Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA0308

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
zaaknummer : 655268 VV 13-29
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Voorlopige voorziening. Wedertewerksteling van een vestigingsmanager die kan bogen op een lange vlekkeloze staat van dienst en een recente goede beoordeling. Het enkel blijken van onvrede binnen het team over de sfeer binnen het team en over de onevenredige hoeveelheid aandacht van werknemer voor één van de teamleden en de kennelijk op dat moment moeizame samenwerking met zijn assistent-manager zijn van onvoldoende gewicht om tot een onmiddellijke overplaatsing te komen van de werknemer naar een andere, veel kleinere vestiging, welke overplaatsing in feite een degradatie inhoudt. Werkgever had eerst moeten proberen het vertrouwen binnen het team te herstellen en de vestigingsmanager in dat kader een kans op verbetering moeten bieden. Geen dwangsom verbonden aan het gebod tot wedertewerkstelling omdat aannemelijk is dat eerst de onderlinge verhoudingen, met name die tussen de werknemer enerzijds en zijn leidinggevende en zijn assistent anderzijds, hersteld moeten worden. Van werknemer behoefde niet te worden verlangd om binnen die andere vestiging te re-integreren zodat het staken van de loonbetaling evenmin door de beugel kan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0387

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelszaken

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer : 655268 VV 13-29

datum : 24 april 2013

Vonnis in het kort geding van:

[EISER],

wonende te [plaats],

eisende partij, hierna te noemen: ‘[eiser]’,

gemachtigde mw. mr. A.G. Schouwink, advocaat te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap [GEDAAGDE],

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats], mede zaakdoende te [plaats],

gedaagde partij, hierna te noemen: ‘[gedaagde]’,

gemachtigde mw. mr. M.H. Hamberg, advocaat te Amsterdam.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 2 april 2013 met bijlagen, houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad, en

- de per brief van 8 april 2013 door [gedaagde] ingezonden producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2013. Verschenen zijn:

- [eiser], bijgestaan door mw. mr. Schouwink voormeld, en

- namens [gedaagde] de heer [naam 1], sales manager, en de heer [naam 2], HR advisor, beiden bijgestaan door mw. mr. Hamberg voormeld.

[Eiser] en [gedaagde] hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten (beiden aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Bij de mondelinge behandeling is een minnelijke regeling beproefd, welke mogelijkheden na afloop van de behandeling verder zijn verkend. Bij faxbrief van 15 april 2013 is namens [eiser] meegedeeld dat een minnelijke regeling niet mogelijk is gebleken en heeft hij om vonnis verzocht.

Het geschil

De vordering van [eiser] tot een voorlopige voorziening strekt ertoe dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot:

a. wedertewerkstelling van [eiser] in de functie van storemanager 2 in het warenhuis

van [gedaagde] te [plaats], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

b. betaling van het salaris van [eiser] ad € 3.322,43 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, vanaf 15 maart 2013, en te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van iedere salaristermijn;

c. betaling van € 357,00 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;

onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde, een en ander te stellen op een bedrag van € 6.919,12.

[Gedaagde] heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. [Eiser], geboren op [datum], is per 26 augustus 1985 bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] in dienst getreden. [Eiser] verricht sinds 1 augustus 1995 zijn werkzaamheden voor [gedaagde], vanaf 1 maart 2006 in de functie van storemanager 2 in het warenhuis van [gedaagde] te [plaats]. Het laatst door hem verdiende salaris bedraagt € 3.322,43 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en andere emolumenten. In de brief d.d. 2 maart 2006, ter bevestiging van de overplaatsing van [eiser] naar het warenhuis te [plaats], is onder meer vermeld:

‘(…) Echter wanneer de organisatie het nodig acht, zult u overgeplaatst kunnen worden naar één van onze andere filialen. Uiteraard zal rekening worden gehouden met de bereikbaarheid van de betreffende vestiging. (…)’

b. [Eiser] geeft in het warenhuis te [plaats] leiding aan zo’n 20 medewerkers. Hij wordt daarin bijgestaan door een assistent store manager, mw. [naam 3]. Het functioneren van [eiser] is steeds naar tevredenheid van [gedaagde] beoordeeld, laatstelijk nog op 13 juni 2012 betreffende de periode 2011/2012.

c. [Eiser] is op maandag 6 augustus 2012 teruggekeerd van drie weken vakantie. Op 13 augustus 2012 is [eiser] door onder meer zijn leidinggevende, de heer [naam 1], aangesproken op de actiepunten voor een cultuurverandering die niet zouden zijn opgevolgd, de ontwikkeling van de omzet binnen het warenhuis en het door [gedaagde] ontvangen signaal dat [eiser] een verhouding zou hebben met een ondergeschikte vrouwelijke collega. [Eiser] heeft die verhouding ontkend, waarop [gedaagde] aan [eiser] heeft gevraagd om de onvrede daarover binnen het team weg te nemen.

d. Op de avond van woensdag 22 augustus 2012 heeft [eiser] aan het team uitgelegd dat hij met de betreffende vrouwelijke collega geen verhouding heeft doch wel een goede verstandhouding vanwege het feit dat zij allebei een kind hebben met een beperking. Een aantal medewerkers heeft vervolgens onvrede uitgesproken over de door hen ervaren sfeer en samenwerking binnen het warenhuis. Bij dit overleg waren tevens aanwezig de heren [naam 1] en [naam 2]. In aansluiting op dit overleg is gesproken tussen [eiser], zijn assistent, mw. [naam 3], en de heren [naam 1] en [naam 2]. [Naam 3] heeft die bespreking geëmotioneerd afgebroken.

e. Per brief van 23 augustus 2012 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] medegedeeld:

‘(…) Op basis van de uitkomsten van de gesprekken en teammeeting kan het Sales Management van [gedaagde] niet anders dan tot de conclusie komen dat er een onhoudbare en onwerkbare situatie is ontstaan binnen jouw team in het filiaal [plaats]. Het Sales Management van [gedaagde] heeft daarom besloten jou met ingang van 27 augustus 2012 over te plaatsen naar de stadswinkel in [plaats] als Storemanager.

[Naam 1] zal samen met jou een verbetertraject opstarten voor de eerder genoemde waarnemingen (zie gespreksverslag 13.08.2012) die alle betrekking hebben op jouw functioneren als Storemanager. We willen de komende 3 maanden concrete en meetbare veranderingen zien binnen jouw functioneren als leidinggevende.

Maandag 27 augustus a.s. word je om 12.00 uur verwacht in [plaats] (…) alwaar [naam 1] samen met jou de verbeterpunten en de overdracht van het filiaal zal doornemen. (…) Jouw (…) arbeidsvoorwaarden blijven, vooralsnog, ongewijzigd.’

f. [Eiser] heeft zich op 27 augustus 2012 arbeidsongeschikt gemeld. De bedrijfsarts heeft op 31 augustus 2012 geoordeeld dat er geen sprake was van ziekte doch van een arbeidconflict en geadviseerd om na een afkoelingsperiode van twee weken het werk te hervatten en het gesprek daarover aan te gaan. [Eiser] heeft zich vervolgens op advies van zijn huisarts onder behandeling laten stellen van een psycholoog.

g. Per brief van 14 september 2012 heeft de door [eiser] ingeschakelde gemachtigde aan [gedaagde] medegedeeld dat [eiser] vanwege ernstige psychische klachten niet in staat is om zijn werkzaamheden te hervatten en dat [eiser] het niet eens is met de overplaatsing naar de stadswinkel te [plaats] omdat daar geen zwaarwegende redenen voor bestaan.

h. Op 4 oktober 2012 is [eiser] door een verzekeringsarts van het UWV gezien in het kader van het door hem aangevraagde deskundigenoordeel. In de daarvan opgemaakte rapportage is onder meer weergegeven:

‘(…) Bij cliënt is zeker sprake van ziekte, gebrek en of stoornis. Er is een consistent geheel van klachten, stoornissen en handicaps. Als rechtstreeks en aannemelijk gevolg van ziekte, stoornissen en of gebrek ondervindt cliënt thans als fors te duiden beperkingen in zijn mentale belastbaarheid. (…)

Hierna is geoordeeld dat [eiser] per 10 september 2012 niet geschikt wordt geacht voor het eigen werk. De arbeidsdeskundige van het UWV heeft vervolgens geoordeeld dat de functie van storemanager van de stadswinkel te [plaats] niet passend is, gezien de beperkingen in de belastbaarheid van [eiser] en de functie-eisen.

i. Vanaf 7 november 2012 heeft [eiser] in het kader van zijn re-integratie gedurende een aantal weken een aantal uur per dag werkzaamheden verricht in het magazijn van [gedaagde] te [plaats]. In januari 2013 is [eiser] opnieuw volledig uitgevallen.

j. Op 11 januari 2013 is [eiser] opnieuw gezien door de bedrijfsarts. Deze heeft geoordeeld dat [eiser] met ingang van 1 februari 2013 in staat moet worden geacht zijn eigen werk te hervatten en daarnaast partijen geadviseerd om via mediation hun geschil op te lossen. Partijen hebben in februari 2013 vergeefs een mediation beproefd.

k. Over voormeld oordeel van de bedrijfsarts heeft [eiser] een deskundigenoordeel aangevraagd. Op 6 maart 2013 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV geoordeeld dat [eiser] niet in staat is om te re-integreren in de functie van storemanager 2 te [plaats] of in de functie van storemanager te [plaats]. Volgens de arbeidsdeskundige moet [eiser] wel in staat worden geacht om te re-integreren als magazijnmedewerker.

l. Op 14 maart 2013 heeft [gedaagde] [eiser] opgeroepen voor het verrichten van magazijnwerkzaamheden in [plaats]. [Eiser] heeft zich vervolgens opnieuw volledig ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft [eiser] daarop 19 maart 2013 gezien en geoordeeld:

‘Er is naar mijn mening geen sprake van arbeidsongeschiktheid door ziekte. De behandeling is afgerond en betrokkene gebruikt geen medicatie meer. De heer [eiser] heeft geen beperkingen meer om de eigen of een andere functie uit te oefenen.’

Per mailbericht van 4 april 2013 heeft de verzuimconsulent aan [gedaagde] medegedeeld dat het oordeel van de bedrijfsarts niet anders wordt indien de passage over de medicatie wordt gerectificeerd.

m. Per mailbericht van 20 maart 2013 heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld:

‘(…) Middels deze email bevestig ik je dat, zoals aangekondigd in de email van 15 maart 2013, jouw salaris is stopgezet met ingang van 15 maart 2013 vanwege het niet starten met jouw re-integratie in de functie van medewerker winkelmagazijn. De salarisstopzetting zal voortduren tot het moment je start met jouw re-integratie. [Gedaagde] handelt hiermee conform de uitkomsten van het deskundigenoordeel van de arbeidsdeskundige van het UWV alsook de terugkoppeling van het consult van de bedrijfsarts van 19 maart 2013.

(…) Het einddoel van jouw re-integratie blijft voor [gedaagde] het opbouwen naar de functie van Store Manager [plaats]. (…)’

In nader telefonisch overleg tussen de gemachtigden van partijen is duidelijk gemaakt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelde dat [eiser] de magazijnwerkzaamheden diende te verrichten in de stadswinkel te [plaats]. [Eiser] heeft zich daarop bereid verklaard om werkzaamheden te verrichten te [plaats].

n. De reistijd (enkele reis) van de woonplaats van [eiser] naar de stadswinkel te [plaats] bedraagt met openbaar vervoer circa twee uren, en naar het magazijn te [plaats] tien minuten met de fiets.

o. Aan de door [eiser] gebruikte medicatie is een waarschuwing verbonden dat het de rijvaardigheid beïnvloed.

p. De arbeidsovereenkomst van [gedaagde] met de hiervoor in sub c. en d. bedoelde vrouwelijke collega is eind 2012 op minnelijke wijze geëindigd.

De standpunten van partijen

Op wat [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en [gedaagde] in reactie daarop heeft aangevoerd, zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

De beoordeling

1. Het is voldoende aannemelijk dat aan de vordering van [eiser] een spoedeisend belang moet worden toegekend. [Eiser] kan daardoor in zijn vordering worden ontvangen.

2. Kern van het geschil is het antwoord op de vraag of [gedaagde] voldoende grond had voor de overplaatsing van [eiser] als Store Manager 2 van het warenhuis te [plaats] naar de stadswinkel te [plaats] in de functie van Store Manager.

3. Daarbij moet, wat betreft de tussen partijen in geschil zijnde feiten, voorop worden gesteld dat, gelet op de aard van deze procedure, voor een verhoor van getuigen, al dan niet op basis van artikel 186 e.v. Rv, en/of voor een onderzoek door een door de kantonrechter benoemde deskundige in deze procedure geen plaats is. De kantonrechter kan het geschil slechts beoordelen aan de hand van de feiten die naar zijn oordeel op basis van de voorliggende stukken en wat daarover ter zitting is aangevoerd, in voldoende mate aannemelijk zijn geworden.

4. Anders dan [eiser] aanvoert, moet, gelet op wat in de brief van 2 maart 2006 is weergegeven, welke brief door hem voor akkoord is ondertekend, vooralsnog worden aangenomen dat tussen partijen een wijzigingsbeding geldt als bedoeld in artikel 7:613 BW.

4.1 Vooralsnog dient er echter vanuit te worden gegaan dat dat beding uitgaat van de eigen werkzaamheden die elders verricht moet worden. Het staat vast dat [eiser] in het warenhuis in [plaats] verantwoordelijk was voor een groot filiaal met 20 teamleden en een compleet assortiment, terwijl het in [plaats] gaat om een stadswinkel met een beperkt assortiment met slechts 4 à 5 teamleden en een aanmerkelijk minder grote omzet. In [plaats] draagt een Store Manager daardoor minder verantwoordelijkheid en ligt het beloningsniveau lager dan voor een Store Manager 2. Er kan dan ook niet worden gezegd dat de werkzaamheden in [plaats] hetzelfde zijn als in [plaats] en de voorlopige conclusie is dan ook dat in feite sprake is van een degradatie.

4.2 Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [gedaagde] bij het ontbreken van een toepasselijk beding de bestaande arbeidsovereenkomst tussen partijen eenzijdig mag wijzigen.

4.2.1 Maatstaven ter toetsing zijn door de Hoge Raad onder meer ontwikkeld in het arrest Stoof/Mammoet (LJN BD1847). Kort gezegd kan van eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden slechts sprake zijn onder de navolgende omstandigheden. Bij de vraag of van de werknemer aanvaarding van een wijziging van de overeenkomst op grond van het goed werknemerschap kan worden gevergd, dient in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Als daarvan sprake is, dient vervolgens te worden onderzocht of aanvaarding van het voorstel van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. Als ook dat het geval is komt de werknemer het niet toe het voorstel tot wijziging te weigeren.

4.2.2 Het is in de eerste plaats aan de werkgever om zich ervan te vergewissen of die omstandigheden aanleiding geven tot de conclusie dat sprake is van een zodanige wijziging in de omstandigheden, dat redelijkerwijs een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoor-waarden kan worden gedaan. Die beoordeling kan pas worden gemaakt wanneer de werkgever op de hoogte is van alle omstandigheden. De werkgever kan zich niet uitsluitend beperken tot een afweging van zijn eigen belangen, maar dient tevens de belangen van de werknemer daarin te betrekken, zodat hij zich in ieder geval zal moeten laten informeren over welke belangen de werknemer heeft en hoe ingrijpend het beoogde wijzigingsvoorstel voor de werknemer zal zijn. Uit oogpunt van goed werkgeverschap dient een en ander op zorgvuldige wijze te geschieden, hetgeen onder meer impliceert dat daarover gesproken zal moeten worden met de werknemer, zo nodig herhaald.

5. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] jegens [eiser] onvoldoende zorgvuldigheid in vorenbedoelde zin betracht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.1 Aan de beslissing van [gedaagde] om de functie van [eiser] te wijzigen, zo blijkt uit haar stellingen, ligt ten grondslag het verlies van het vertrouwen in [eiser] als Store Manager 2 doordat hij zijn teamleden verschillend zou benaderen en behandelen, met als gevolg een onhoudbare en onwerkbare situatie binnen het warenhuis te [plaats].

5.2 De overige op 13 augustus 2012 aan [eiser] voorgelegde punten als weergegeven in sub c. van de vaststaande feiten zijn, zo blijkt uit de stellingen van partijen van ondergeschikt belang, zodat daarop in dit kader niet verder zal worden ingegaan.

5.3 [Eiser] is op 13 augustus 2012 aangesproken op het vermoeden van het bestaan van een verhouding met een ondergeschikte collega. [Eiser] heeft dit vermoeden weersproken, uitgelegd dat hij met de bewuste collega wel een goede verstandhouding heeft vanwege een gedeelde zorg over gelijksoortige ziekte van hun kinderen en dat er zijns inziens geen sprake was voor bevoordeling. In dat gesprek is afgesproken dat [eiser] de leden van zijn team zou informeren en ook tegenover hen dat vermoeden zou ontzenuwen. In het van dat gesprek opgemaakte verslag blijkt dat [gedaagde] daarover zorg had vanwege de invloed op de sfeer en de samenwerking in het team en dit de kwaliteit van de dienstverlening en de omzet niet ten goede komt. Uit dat verslag blijkt niet dat er meer of andere redenen waren voor die zorg dan bedoeld vermoeden.

5.4 Het staat vast dat [eiser] in het daarover op 22 augustus 2012 ingelaste teamoverleg bedoeld vermoeden heeft weersproken en opheldering heeft gegeven over de aard en achtergrond van zijn contacten met het bewuste teamlid. Gesteld noch gebleken is dat zijn teamleden die uitleg voor onaannemelijk hielden. Het teamoverleg mondde, zo is gesteld en niet weersproken, op aangeven van [eisers] leidinggevende vervolgens uit in uitbarsting van verwijten door aantal teamleden over het gebrek aan aandacht van [eiser], de duur en frequentie van de contacten tussen [eiser] en het bewuste vrouwelijke teamlid, over de sfeer en de kliekjesvorming binnen het team en over de als gebrekkig ervaren samenwerking tussen [eiser] en zijn assistent store manager [naam 3]. [Eiser] heeft daarop gereageerd en onder meer toegezegd dat hij zijn best zal doen om vaker complimenten te geven en eerder aan zijn teamleden zal aangeven dat hij ‘niet lekker in zijn vel zit’ als dat het geval is.

5.5 Het staat voorts vast dat [eiser] onmiddellijk na dit teamoverleg op verlangen van zijn leidinggevende [naam 1] een bespreking is gegaan met zijn assistent, [naam 3] voormeld, vanwege de tijdens het teamoverleg gebleken spanningen tussen beiden. [Gedaagde] stelt daarover dit gesprek tot niets heeft geleid omdat [eiser] geen aandacht had voor wat de situatie met [naam 3] deed. [Gedaagde] heeft niet gesteld dat zij oog heeft gehad voor wat die ontstane situatie voor [eiser] betekende. Dat gesprek is kennelijk afgebroken doordat [naam 3] geëmotioneerd de spreekruimte is uitgelopen.

5.6 [Gedaagde] heeft de volgende dag - 23 augustus 2012 - [eiser] medegedeeld, zo is onomstreden, dat, gelet op zijn reactie tijdens het teamoverleg en de slechte verstandhouding tussen hem en [naam 3], er geen draagvlak meer was binnen het filiaal te [plaats] en dat er om die reden en vanwege de verslechterde omzetresultaten er onvoldoende basis was voor een voortzetting van zijn werkzaamheden in zijn positie als Store Manager 2 van het warenhuis te [plaats].

5.7 Er is niet gesteld en ook niet anderszins gebleken dat op enig moment, of op wat voor manier dan ook, is getracht om het vertrouwen te herstellen. In dit verband is van belang dat [eiser] al lange tijd voor [gedaagde] werkte, terwijl hij kan bogen op goede staat van dienst, waarbij nog in juni 2012 zijn functioneren als ‘goed’ is beoordeeld, daaronder begrepen het onderdeel ‘leidinggeven en communicatie’, en daarbij ook zijn samenwerking met [naam 3] nog is geprezen. In wat [gedaagde] heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd over de ontwikkeling van de omzet binnen het [plaats] warenhuis vermag de kantonrechter geen aanknopingspunt te zien voor een verminderd functioneren van [eiser].

5.8 De kantonrechter acht het onbegrijpelijk dat [gedaagde] meent dat door wat op en omstreeks 23 augustus 2012 bleek, het geen enkel nut had om duidelijke afspraken, liefst op schrift, te maken over welk (leidinggevend) gedrag zij nu van [eiser] verlangde en hem ter zake kans op verbetering te geven. Nu hij jarenlang goed had gefunctioneerd en er pas in augustus 2012 kennelijk - naar het oordeel van de kantonrechter voldoende en serieus te nemen - aanleiding was om kritische kanttekeningen te maken over de wijze waarop [eiser] met de verschillende leden van zijn team omging, althans over hoe een en ander werd ervaren, lag het eens te meer in de rede om met hem daarover (door) te spreken, dan - in overleg met hem - middelen te zoeken die tot verbetering hadden kunnen leiden en over een en ander duidelijke afspraken te maken, bij voorkeur op schrift, en aan [eiser] voor te houden wat de gevolgen zouden zijn van het niet nakomen van die afspraken. [Gedaagde] heeft dat nagelaten.

5.9 De kantonrechter is voorshands van oordeel dat van [gedaagde] verlangd had mogen worden dat zij eerst de mogelijkheden had onderzocht om de verhoudingen binnen het team te normaliseren, waarbij de kantonrechter zwaar laat wegen dat [gedaagde] ook andere, minder ingrijpende maatregelen had kunnen treffen in de vorm van een waarschuwing of een nader functionerings- of beoordelingsgesprek en een daaraan te verbinden verbetertraject. De enkele stelling dat het vertrouwen zozeer is geschaad dat dat niet mogelijk is, uitsluitend omdat [gedaagde] dat meent, acht de kantonrechter onvoldoende, te meer nu juist dergelijke minder ingrijpende maatregelen ook tot het beoogde gevolg konden leiden. Uit het feit dat [eiser] die overplaatsing heeft geweigerd, mag, anders dan [gedaagde] kennelijk doet, niet worden afgeleid dat hij niet bereid is zijn gedrag aan te passen.

5.10 Het voorgaande leidt tot de voorlopige conclusie dat geen sprake is van wijziging van omstandigheden die [gedaagde] op 23 augustus 2012 in redelijkheid hebben kunnen nopen tot het overplaatsen van [eiser] naar de stadswinkel in [plaats] in de lagere functie van Store Manager.

6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het dan ook naar grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat een eventuele vordering van [eiser] ter zake in een bodemprocedure toegewezen zal worden. Een en ander betekent dat de vordering van [eiser] tot wedertewerkstelling in de functie van Store Manager 2 in het warenhuis te [plaats] bij wege van voorlopige voorziening toewijsbaar is nu hij ter zitting heeft gesteld dat hij voldoende is hersteld om die werkzaamheden te hervatten.

6.1 Aan die toewijzing zal, anders dan [eiser] vordert, vooralsnog geen dwangsom worden verbonden omdat partijen naar het oordeel van de kantonrechter eerst de onderlinge verhoudingen moeten herstellen, in het bijzonder die tussen [eiser] en [naam 3] en tussen [eiser] en [naam 1], door bijvoorbeeld mediation en het maken van duidelijke afspraken en het creëren van duidelijke en reële verwachtingen over en weer.

6.2 Anders dan [eiser] meent, vloeit uit zijn terugkeer niet het vertrek van [naam 3] en/of [naam 1] voort; dat is ook niet aan hem te bepalen. Indien hij daar desondanks bij blijft, heeft [eiser] te accepteren dat zijn terugkeer niet mogelijk is.

7. Wat betreft de gevorderde doorbetaling van loon met bijkomende vergoeding geldt het volgende.

7.1 De voorshandse conclusie dat [gedaagde] [eiser] niet per 27 augustus 2012 mocht overplaatsen naar de stadswinkel te [plaats] leidt er voorts toe dat zij hem niet kon verplichten om in dat filiaal te re-integreren, zonder te onderzoeken of die re-integratie ook niet kan plaatsvinden in [plaats].

7.2 Aan de re-integratie in de stadswinkel in [plaats] stond naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ook in de weg het gegeven dat er in dat filiaal niet werkelijk van magazijnwerkzaamheden sprake is, zo is ter zitting gebleken, terwijl niet valt in te zien dat, gelet op de op dat moment bij hem aan de orde zijnde beperkingen van onder meer energetische aard en rijvaardigheid, van [eiser] een dagelijkse reistijd en - belasting van circa vier uren met openbaar vervoer kon worden gevergd.

7.3. Gelet op een en ander had [eiser] daardoor een deugdelijke grond om de in het stadswinkel te [plaats] aangewezen re-integratiewerkzaamheden niet te verrichten. [gedaagde] mocht bijgevolg de betaling van het loon van [eiser] dan ook niet per 15 maart 2013 stopzetten. De vordering tot doorbetaling van maandloon vanaf 15 maart 2013 zal dan ook worden toegewezen.

7.4 Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] over het onbetaald gelaten loon thans als opeisbaar vakantietoeslag is verschuldigd, zodat zulks zal worden afgewezen.

7.5 Gelet op de specifieke omstandigheden van het geval is het voorshands niet waarschijnlijk te achten dat een (maximale) wettelijke verhoging in een eventuele bodemprocedure integraal toegewezen zal worden, zodat er geen aanleiding bestaat om op dit punt een voorziening te treffen.

8. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente is voorshands toewijsbaar als nader te melden. Hetzelfde geldt voor de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ad € 357,00.

9. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] verwezen te worden in de kosten van de procedure als hierna te melden. Anders dan [eiser] bepleit, is er thans onvoldoende reden om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief.

10. Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat wat wordt toegewezen tot voorschot strekt op wat [gedaagde] in een eventuele hoofdzaak verschuldigd zal blijken.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- gelast [gedaagde] binnen drie dagen na betekening van dit vonnis [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden als Store Manager 2 in haar warenhuis te [plaats];

- veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.322,43 bruto per maand vanaf 15 maart 2013, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de opeisbaarheid van iedere salaristermijn;

- veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 357,00 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

• € 400,00 voor salaris gemachtigde (2,0 punten × tarief € 200,00)

• € 82,92 voor explootkosten

• € 213,00 voor griffierecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 24 april 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.