Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1481

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
C/08/136452 / KG ZA 13-68
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldvordering in kort geding. Aannemelijk dat sprake is van een betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/136452 / KG ZA 13-68

datum vonnis: 13 mei 2013

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de vennootschap onder firma

[eiseres],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat: mr. A.J.G. Tazelaar te Amstelveen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gedaagde,

advocaat: mr. P.J. Arentshorst te Almelo.

Partijen zullen hierna ook ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd worden.

1. De procedure

In conventie en in reconventie:

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding inclusief producties

- de door [gedaagde] bij brief van 23 april 2013 ingediende eis in reconventie, inclusief producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van [gedaagde]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In conventie en in reconventie:

2.1. In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2. [Eiseres] wordt gedreven door vennoten [eiseres] en de heer [V]

(hierna: [V]). [Eiseres] is goudsmid en edelsteenkundige van beroep. [Eiseres] beschikt over een volledig geoutilleerd goudsmid atelier.

2.3. [Gedaagde] is een reparatiebedrijf met een atelier in Almelo, dat zich voornamelijk bezig houdt met het doen van reparaties voor juweliers. [Gedaagde] heeft goudsmeden en horlogemakers in dienst en maakt ook (incidenteel) gebruik van externe goudsmeden.

2.4. [Eiseres] heeft in de periode 2007 tot en met februari 2009 een aantal moedermodellen voor zogeheten weduwenringen dan wel relatieringen voor [gedaagde] vervaardigd in het kader van het project “restylen relatieringen”.

2.5. Op 15 augustus 2011 heeft [eiseres] 75 prototypes aan [gedaagde] toegezonden. [Gedaagde] heeft de ontvangst van het pakket op 17 augustus 2011 bevestigd en de prototypes behouden.

2.6. Bij email van 31 januari 2012 heeft [eiseres] aan [gedaagde] meegedeeld dat de eerste deelfactuur (januari 2012) niet is voldaan en dat daarmee het volledige bedrag ad

€ 30.840,15 (exclusief BTW) direct opeisbaar is geworden.

2.6. Bij email van 1 februari 2012 heeft [gedaagde] aan [eiseres] het navolgende - voor zover hier relevant - geschreven:

“Wat betreft de ontwikkelingskosten en de daarvoor gestuurde 15 facturen elk € 2293.74, de eerste is eveneens gisteren naar jullie overgemaakt.

Ik had beloofd de facturen te agenderen, dat heb ik gisteren gedaan, dus de volgende facturen zullen telkens op de 16e van de maand naar jullie worden overgemaakt totdat de laatste termijn op 16 juni 2012.

Hierbij nogmaals mijn welgemeende excusses dat ik dat twee weken te laat heb uitgevoerd.”

2.7. [Gedaagde] heeft de deeltermijnen januari tot en met mei 2012 aan [eiseres] betaald.

2.8. De raadsman van [gedaagde] heeft bij brief van 14 juni 2012 aan [eiseres] medegedeeld dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat geen overeenkomst en samenwerking tot stand is gekomen en dat [eiseres] ten onrechte “ontwikkelingskosten” bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht en de deeltermijnen die [gedaagde] heeft voldaan onverschuldigd zijn betaald.

2.9. [Eiseres] heeft [gedaagde] verzocht en gesommeerd de overeengekomen betalingstermijnen te hervatten, maar betaling is nadien uitgebleven.

3. Het geschil

In conventie:

3.1. [Eiseres] vordert - zakelijk weergegeven en uitvoerbaar bij voorraad - om bij vonnis, [gedaagde] te veroordelen:

primair:

- om aan [eiseres] een bedrag te voldoen van € 25.231,09 en aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente over de achterstallige termijnbedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening, tot aan 15 april 2013 begroot op € 3.240,78;

Subsidiair:

- om aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 25.231,09 in 11 maandelijkse termijnen ad

€ 2.293,73, de eerste termijn te voldoen binnen twee dagen na wijzen van dit vonnis en aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente over de achterstallige termijnbedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening, tot aan 15 april 2013 begroot op € 3.240,78;

en voorts tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [Eiseres] stelt daartoe dat zij in de periode 2007 tot 2009 een groot aantal modellen van ringen voor [gedaagde] heeft ontworpen in het kader van het gezamenlijk project “restylen relatieringen”. Partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] zou overgaan tot ontwikkeling van zogenaamde moedermodellen, waarna deze zouden worden opgenomen in een portfolio en [gedaagde] daarna voor verdere exploitatie zou zorgdragen en [eiseres] ook een deel van de werkzaamheden zou kunnen verrichten naar aanleiding van opdrachten die uit het project voort zouden vloeien. [Eiseres] heeft in dat kader aanzienlijke investeringen gedaan, onder meer in ambachtelijke arbeidsuren, waarover partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] die zou betalen. Partijen zijn voorts overeengekomen dat [gedaagde] het totaalbedrag € 30.842,15 (exclusief BTW) in 16 maandelijkse termijnen van € 1.927,51 (exclusief BTW) met ingang van januari 2012 zou betalen. Op verzoek van [gedaagde] heeft [eiseres] een zestiental facturen in december 2011 aan [gedaagde] toegezonden. [Gedaagde] heeft ook bij e-mail van 1 februari 2012 excuses gemaakt voor het feit dat de eerste deeltermijn niet tijdig is betaald en dat de volgende deeltermijnen zijn geagendeerd zodat [gedaagde] het vorenstaande ook zelf heeft bevestigd. Volgens [eiseres] is dan ook voldoende aannemelijk dat sprake is van een betalingsverplichting van [gedaagde] jegens [eiseres] en is [eiseres] voor haar voortbestaan mede afhankelijk van toewijzing van haar vorderingen, zodat zij een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde.

3.3. [Gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].

In reconventie:

3.4. [Gedaagde] vordert - kort samengevat en uitvoerbaar bij voorraad - om bij vonnis, [eiseres] primair te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 11.468,70 inclusief BTW ter zake onverschuldigde betaling, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover en subsidiair de uitvoering van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst op te schorten tot dat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist omtrent de rechtsgeldigheid van 1) deze overeenkomst alsmede 2) de vernietiging door [gedaagde] Almelo van deze overeenkomst bij schrijven van 14 juni 2012, en zowel primair als subsidiair [eiseres] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede de nakosten.

3.5. [Gedaagde] stelt daartoe dat er nimmer overeenstemming is bereikt dan wel een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen partijen op grond waarvan [gedaagde] gehouden zou zijn tot betaling van de door [eiseres] beweerdelijke “ontwikkelingskosten”. De termijnbedragen die [gedaagde] aan [eiseres] heeft voldaan zijn derhalve onverschuldigd betaald. [Gedaagde] heeft de beweerde overeenkomst zekerheidshalve bij brief van diens advocaat van 14 juni 2012 buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling dan wel subsidiair op grond van bedreiging en misbruik van omstandigheden.

3.6. Ten aanzien van de door [gedaagde] ingestelde reconventionele vordering stelt [eiseres] dat deze niet voor toewijzing gereed ligt, nu zij zich juist op standpunt heeft gesteld dat er wel degelijk een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] gehouden is tot betaling. Van dwaling, laat staan misbruik van omstandigheden dan wel bedreiging is geenszins sprake.

In conventie en in reconventie:

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie:

4.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

4.2. De kern van het onderhavige geding, aldus partijen, is de vraag of er tussen partijen al dan niet een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] gehouden is tot betaling van de door [eiseres] verrichte ambachtelijke werkzaamheden dan wel “ontwikkelingskosten”.

4.3. De voorzieningenrechter begrijpt de stellingen van [gedaagde] aldus, dat [gedaagde] stelt dat, partijen zijn overeengekomen een portfolio van weduwen/relatieringen samen te stellen waaraan partijen ieder hun bijdrage zouden leveren die zij zelf zouden financieren (de zogenaamde ontwikkelingskosten), waarna inkomsten zouden worden gegenereerd door opdrachten die partijen vervolgens krijgen (en daarmee ook de kosten zouden worden terugverdiend). Zowel uit de overgelegde e-mails als het projectplan blijkt dat bij partijen de intentie bestond om het door partijen ontwikkelde “restylen relatieringen” concept verder uit te werken naar een volwaardig concept waarmee [gedaagde] voor verdere exploitatie kon zorgdragen. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat de wijze waarop het verder ontwikkelde concept ingezet zou kunnen worden en of hieruit een rendabel businessmodel zou kunnen worden gerealiseerd, pas geëvalueerd kon worden nadat het project in een vergevorderd stadium van ontwikkeling verkeerde. [Eiseres] had immers reeds veel ambachtelijke uren gestoken in het vervaardigen van de zogenaamde modellen en de ontwikkeling hiervan.

4.4. Het uitspreken van een intentie om te komen tot een samenwerking in het kader van een project “restylen relatieringen” leidt niet (zonder meer) tot het ontstaan van een overeenkomst en een gehoudenheid daartoe. Voor de beantwoording van de vraag of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, dan wel de vraag of deze rechtsgeldig door [gedaagde] is vernietigd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader onderzoek naar de feiten nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent. De beantwoording van deze vragen worden dan ook buiten beschouwing gelaten.

4.5. De vorderingen van [eiseres] strekken - los van het vorenstaande - onder meer tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats, waarbij de rechter niet alleen zal hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (restitutierisico), welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Met inachtneming hiervan overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.6. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een voldoende aannemelijke (geld)vordering van [eiseres] dient te worden beoordeeld of in hoge mate aannemelijk is dat er een verplichting van [gedaagde] jegens [eiseres] bestaat die meebrengt dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van het door [eiseres] gevorderde bedrag. De voorzieningenrechter overweegt dat vast staat dat [gedaagde] bij e-mail van 1 februari 2012 heeft bevestigd dat een deeltermijn dan wel factuur reeds is overgemaakt aan [eiseres] en vervolgens heeft toegezegd vijftien facturen dan wel deeltermijnen ad € 2293,74 te zullen voldoen. Dat partijen nu twisten over de vraag of er een overeenkomst (en zo ja, welke) tussen partijen tot stand is gekomen, laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onverlet dat de inhoud van vorenbedoelde e-mail niet anders kan worden opgevat dan een erkenning van een betalingsverplichting jegens [eiseres]. [Gedaagde] heeft de facturen - die immers reeds in december 2011 zijn toegezonden - zonder protest of zelfs maar vraag naar het waarom, gehouden en heeft - gelet op de email van 1 februari 2012 - een eerste deelbetaling gedaan en toegezegd de resterende termijnen ook te zullen voldoen. [Gedaagde] heeft nadien nog een viertal deeltermijnen betaald. Dat [gedaagde], eerst na consultering van zijn raadsman, zich na geruime tijd na voornoemde erkenning van een betalingsverplichting op het standpunt stelt dat geen overeenkomst tot stand is gekomen en als dit al zo zou zijn dat sprake is van dwaling dan wel bedreiging of misbruik van omstandigheden en de overeenkomst is vernietigd, zodat aldus onverschuldigd is betaald door [gedaagde], doet daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog niet aan af. [Gedaagde] heeft bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt dan wel (volstrekt) onvoldoende onderbouwd dat sprake is van dwaling, misbruik van omstandigheden of bedreiging. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is voor de beoordeling of al dan niet een overeenkomst tot stand is gekomen een nader feitenonderzoek noodzakelijk. En ook het enkele verzoek tot betaling van facturen kan niet worden aangeduid als bedreiging, ook al zou sprake zijn van een veelvoud aan verzoeken daartoe, hetgeen overigens ook niet is gebleken. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het voorshands in hoge mate aannemelijk dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van een geldsom ter vergoeding van de door [eiseres] verrichte en gefactureerde werkzaamheden.

4.7. Zoals hierboven is overwogen dient de voorzieningenrechter het restitutierisico te betrekken in de afweging van de bij de partijen bestaande belangen. De stelling van [gedaagde] dat het voortbestaan van [eiseres] - zoals zelf ook door [eiseres] is betoogd - (mede) afhankelijk is van deze vordering en het daarmee gepaard gaande restitutierisico te groot is zodat dit alleen al toewijzing in de weg dient te staan is een te strikte uitleg van de te hanteren maatstaf. Wel heeft de Hoge Raad vastgesteld dat met het oog op het restitutierisico terughoudendheid op zijn plaats is met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande uit de toewijzing van een geldsom. Het is echter aannemelijk dat het financieel probleem mede is ontstaan doordat [gedaagde] ondanks andersluidende belofte heeft nagelaten het overgrote deel van de facturen te betalen, alsmede - zoals onweersproken gesteld - minder opdrachten aan [eiseres] heeft verstrekt dan toegezegd en het mislukken van het project “restylen relatieringen”. Vooral gelet op [gedaagde’s] onmiskenbare erkenning dat hij ruim € 25.000,-- (in termijnen) zal betalen, is een eventueel restitutierisico van ondergeschikt belang. Betaling van de overige in conventie in het geding zijnde bedragen zal in een bodemprocedure aan de orde moeten komen.

4.8. [Eiseres] heeft onweersproken gesteld dat nog openstaat een bedrag van € 25.231,09. De voorzieningenrechter zal dat bedrag dan ook toewijzen.

Gelet op het vorenstaande dient de door [gedaagde] ingestelde reconventionele vordering te worden afgewezen. Omdat de vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen dient zij de proceskosten in reconventie te betalen.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie:

I. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen, bij wijze van voorschot, het bedrag van € 25.231,09, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van de termijnbedragen tot aan de dag der algehele voldoening.

In reconventie:

II. wijst af de vorderingen.

In conventie en in reconventie:

III. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.912,71 aan verschotten en € 816,- aan salaris van de advocaat.

IV. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken door mr. P.L. Alers, voorzieningenrechter, ter openbare terechtzitting van 13 mei 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.