Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:BZ9341

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
07/840032-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Overijssel verlengt de termijn van TBS met twee jaar voor de man die is veroordeeld voor de verkrachting en de dood van Maartje Pieck in september 2000 in Kampen. De man is in 2001 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar en tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Sector Strafrecht - Strafraadkamer

Parketnr. : 07/840032-00

Uitspraak : 3 mei 2013

Beslissing op de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de termijn, gedurende welke:

[terbeschikkinggestelde],

geboren op [1962] te [plaats],

verblijvende bij de Pompestichting in Nijmegen,

hierna te noemen: betrokkene,

ter beschikking is gesteld teneinde van overheidswege te worden verpleegd.

Betrokkene is bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 27 december 2001 ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, van welke terbeschikkingstelling de termijn is ingegaan op 8 maart 2007. Deze terbeschikkingstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 maart 2011 en eindigt behoudens nadere voorziening op 8 maart 2013.

Op 4 februari 2013 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot verlenging van bovenvermelde termijn met twee jaar. Bij die vordering zijn de door de wet voorgeschreven stukken overgelegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op grond van artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering (Sv) uitgebrachte adviesrapport van de kliniek alsmede van de rapportages van de psycholoog en psychiater. Het adviesrapport van de kliniek is op 7 januari 2013 opgemaakt en ondertekend door dr. E.P.M.T. Bouns, plaatsvervangend hoofd van de inrichting en psychiater, verbonden aan de Pompestichting in Nijmegen. Op 12 april 2013 is het psychiatrisch rapport opgemaakt en ondertekend door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater en op 4 maart 2013 is het psychologisch rapport opgemaakt en ondertekend door drs. I. Schilperoord, psycholoog. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het in artikel 509o Sv bedoelde afschrift van de wettelijke aantekeningen, de overige stukken en van het de betrokkene betreffende persoonsdossier.

De vordering is behandeld ter terechtzitting op 22 april 2013. Bij deze behandeling zijn gehoord:

- de officier van justitie, mr. J.P. Scheffer;

- betrokkene;

- de raadsman van betrokkene, mr. W. Anker, advocaat te Leeuwarden;

- de deskundige, drs. F.J.H. Verhees, als behandelcoördinator verbonden aan de Pompestichting.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van terbeschikking-stelling met twee jaar.

De raadsman stelt heeft ter terechtzitting geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie en heeft een verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar bepleit. Op die manier kan de rechtbank een vinger aan de pols houden ten aanzien van het resocialisatietraject van betrokkene gelet op de verlofaanvraag die wordt ingediend en een eventuele afwijzing daarvan. Betrokkene heeft vorderingen gemaakt en een verlenging met een termijn van twee jaar werkt demotiverend, terwijl een verlenging met één jaar stimulerend werkt.

OVERWEGINGEN

Uit het verlengingsadvies van de kliniek komt – kort en zakelijk weergeven – naar voren dat betrokkene een thans 50-jarige bovengemiddeld intelligente man is met ernstige persoonlijkheidspathologie, waarbij gesproken kan worden van een narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornis. De persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door primitieve afweervormen, zoals de sterke neiging tot idealiseren, devalueren, en splijting, leidend tot een instabiel relatiepatroon. Voor een deel speelt hier een narcistische problematiek, waarbij betrokkene uit is op controle en beheersing van de ander om een kwetsing in zijn zelfwaardering voor te zijn. Naast en in wezen onder deze narcistische problematiek liggend is er een zeer sterk symbiotisch verlangen naar totale overgave aan een ander, waaruit een ernstige hechtingsproblematiek spreekt. De subjectief ervaren frustratie van betrokkenes narcistische en symbiotische behoeftes vanaf de kindertijd heeft bij betrokkene tot een latent gevoel van intense boosheid en minderwaardigheid geleid dat betrokkene door middel van loochening in het verleden buiten zichzelf heeft gehouden. In de relatie tot vrouwen overheerst de zoektocht van betrokkene naar controle, acceptatie en koestering, maar tevens ook de angst hiervoor. Hij stelt zijn partners dan ook voortdurend op de proef wat hun onvoorwaardelijke liefde betreft door ontrouw en onbetrouwbaar te zijn. Bij betrokkene is sprake van alcoholafhankelijkheid, die binnen het TBS kader langdurig in volledige remissie is. Uit de recente delictanalyse is naar voren gekomen dat de seksuele lustbeleving niet bepalend was bij het handelen van betrokkene tijdens het delict. Verondersteld wordt dat betrokkene middels promiscue gedrag spanningen kwijtraakt en een gevoel van controle en macht over vrouwen kan ervaren, waarmee hij zijn narcistische behoeftes bevredigt. Spanningen worden geseksualiseerd. Betrokkene heeft weinig zicht op het eigen gevoelsleven en de seksualiteitsbeleving zal nog verder uitgediept moeten worden.

Betrokkene heeft een aantal kenmerken die horen bij psychopathie, deze zijn echter niet dusdanig aanwezig dat er gesproken kan worden van psychopathie.

Betrokkene verblijft in het kader van een tweede behandelpoging sinds juli 2010 in de Pompekliniek en betrokkene is in december 2011 overgeplaatst naar de huidige behandelafdeling. Betrokkene heeft in de afgelopen periode coöperatief meegewerkt aan de onderzoeksfase en het zicht op de delictfactoren vergroot. Bewerking van de kernproblematiek heeft nog maar beperkt plaatsgevonden. Juist in de communicatie over behandeling wordt het spanningsveld in de interactie met betrokkene zichtbaar en zien we een soortgelijke interactie als in de vorige kliniek. In oktober heeft het ministerie de verlofaanvraag afgewezen mede op basis van de houding van betrokkene, die in hun ogen aan het roer staat van zijn eigen behandeling en zich weinig coöperatief opstelde als het over zijn behandeling ging. Sinds het indienen van de aanvraag is de situatie in positieve zin verbeterd, daar betrokkene zich sinds juli 2012 committeert aan de psychotherapiegesprekken en hierin open spreekt over delictfactoren. Met een hernieuwde aanvraag begeleid verlof zal voorts getracht worden voor betrokkene toestemming te krijgen om te oefenen met meer vrijheden.

Wanneer de TBS maatregel nu beëindigd zou worden, is er sprake van een risico op recidive, dat weliswaar sluimerend ontstaat maar uiteindelijk als hoog wordt ingeschat. De met het delict samenhangende psychopathologie is vooralsnog nog maar zeer beperkt behandeld, derhalve wordt verondersteld dat de risicofactoren van toen nog grotendeels onverminderd aanwezig zijn. Thans vormt de controle, structuur en begeleiding vanuit het TBS kader de belangrijkste beschermende factor en verwacht de kliniek bij een wegvallen hiervan dat betrokkene, wanneer hij nu zou terugkeren in de maatschappij, geconfronteerd zal worden met vele stressbronnen, teleurstellingen en krenkingen. Betrokkene beschikt niet over actieve probleemoplossende vaardigheden om met voor hem beladen emoties als wantrouwen, zich tekortgedaan voelen en onmacht om te gaan. Hij zal vervallen in een vermijdende copingstijl en somberheid. Dit bemoeilijkt het herkennen en uiten van positieve emoties, belemmert het oplossen van problemen en leidt tot irritaties, geagiteerdheid, gevoelens van boosheid en minderwaardigheid. Door zijn neiging het zelfbeeld te compenseren kunnen problemen verder oplopen, onopgemerkt voor de buitenwereld en wordt de kans groter op terugval in alcoholgebruik en seksueel ongeremd gedrag als disfunctionele coping, tevens luxerende factor voor agressief gedrag. Op deze wijze ontstaat er een sluimerend risico op impulsieve acting out van agressie, waarbij de kans groot wordt geacht dat, in geval van recidive, het delict ernstig en seksueel gewelddadig zal zijn.

Zijn recente inzet in de psychotherapie en zijn uiteindelijke bereidheid om aan de dadergroep deel te nemen zijn noodzakelijke stappen om te komen tot behandelvoortgang, maar dit proces is pas net gestart. Gelet op de ernst van de psychopathologie van betrokkene, alsook de ernst van het delict is het de verwachting dat dit proces geruime tijd zal duren. In ieder geval is de inschatting dat de totale behandelduur de duur van twee jaar te boven gaat.

Op basis van het bovenstaande adviseert de kliniek de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van twee jaar.

De psychiater rapporteert – kort en zakelijk weergeven – dat betrokkene lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een antisociale en een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Tevens is sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van alcoholafhankelijkheid in gedwongen remissie onder gestructureerde omstandigheden. Voorts rapporteert hij dat de risicoprognose van de kliniek adequaat is. Er wordt een aantal knelpunten gesignaleerd in de behandeling. Betrokkene heeft een lange historie van liegen en bedriegen. Het is lastig te beoordelen in hoeverre hij dit nog steeds doet, ook al maakt hij nu niet die indruk. Het zicht op de delictdynamiek is wel verbeterd in de loop van de jaren, maar is nog onvoldoende. Betrokkene heeft een aanzienlijke mate van controle over zijn behandelproces. Het risico hiervan is dat in het psychotherapeutisch proces zijn controle en wantrouwen onvoldoende in beeld komen. Er is onvoldoende zicht op zijn binnenwereld. Tegelijkertijd gaat betrokkene interacties met teamleden zodanig uit de weg dat zijn controle en wantrouwen onvoldoende bewerkt kunnen worden. Er bestaat onvoldoende zicht op een historie van seksueel grensoverschrijdend gedrag waarvoor betrokkene in het verleden niet is veroordeeld. Het is van belang om hierover meer duidelijkheid te krijgen. Aan de kliniek wordt geadviseerd het psychotherapeutisch proces te intensiveren middels groepstherapie en de individuele psychotherapie een meer procesmatig karakter te geven. Geadviseerd wordt om de maatregel terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van twee jaar.

De psycholoog rapporteert – kort en zakelijk weergeven – dat betrokkene uit het onderzoek naar voren is gekomen als lijdende aan een gemengde persoonlijkheidsstoornis waarbij de narcistische kenmerken het meeste aan de oppervlakte liggen en zogenaamde borderline trekken een deel van de onderliggende dynamiek beschrijven. Er is sprake van alcoholafhankelijkheid in remissie. De diagnostische conclusies van de kliniek komen overeen met het beeld van betrokkene dat tijdens het psychologisch onderzoek is ontstaan. Er worden wel wat antisociale trekken bij betrokkene gezien, maar vooral in het verleden en de narcistische en borderline kenmerken staan nu meer op de voorgrond. Dit is echter een nuance verschil. De risicoprognose komt in grote lijnen overeen met de risicoprognose zoals die in het psychologisch onderzoek naar voren komt. Met name op de langere termijn zouden zijn krenkbaarheid, basale problematiek rondom het zelfgevoel en hiaten in de voeling met de eigen boosheid en oplopende spanning, hem kunnen doen destabiliseren. Dit risico is nog onaanvaardbaar hoog. In overeenstemming met de kliniek wordt het van groot belang geacht langdurig en nauwgezet te monitoren hoe betrokkene zal omgaan met frustraties, abstinentie van alcohol, intimiteit, krenkingen en seksualiteit. Juist behandeling in groepsverband zal voor hem van belang zijn, aangezien het van belang is dat hij leert de controle deels uit handen te geven en zich te begeven in situaties die voor hem minder overzichtelijk en manipuleerbaar zijn. De verwachting is dat de genoemde geadviseerde continuering en intensivering van de behandeling nog geruime tijd in beslag zal nemen. Geadviseerd wordt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar.

Ter terechtzitting heeft de deskundige F.J.H. Verhees – kort en zakelijk weergeven – nog aan het advies van de kliniek toegevoegd dat de delictdynamiek inmiddels is aangescherpt. Het verdient de voorkeur dat betrokken zal meewerken aan groepstherapie. Betrokkene heeft het afgelopen jaar vooruitgang geboekt. Hij heeft meer inzicht in zijn emoties. Als het verlof wordt toegekend, zal psychotherapie een belangrijke plaats innemen. Het contact op de afdeling met betrokkene is verbeterd. Er wordt nu gewerkt aan een plan tot vroegsignalering. Het opstarten van psychotherapie is een belangrijke indicatie, daarbij gaat het ook om het loslaten van controle. Als het verlofkader wordt toegekend, zal betrokkene daarmee instemmen.

De terbeschikkinggestelde heeft ter zitting – kort en zakelijk weergeven – naar voren gebracht dat het de goede kant op gaat. De delictdynamiek is aangescherpt en het doorleven van het delict is goed verlopen. Het contact met de behandelaars is goed. Wat betreft de behandeling verschilt hij hier en daar van mening met de kliniek. Hij vindt dat hij binnen de kliniek al een hele tijd aan zijn plafond zit. Hij wil zich graag meer gaan focussen op zijn kwaliteiten, in plaats van het telkens terugkijken naar het verleden.

Gelet op de inhoud van de rapportages en het besprokene ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De terbeschikkinggestelde zal, zoals blijkt uit de advisering, nog geruime tijd zorg en structuur nodig hebben. Het is van belang dat het resocialisatietraject stapsgewijs plaatsvindt om de slagingskans ervan te vergroten met het oog op een geleidelijke en verantwoorde terugkeer in de maatschappij. Betrokkene praktiseert nog geen verloven buiten de kliniek, zodat een belangrijk deel van het resocialisatietraject nog dient plaats te vinden. Het uitgangspunt van de rechtbank is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaar. Gelet op de huidige situatie zal daarmee nog de nodige tijd gemoeid zijn en het te volgen traject zal, gezien de inhoud van de beschikbare rapportages, zeker de termijn van een jaar overstijgen. Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat (nog) geen sprake is van een mogelijke patstelling nu de verlofaanvraag nog niet door het ministerie is beoordeeld terwijl voor wat betreft de in te zetten behandelrichting niet alleen de Pompekliniek maar ook de externe deskundigen reeds te kennen hebben gegeven dat naar hun inzicht het werken met (begeleide) verloven vanuit behandelperspectief wenselijk en veilig te achten is. De rechtbank gaat er zonder meer van uit dat een en ander bij de toetsing van de in te dienen verlofaanvraag zal worden meegewogen. De rechtbank ziet bij de huidige stand van zaken dan ook geen reden, gelet op hetgeen door de kliniek en door de deskundigen voor het overige is gerapporteerd omtrent de nog te volgen behandelduur, de terbeschikkingstelling voor een kortere duur dan twee jaar te verlengen.

De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met een termijn van twee jaar dient te worden verlengd.

De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 38d en 38e Sr en de artikelen

509o, 509s en 509t Sv.

BESLISSING:

De rechtbank verlengt de termijn gedurende welke [terbeschikkinggestelde] voornoemd ter beschikking is gesteld, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, met twee jaar.

Aldus gegeven door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. M.A. Wijnands-Veninga en L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Venderbosch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 mei 2013.