Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:CA0010

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
C/08/123531 / HA ZA 11-654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering persoonsgebonden budget. Formele rechtskracht. Minderjarige en wettelijk vertegenwoordiger.

Wanneer anderen dan degene, tegen wie een beschikking is gericht, het rechtens vereiste belang hebben om gebruik te kunnen maken van een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang, brengt de wenselijkheid van een doelmatige taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter mee dat ook ten aanzien van hen in beginsel dient te worden uitgegaan van de formele rechtskracht van de beschikking indien zij die rechtsgang niet (tijdig) hebben benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/123531 / HA ZA 11-654

datum vonnis: 10 april 2013

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de Stichting

Stichting Zorgkantoor Menzis,

gevestigd te Wageningen,

eiseres,

verder te noemen Menzis,

advocaat: mr. D.R. van Oppenraaij- Beijdorff te Enschede,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [plaats],

gedaagden,

verder ook te noemen “[gedaagden]”,

advocaat: mr. A.A.M. Oude Ophuis te Enschede.

Het verdere procesverloop

1.1. Bij vonnis van de rechtbank Almelo d.d. 25 april 2012 is een comparitie van partijen

gelast.

1.2. Voorafgaande aan de comparitie heeft Menzis nadere producties in het geding gebracht.

1.3. De comparitie heeft op 25 september 2012 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal

opgemaakt dat bij de stukken is gevoegd en daarvan deel uitmaakt.

1.4. Het vonnis is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 25 april 2012 over de feiten, de vordering en de onderbouwing daarvan is overwogen en beslist.

2.2. In deze zaak staat als erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, het navolgende vast.

2.3. Menzis is aangewezen als zorgkantoor in de het kader van de Algemene Wet Bijzondere ziektekosten (verder: AWBZ).

2.4. Ten behoeve van de verzorging van de destijds minderjarige [gedaagde sub 1] is bij Menzis een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget (verder: PGB). Bij beschikking van 17 juni 2009 is met terugwerkende kracht een PGB toegekend over de periode 1 januari 2009 t/m 31 december 2009. Het PGB is toegekend onder oplegging van de verplichting dat binnen 6 weken na het einde van een verantwoordings-periode aan Menzis verantwoording over de bestedingen van het PGB moet worden afgelegd.

2.5. Het PGB is in de vorm van voorschotten verstrekt. Aan PGB is een bedrag van

€ 32.681,65 uitgekeerd.

2.6. Bij brief van 7 december 2009 is aan [gedaagde sub 1] de eindafrekening PGB over 2009 verstrekt. In de eindafrekening is bepaald dat [gedaagde sub 1] een bedrag van € 32.681,65 terug moet betalen. Van de bestede gelden van het PGB is geen verantwoording afgelegd.

2.7. Tegen de beslissing van Menzis is [gedaagde sub 1] in bezwaar gekomen. Menzis heeft het bezwaar bij beschikking van 30 augustus 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

2.8. [Gedaagde sub 1] heeft ondanks herhaalde sommaties niet terugbetaald.

2.9. Menzis vordert de uitgekeerde bedragen PGB als onverschuldigd betaald terug, vermeerderd met rente en kosten.

De verdere beoordeling en de motivering

3.1. De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer dat Menzis in haar vordering jegens [gedaagde sub 2], de moeder van [gedaagde sub 1], niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij geen partij is geweest bij de overeenkomst tussen Menzis en [gedaagde sub 1].

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] ten tijde van de aanvraag van het PGB nog minderjarig was. Op grond van artikel 1:245 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) is de ouder, in dit geval [gedaagde sub 2], belast met het ouderlijk gezag, tenzij het ouderlijk gezag haar is ontnomen. Weliswaar is gesteld dat de heer [G] als (toeziend) voogd wettelijke vertegenwoordiger van [gedaagde sub 1] was, doch dat betekent op zichzelf nog niet dat de moeder van [gedaagde sub 1] het ouderlijk gezag niet meer uitoefende. Van enige ontheffing daaruit is de rechtbank niet gebleken. Uit hetgeen ter comparitie door [gedaagde sub 2] naar voren is gebracht blijkt bovendien dat zij zich actief bezig hield met het aan haar dochter verstrekte PGB. Zij heeft immers over het PGB beschikt en betalingen aan derden verricht. [Gedaagde sub 2] heeft derhalve (mede) te gelden als wettelijke vertegenwoordiger van [gedaagde sub 1] ten tijde van de verantwoordingsplicht over de besteding van de PGB gelden. Dat het aanvraagformulier PGB door [G] is ondertekend, maakt dat niet anders nu ondertekening door [G] kennelijk slechts werd ingegeven om de verhaalsmogelijkheden van schuldeisers van [gedaagde sub 2] te beperken. Ter comparitie heeft zij immers verklaard dat de PGB gelden destijds op haar verzoek zijn gestort op de bankrekening van [G], omdat zij bevreesd was dat schuldeisers beslag op het bedrag zouden leggen, indien het geld op haar rekening zou worden gestort. Zij verklaarde voorts dat zij over een bankpas beschikte om geld van de rekening van [G] op te nemen en ook daadwerkelijk betalingen heeft verricht. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde sub 2] als wettelijke vertegenwoordiger van [gedaagde sub 1] is opgetreden. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer dat Menzis in de vordering jegens [gedaagde sub 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.2. De rechtbank komt thans toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Menzis is een met openbaar gezag beklede instantie en bij het nemen van beslissingen om verzoeken om toekenning van een PGB een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb). In dat verband overweegt de rechtbank dat de toekenningsbeschikking van 17 juni 2009 als verleningsbeschikking in de zin van de Regeling Subsidies AWBZ (verder: de Regeling) moet worden beschouwd.

Artikel 2.6.12 lid 2 onder b jo. artikel 2.6.9 lid 1 sub e van de Regeling bepaalt dat de toekenningsbeschikking kan worden ingetrokken als geen rekening en verantwoording wordt afgelegd van het toegekende PGB. Het intrekken of wijzigen van de toekenningsbeschikking is eveneens een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb. Nu de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ van 7 december 2009 de toekenningsbeschikking in zoverre intrekt door terugbetaling te vorderen van de toegekende PGB, is de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ naar het oordeel van de rechtbank eveneens een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb.

3.3. Tegen een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb staat de bestuursrechtelijke rechtsgang open. Dit blijkt ook uit de begeleidende tekst bij de eindafrekening. Hierin staat immers: “Bent u het niet eens met dit besluit? U kunt binnen zes weken bezwaar maken tegen deze beschikking”. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] tegen voornoemd besluit in bezwaar is gekomen. Het bezwaar is bij beschikking van 30 augustus 2010 evenwel niet-ontvankelijk verklaard. Niet gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] van deze beschikking in beroep is gekomen. Bij die stand van zaken moet worden aangenomen dat de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ van 7 december 2009 formele rechtskracht heeft gekregen en dat de beschikking onherroepelijk is geworden. Wanneer tegen een beschikking een met voldoende rechtswaarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, dient de burgerlijke rechter ingeval de geldigheid van die beschikking in het voor hem gevoerde geding in geschil is, er van uit te gaan dat die beschikking zowel wat de wijze van totstandkoming betreft als de inhoud in overeenstemming is met de betreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dat er voor [gedaagde sub 1], zoals zij bij antwoord betoogt, voor haar geen met waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan nu zij in het geheel niet in de gelegenheid is gesteld om bezwaar tegen de beschikking te maken, moet worden verworpen. Immers, uit de door Menzis overgelegde en niet betwiste producties blijkt ontegenzeglijk dat [gedaagde sub 1] in bezwaar is gekomen en dat haar moeder [gedaagde sub 2] als haar gemachtigde op 8 juni 2010 (telefonisch) is gehoord.

Er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank onder die omstandigheden geen reden om van het beginsel van de formele rechtskracht van de beschikking af te wijken.

3.4. De slotsom moet derhalve zijn dat de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ waarbij de ontvangen PGB-gelden worden teruggevorderd, jegens [gedaagde sub 1] formele rechtskracht heeft gekregen.

3.5. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de formele rechtskracht ook ten opzichte van [gedaagde sub 2] geldt, ondanks dat de budgetafrekening zich in beginsel richt tot haar dochter. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in de jurisprudentie waarin is bepaald dat wanneer anderen dan degene, tegen wie een beschikking is gericht, het rechtens vereiste belang hebben om gebruik te kunnen maken van een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang, de wenselijkheid van een doelmatige taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter meebrengt dat ook ten aanzien van hen in beginsel dient te worden uitgegaan van de formele rechtskracht van de beschikking indien zij die rechtsgang niet (tijdig) hebben benut. [Gedaagde sub 2] had een rechtens vereist belang om gebruik te maken van de bestuursrechtelijke rechtsgang, nu zij geacht wordt partij te zijn geweest bij de overeenkomst en [gedaagde sub 2] kon beschikken over de PGB-gelden en aan derden betalingen heeft verricht. De beschikking van 7 december 2009 heeft derhalve ook formele rechtskracht jegens de moeder van [gedaagde sub 1] verkregen.

3.6. Met de vaststelling dat de beschikking van 7 december 2009 formele rechtskracht heeft verkregen, komt vervolgens de vraag aan de orde of onverschuldigd is betaald door Menzis. In dit verband heeft [gedaagde sub 1] betoogd dat nimmer aan haar en/of haar moeder is betaald, zodat de grondslag voor de vordering ontbreekt. De rechtbank overweegt het volgende. Vaststaat dat Menzis de PGB gelden heeft overgemaakt op voormeld rekeningnummer van [G] en ten name van [B], zulks op basis van door of namens [gedaagde sub 1] verstrekte gegevens. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat er van dient te worden uitgegaan dat aan [gedaagde sub 1] is betaald, te meer nu haar moeder over een pas beschikte om PGB gelden van die rekening op te nemen en ook opgenomen heeft. Het verweer moet derhalve worden verworpen.

3.7. Op grond van het voorgaande is de slotsom dat nu vaststaat dat [gedaagden] geen rekening en verantwoording hebben afgelegd van de PGB gelden, Menzis een bedrag in hoofdsom van € 32.681,65 onverschuldigd heeft betaald en [gedaagde sub 1] als budgethouder en [gedaagde sub 2] als (destijds) wettelijk vertegenwoordiger gehouden zijn tot terugbetaling over te gaan. De rechtbank zal hen daartoe hoofdelijk veroordelen, als is gevorderd.

3.8. Menzis heeft de wettelijke rente gevorderd over de hoofdsom. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [gedaagde sub 1] bij brief van 18 januari 2011 is gesommeerd tot terugbetaling over te gaan. Nu vaststaat dat [gedaagde sub 1] niet tijdig aan haar terugbetalingsverplichting heeft voldaan, is zij in verzuim komen te verkeren en is Menzis gerechtigd wettelijke rente te vorderen.

Met betrekking tot de vordering op [gedaagde sub 2] heeft Menzis geen sommaties overgelegd, zodat zij jegens Menzis niet in verzuim is komen te verkeren en derhalve niet gehouden is tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

3.9. Menzis heeft voorts wegens buitengerechtelijke kosten ad € 1.190,- gevorderd. [Gedaagden] hebben zich daartegen verzet, stellende dat het verzenden van één enkele brief geen incassoprovisie rechtvaardigt. Uit de nader door Menzis overgelegde stukken blijkt evenwel dat Menzis na de sommatie van 18 januari 2011 nog drie nadere sommaties aan [gedaagde sub 1] heeft gezonden. De rechtbank is van oordeel dat zulks voldoende de vordering van € 1.190,- wegens buitengerechtelijke kosten rechtvaardigt. Aangezien aan [gedaagde sub 2] geen sommaties zijn verstuurd, zal de vordering jegens haar worden afgewezen.

3.10. Nu [gedaagden] in het ongelijk worden gesteld, zullen zij worden belast met de kosten van de procedure. Deze worden aan de zijde van Menzis begroot op € 108,24 aan exploitkosten, € 1.744,- aan griffiekosten en op € 1.158,- (twee punten à € 579,-) aan salaris advocaat.

4. De beslissing

De rechtbank:

I. Veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Menzis te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 32.681,65, ten aanzien van [gedaagde sub 1] te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

II. Veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan Menzis tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 1.190,- wegens buitengerechtelijke kosten aan de zijde van Menzis.

III. Veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Menzis begroot op € 1.852,24 aan verschotten en € 1.158,-- aan salaris van de advocaat.

IV. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. P.L. Alers en op 10 april 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.