] wel degelijk heeft bereikt. Uit de passage blijkt immers dat het hier om een dreigement richting [eiser] persoonlijk gaat. Dat [gedaagde], blijkens zijn mailbericht van 14 november 2011, het kennelijk anders bedoeld heeft, leidt, wat hier verder ook van zij, vooralsnog niet tot een ander oordeel. In de omstandigheid dat [eiser] het in het artikel van Quote heeft over “dreigmailtjes” ziet de voorzieningenrechter vooralsnog dan ook onvoldoende aanleiding om de uitlatingen van [eiser] hieromtrent als onrechtmatig aan te merken.

18. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat in ieder geval meer dan één mailbericht is verzonden waarin wordt gerept van de mogelijkheid dat de benen c.q. een been van [eiser] kunnen/kan worden gebroken, welk dreigement volgens de voorzieningenrechter ook aldus moet worden begrepen, dat wordt gedreigd om [eiser]

- kort gezegd - lichamelijk iets aan te doen. Bovendien heeft [eiser] in zijn uitlatingen kennelijk slechts één bedreiging genoemd, namelijk de bedreiging dat zijn been zou worden gebroken. De vraag of er al dan niet sprake is geweest van meerdere dreigmailtjes doet geen afbreuk aan de essentie van het verhaal van [eiser] en zijn beschuldiging jegens [gedaagde].

19. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de behandeling van de bewuste rechtszaak bij de rechtbank te Roermond op enig moment, tijdens een schorsing, een foto van een “gespierde man” is getoond door of namens [gedaagde]. Voorshands is aannemelijk dat het tonen van die foto niet los kan worden gezien van de hiervoor aangeduide (verkapte) bedreiging, en als zodanig het samenstel van die bedreiging(en) ook in zekere zin versterkt.

20. Op basis hiervan moet de slotsom zijn dat voorshands niet is komen vast te staan dat door [eiser] jegens [gedaagde] onrechtmatig is gehandeld op de wijze waartegen [gedaagde] thans in rechte wenst op te komen. Dit betekent dat ook de reconventionele vordering moet worden afgewezen.

21. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit reconventionele geding. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 816,-- voor salaris van de advocaat.

22. Tot slot dient in het incident tot zekerheidsstelling [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij nog te worden veroordeeld in de kosten die in dat incident zijn gevallen aan de zijde van [gedaagde], welke kosten naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten worden begroot op € 250,--.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In het incident tot zekerheidsstelling:

Veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de aan die zijde in dit incident gevallen gedingkosten die tot op heden moeten worden begroot op € 250,-- (salaris advocaat).

In conventie en in reconventie:

Wijst af het gevorderde.

In conventie:

Veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de aan die zijde in conventie gevallen gedingkosten die tot op heden moeten worden begroot op € 274,-- (griffierecht) + € 816,-- (salaris advocaat) = € 1.090,--.

In reconventie:

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de aan die zijde in reconventie gevallen gedingkosten die tot op heden moeten worden begroot op € 816,-- (salaris advocaat).

In conventie en in reconventie en in het incident tot zekerheidsstelling:

Verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.