Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA1168

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
C/08/136917 / KG ZA 13-78
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke opheffing beslag op WIA-uitkering in verband met onjuiste vaststelling beslagvrije voet. Ten onrechte is uitgegaan van een gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/136917 / KG ZA 13-78

datum vonnis: 21 mei 2013

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat: mr. B. Bentem te Enschede,

tegen

de coöperatieve vereniging

Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen U.A.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

gemachtigden: mr. J.F. Vanhommerig te Enschede.

Partijen zullen hierna ook ‘[eiser]’ en ‘Rabobank’ genoemd worden.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding inclusief producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de Rabobank

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2. [Eiser] ontvangt een WIA-uitkering. Onder meer de Rabobank heeft op deze uitkering beslag gelegd, waarbij de bepaling van de beslagvrije voet is uitgegaan van de norm “gezamenlijke huishouding” en deze is gelijkgesteld met de norm “gehuwden”.

2.3. [Eiser], een alleenstaande man, is woonachtig op de zolderkamer van de woning van zijn broer en diens gezin, die in die woning eveneens woonachtig zijn. [Eiser] heeft met zijn broer een huurovereenkomst gesloten op 1 januari 2007, waarbij onder meer is afgesproken dat de huurprijs € 250,- per maand bedraagt.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert - zakelijk weergegeven en uitvoerbaar bij voorraad - om bij vonnis,

I. met terugwerkende kracht tot 23 november 2011, althans 23 maart 2012 de beslagvrije voet van [eiser] gedeeltelijk op te heffen, namelijk voor zover deze de beslagvrije voet van

€ 931,50 te boven gaat, althans een in goede justitie nader te bepalen bedrag;

II. te bepalen dat gedaagde hetgeen door hantering van de te lage beslagvrije voet teveel heeft ingehouden, dient terug te betalen aan [eiser], het correcte bedrag nader te bepalen;

III. en de proceskosten tussen partijen te compenseren;

3.2. [Eiser] stelt daartoe dat de Rabobank de beslagvrije voet onjuist heeft berekend, namelijk op basis van de norm “gehuwden” terwijl hij onder de “alleenstaande”-norm valt. [Eiser] woont weliswaar bij zijn broer en diens gezin in één woning, dat wil echter, aldus [Eiser], nog niet zeggen dat er ook sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) zoals de Rabobank stelt. Gelet hierop ontvangt [eiser] onvoldoende inkomsten om rond te komen, zodat hij een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde.

3.3. De Rabobank voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

4. De beoordeling

4.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

4.2. De kern van het onderhavige geschil is de vraag of bij het door de Rabobank gelegde beslag op de WIA-uitkering van [eiser] de juiste norm is gehanteerd om de beslagvrije voet te berekenen. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt.

4.3. Het voor beslag vatbare gedeelte dat van een periodieke uitkering resteert na aftrek van verplichte inhoudingen en niet te beslane inkomstenbronnen, wordt verkleind door een daaraan ingevolge artikel 475c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verbonden beslagvrije voet. Artikel 475d Rv bepaalt - kort gezegd - dat de beslagvrije voet 90% bedraagt van de desbetreffende bijstandsnorm, inclusief vakantieaanspraak. Voor beantwoording van de vraag welke bijstandsnorm van toepassing is, wordt in laatstgenoemde bepaling verwezen naar de Wwb. In tegenstelling tot hetgeen de Rabobank heeft aangevoerd is de voorzieningenrechter wel bevoegd om van dit geschil kennis te nemen krachtens

artikel 438 lid 2 Rv. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van [eiser] aldus dat het door de Rabobank gelegde beslag dient te worden opgeheven voor zover deze de beslagvrije voet volgens de alleenstaande norm te boven gaat, nu (anders dan [eiser] letterlijk heeft gevorderd) een vastgestelde beslagvrije voet niet kan worden opgeheven.

4.4. Vast staat dat bij [eiser] de beslagvrije voet is vastgesteld aan de hand van de bijstandsnorm voor personen die gezamenlijk een huishouding delen. Ingevolge artikel 3 lid 3 Wwb is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van huishouding dan wel anderszins.

4.5. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn broer en diens gezin als bedoeld in artikel 3 lid 3 van de Wwb. Met name is niet gebleken dat aan het criterium van wederzijdse verzorging is voldaan. [Eiser] heeft daartoe (onvoldoende weersproken) gesteld dat hij lijdt aan slaapstoornissen en om die reden ook medicatie dient te nemen. Als gevolg daarvan stelt hij verder elke dag de woning te verlaten rond 13.00 uur, waarna hij zich ophoudt bij diverse stichtingen in Enschede, en vervolgens pas laat in de avond weer terugkeert tot de woning, zodat er geen sprake is van een gezinsleven en gezamenlijke verzorging. Dit komt de voorzieningenrechter niet geheel onaannemelijk voor. Daarenboven blijkt uit de huurovereenkomst die [eiser] met zijn broer heeft gesloten dat hij slechts een kamer huurt en geen bijdrage levert aan de kosten van de gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter is voorts niet gebleken van andere feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is van een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen [eiser] en zijn broer en diens gezin.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat bij de bepaling van de beslagvrije voet van [eiser] uitgegaan had moeten worden van de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

4.6. Het verhaalsrecht van de schuldeiser wordt beperkt door de regeling die is neergelegd in de artikelen 475d tot en met 475g Rv., die beoogt te waarborgen dat ook de schuldenaar die beslag op zijn inkomen moet dulden nog juist voldoende overhoudt voor de lopende kosten van het bestaan. Op het gedeelte van het inkomen dat nodig is voor deze noodzakelijke kosten, de beslagvrije voet, kan dan ook geen geldig beslag worden gelegd.

Gedaagden hebben niet weersproken dat [eiser] over geen enkele andere bron van inkomsten beschikt, zodat moet worden aangenomen dat [eiser] voor de noodzakelijke kosten van zijn levensonderhoud op zijn Wia-uitkering is aangewezen. Door een beslag op het inkomen te handhaven waarbij niet de bijstandsnorm voor een alleenstaande is toegepast bij de bepaling van de beslagvrije voet, handelt de Rabobank onrechtmatig jegens [eiser].

4.7. Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, [eiser] had moeten worden aangemerkt als alleenstaande als bedoeld in de Wwb en derhalve dienovereenkomstig een beslagvrije voet toegepast had dienen te worden van 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, wordt gedeeltelijke opheffing van het door de Rabobank gelegde beslag toegewezen, zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

4.8. De door [eiser] onder II. gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

4.9. Deze vordering zal worden afgewezen. [Eiser] heeft het bestaan noch de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk gemaakt. Gezien de weerspreking door de Rabobank van de stelling van [eiser] dat hij de deurwaarder alle informatie heeft gegeven kan [eiser] niet volstaan met de enkele stelling dat de Rabobank hetgeen zij teveel heeft ingehouden, nader te bepalen, dient terug te betalen aan [eiser]. Het had op zijn weg gelegen zijn stelling nader (met stukken) te onderbouwen. Het is niet onaannemelijk dat [eiser] zelf heeft verzuimd de deurwaarder van (financiële) informatie te voorzien en dat het daarmee aan hem zelf is te wijten dat de deurwaarder de beslagvrije voet mogelijk niet juist heeft berekend. [eiser] heeft immers ook zelf geweigerd om de deurwaarder – naar aanleiding van de suggestie van de kantonrechter in een andere door [eiser] aanhangig gemaakte procedure – toegang te verschaffen tot de door hem gehuurde kamer in de woning van zijn broer.

4.10. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van het geval - waaronder het expliciete verzoek daartoe van [eiser] - aanleiding te bepalen dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. heft het door de Rabobank ten laste van [eiser] gelegde derdenbeslag onder UWV op behoudens voor zover de door het beslag getroffen uitkering de voor [eiser] geldende beslagvrije voet, vast te stellen volgens de alleenstaande norm, te boven gaat;

II. bepaalt dat [eiser] en de Rabobank ieder hun eigen kosten dragen.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.