Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA0392

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
17-05-2013
Zaaknummer
C/08/128745 ha za 12-169 en C/08/128747 ha za 12-170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure. Vertegenwoordiging tijdens verificatievergadering. Mondelinge lastgeving aan een rechtspersoon.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de wet niet te lezen dat het niet is toegestaan dat een schuldeiser zich op de verificatievergadering laat vertegenwoordigen door een gevolmachtigde. Artikel 120 lid 1 Faillissementswet maakt het zelfs mogelijk dat een daartoe gevolmachtigde in plaats van de "echte" schuldeiser de daar bedoelde eed kan afleggen. Het verweer van de curator dat alleen de "echte" schuldeisers als eisers tot verificatie hadden moeten optreden, wordt verworpen.

Er is nagelaten om te stellen op welk moment en hoe de gestelde mondelinge last is verstrekt. De rechtbank hecht er aan om te beklemtonen dat rechtspersonen als zodanig nog steeds niet kunnen spreken en luisteren. Het stellen dat een mondelinge last aan een rechtspersoon, is gegeven en geaccepteerd zonder nadere toelichting aan wie in concreto dan die last moet zijn medegedeeld en waarom die persoon bevoegd is (geweest) namens die rechtspersoon die last te accepteren, moet in dit kader als onvoldoende gespecificeerd worden aangemerkt. Het door eisers tot verificatie gevorderde moet worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/128745 ha za 12-169 en C/08/128747 ha za 12-170

datum vonnis: 1 mei 2013

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

zaaknummer: 128745 ha za 12-169:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Stokhorst B.V.,

gevestigd te Rijssen,

eiseres,

verder te noemen Stokhorst,

advocaat: mr. M.W. Rijsdijk te Amsterdam,

tegen

mr. W.H.J.M. Haafkes q.q.,

kantoorhoudende te Hengelo (Ov),

gedaagde,

verder te noemen de curator,

advocaat: mr. W.H.J.M. Haafkes te Hengelo (Ov),

en in zaaknummer 128747 ha za 12-170:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rembrandt Beleggingen B.V.,

gevestigd te Almelo,

eiseres,

advocaat: mr. M.W. Rijsdijk te Amsterdam,

tegen

mr. W.H.J.M. Haafkes q.q.,

kantoorhoudende te Hengelo (Ov),

gedaagde,

verder te noemen de curator,

advocaat: mr. W.H.J.M. Haafkes te Hengelo (Ov).

De weergave van het procesverloop

in beide zaken

1. Voor de weergave van het procesverloop moet hier eerst worden verwezen naar wat daarover staat vermeld in de in deze zaken op 15 augustus 2012 gewezen tussenvonnissen. De in die vonnissen bepaalde gezamenlijke comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2012. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Daarna is door partijen in beide zaken nog gerepliceerd en gedupliceerd. Tot slot is door de curator nog in beide zaken een akte houdende uitlating producties in het geding gebracht. Daarna is vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

Waarvan kan worden uitgegaan

in beide zaken

2. Gedaagde is curator in het op 21 december 2011 uitgesproken faillissement van de besloten vennootschap DQOC B.V.

3. De verificatievergadering in dit faillissement heeft plaatsgevonden op vrijdag

27 april 2012. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de curator ten overstaan van de rechter-commissaris in het faillissement van DQOC B.V. heeft volhardt in diens betwisting van de bij hem door de besloten vennootschappen Rembrandt Beleggingen B.V. en Stokhorst B.V. ter verificatie ingediende vorderingen, elk ten bedrage van in totaal

€ 63.232,63. In het proces-verbaal is tevens vastgesteld dat die besloten vennootschappen ter verificatievergadering zijn verschenen, en wel in de personen van respectievelijk de heer

[Z] en de heer [H]. Omdat een vergelijk niet mogelijk bleek, zijn beide aan die rechtspersonen toekomende vorderingen geplaatst op de lijst van betwiste schuldeisers en zijn partijen ter zake van deze betwistingen door de rechter-commissaris verwezen naar de terechtzitting van deze rechtbank van woensdag 6 juni 2012 te 10.00 uur.

4. Eisers tot verificatie zijn zelf geen partij geweest bij de gestelde twee met DQOC B.V. gesloten sublicentieovereenkomsten. Wel zijn bij die gestelde overeenkomsten respectievelijk partij geweest de heer [H] en de heer [Z], en blijkens de tekst van die overeenkomsten steeds voor zichzelf en niet voor een ander. Beide heren zijn (alleen) aandeelhouders van eisers tot verificatie.

5. Voor de - naar zeggen van eisers ter verificatie - met de failliete vennootschap gesloten managementovereenkomsten geldt hetzelfde. Ook daar zijn eisers tot verificatie zelf geen partij bij geweest.

De standpunten van eisers tot verificatie

in beide zaken

6. Eisers tot verificatie vorderen in dit geding om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad als volgt te beslissen;

“1. de vorderingen van eisers tot verificatie te verifiëren en erkennen, door vast te stellen dat eiser tot verificatie ieder afzonderlijk een onvoorwaardelijke vordering op DQOC BV heeft, ten bedrage van € 63.232,63;

2. de curator te bevelen de vorderingen van eisers tot verificatie, zoals vastgesteld door de rechtbank, te erkennen en te plaatsen op de lijst van erkende schuldeisers in het faillissement van DQOC BV;”.

7. Een en ander met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

8. Daartoe is door eisers tot verificatie als volgt gesteld. Elke eiseres tot verificatie heeft afzonderlijk op grond van een met de failliete vennootschap gesloten managementovereenkomst een vordering tot nakoming ten bedrage van € 23.608,07. Het betreft hier steeds de managementvergoeding die verschuldigd is geworden over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 20 december 2011.

9. Ook hebben eisers tot verificatie elk een vordering tot nakoming ten bedrage van

€ 39.624,56 (inclusief BTW). Het betreft hier steeds nakoming van met de failliete onderneming gesloten sublicentieovereenkomsten, op basis waarvan steeds een royaltyvergoeding verschuldigd is geworden voor de periode van 1 oktober 2009 tot en met 20 december 2011.

Het standpunt van de curator

in beide zaken

10. De curator heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door eisers tot verificatie gevorderde. Dit onder aanvoering van tal van argumenten waarom de betwisting ter verificatievergadering hout snijdt. Voor zover vereist en nodig worden die argumenten hierna in de overwegingen besproken en betrokken.

De beoordeling

in beide zaken

11. Te dienende dage - te weten dus op 6 juni 2012 - zijn als eisers in deze renvooiprocedures (alleen) in rechte verschenen de besloten vennootschap

Rembrandt Beleggingen B.V. en de besloten vennootschap Stokhorst B.V. en (dus) niet de heer [H] en de heer [Z].

12. Eerst bij repliek in deze renvooiprocedures hebben de genoemde besloten vennootschappen aangevoerd dat zij niet voor zichzelf optreden, maar krachtens lastgeving (ter incasso) in eigen naam optreden namens respectievelijk de genoemde natuurlijke personen [Z] en [H], omdat die laatst genoemde natuurlijke personen degenen zijn die elk de genoemde vorderingen op failliet stellen te hebben, welke vorderingen dus door de curator zijn betwist. Gesteld noch gebleken is dat reeds tijdens de verificatievergadering is kenbaar gemaakt dat de beide rechtspersonen (ook toen al) doende waren om als gevolmachtigde op eigen naam vorderingen van een ander te incasseren.

13. In de wet is naar het oordeel van de rechtbank niet te lezen dat het niet is toegestaan dat een schuldeiser zich op de verificatievergadering laat vertegenwoordigen door een gevolmachtigde. Artikel 120 lid 1 Faillissementswet maakt het zelfs mogelijk dat een daartoe gevolmachtigde in plaats van de “echte” schuldeiser, de daar bedoelde eed kan afleggen. Aldus redenerend valt niet in te zien dat een gevolmachtigde van de schuldeiser die op eigen naam - en dus daartoe rechtens correct gevolmachtigd - doende is de vordering van een ander te incasseren, niet ook als eiser tot verificatie in een renvooiprocedure kan optreden. Het verweer van de curator dat dat niet kan en dat alleen de “echte” schuldeisers in de personen van de heer [Z] en van de heer [H] als eisers tot verificatie hadden moeten optreden, wordt verworpen omdat dat standpunt rechtens niet voor juist kan worden gehouden.

14. Door de curator is met argumenten getornd aan het bestaan en de rechtsgeldigheid van de gestelde volmachten tot incasso op eigen naam door genoemde besloten vennootschappen. De rechtbank heeft daarom eerst die rechtsgeldigheid hier te beoordelen.

15. Door eisers tot verificatie zijn in reactie op het desbetreffende verweer van de curator als producties 15 en 16 afschriften van overeenkomsten tot lastgeving in het geding gebracht. In productie 15 is te lezen dat op 30 september 2012 door [Z] (de lastgever) en de besloten vennootschap Rembrandt Beleggingen B.V. (de lasthebber) onder meer als volgt is overeengekomen:

“Artikel 1 Lastgever geeft aan Lasthebber de last, welke de Lasthebber van de Lastgever aanvaardt, om namens de Lastgever als procespartij in rechte op te treden, al of niet in kort geding of bij wijze van prorogatie, in ingestelde rechtsvorderingen en gewezen rechterlijke uitspraken te berusten, rechtsmiddelen aan te wenden en ter zake verweer te voeren, vonnissen en arresten, beschikkingen en bevelschriften te verkrijgen en grossen daarvan aan te vragen.”

16. In productie 16 is te lezen dat op 1 oktober 2012 door [H] (de lastgever) en de besloten vennootschap Stokhorst B.V. (de lasthebber) dezelfde afspraak in dezelfde bewoordingen is gemaakt.

17. De conclusie uit deze gang van zaken moet zijn dat deze aldus schriftelijk vastgelegde overeenkomsten van lastgeving niet bestonden:

- ten tijde van het instellen van deze gedingen inhoudende vorderingen tot verificatie, te weten op 6 juni 2012;

- en ook niet ten tijde van de verificatievergadering op 27 april 2012.

18. Door eisers ter verificatie is daarom bij repliek tevens het volgende aangevoerd:

“11. De overeenkomst tot lastgeving is niet aan wettelijke vormvereisten gebonden. Dit betekent dat de overeenkomst ook mondeling tot stand kan komen. Dit is in deze kwestie ook gebeurd. De lastgevingovereenkomsten zijn echter voorafgaand aan het aangaan van dit geding tot stand gekomen. Daarmee heeft het verschijnen van de eisers tot verificatie ook betrekking op de vorderingen die de heren [Z] en [H] op de failliete vennootschap DQOC hebben. Een andere zienswijze strookt niet met de feitelijke situatie, nu de heren [Z] en [H], aandeelhouders zijn van eisers tot verificatie.”

19. Het standpunt van eisers tot verificatie luidt mede op basis hiervan:

“14. de overeenkomsten tot lastgeving zijn derhalve voor de start van het geding tot stand gekomen. “.

20. De rechtbank trekt uit deze door eisers tot verificatie gegeven voorstelling van zaken, de conclusie dat door hen niet adequaat is gesteld:

- dat zij krachtens volmacht gerechtigd waren om reeds tijdens de verificatie vergadering de hier aan de orde zijnde vorderingen in eigen naam te incasseren;

- dat zij krachtens volmacht gerechtigd waren om op 6 juni 2012 de hier aan de orde zijnde vorderingen in eigen naam te incasseren.

21. Immers is voor beide situaties nagelaten om te stellen op welk moment en hoe de gestelde mondelinge last is c.q. moet zijn verstrekt. De rechtbank hecht er aan om te beklemtonen dat rechtspersonen als zodanig nog steeds niet kunnen spreken en luisteren. Het stellen dat een mondelinge last aan een rechtspersoon, is gegeven en geaccepteerd zonder nader toelichting aan wie in concreto dan die last moet zijn meegedeeld en waarom die persoon bevoegd is (geweest) namens die rechtspersoon die last te accepteren, moet in dit kader als onvoldoende gespecificeerd worden aangemerkt. Aldus is hier door eisers tot verificatie niet voldaan aan hun stelplicht. Reden voor de rechtbank om hen niet toe te laten tot het leveren van bewijs (waarvan?). Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers tot verificatie hier met een bewijslevering te belasten.

22. De conclusie moet zijn dat het desbetreffende verweer van de curator slaagt en dat de vorderingen van eisers tot verificatie in het faillissement van DQOC terecht door de curator zijn betwist en dat hij dus bij het doen van (een eventuele) uitdeling in dat faillissement deze vorderingen buiten beschouwing moet laten. Het door eisers tot verificatie gevorderde moet worden afgewezen.

23. Eisers tot verificatie dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten die in dit geding zijn gevallen aan de zijde van de curator.

Beslissende

De rechtbank rechtdoende in beide zaken:

I Wijst af het door eisers tot verificatie gevorderde.

II. Veroordeelt de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stokhorst B.V., tot betaling aan de curator van de aan die zijde in het geding gevallen kosten, welke kosten moeten worden begroot op in totaal € 2949,- (te weten € 267,- voor griffierecht en € 2682,- voor salaris).

III. Veroordeelt de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rembrandt Beleggingen B.V., tot betaling aan de curator van de aan die zijde in het geding gevallen kosten, welke kosten moeten worden begroot op in totaal € 2.949,- (te weten € 267,- voor griffierecht en € 2.682,- voor salaris).

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Koopmans en is op 1 mei 2013 in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken.