Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:BZ9109

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
08/760001-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

1. Afgeleid verschoningsrecht stichting. 2. Afweging verschoningsrecht tegen belang waarheidsvinding. 3. Opmaken van gedragskundige rapportage betreft geen opsporing of opsporingsonderzoek in de zin van art. 132a Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 67
Wetboek van Strafvordering 98
Wetboek van Strafvordering 126nf
Wetboek van Strafvordering 132a
Wetboek van Strafvordering 218
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/86
P&I 2013, afl. 4, p. 188

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760001-13

Beschikking van de meervoudige raadkamer op het klaagschrift op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering, van:

Stichting Dimence Groep,

gevestigd te Deventer, aan de Nico Bolkesteinlaan 1,

tevens zaakdoende te Almelo, aan de Boddenstraat 12.

verder te noemen: klaagster.

1. Het verloop van de procedure

Het klaagschrift, gedateerd 8 april 2013, is op 9 april 2013 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ingediend namens klaagster onder wie het beslag is gelegd, door mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem.

Het klaagschrift is in het openbaar behandeld op de zitting van de raadkamer van de rechtbank op 10 april 2013. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. A.M. Tromp, de raadsman mr. D.J.P. van Barneveld, die namens klaagster is verschenen, en de raadsvrouw mr. M.H. van der Linden, die namens de [verdachte] is verschenen, gehoord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen [verdachte].

2. De standpunten van de raadsman, de raadsvrouw en de officier van justitie

De raadsman maakt namens klaagster bezwaar tegen de inbeslagneming en heeft ter zitting het klaagschrift toegelicht. Zakelijk weergegeven stelt klaagster zich op het standpunt dat alle gevorderde gegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen, en derhalve doet zij een beroep op haar afgeleid verschoningsrecht. Het uitgangspunt in kwesties als de onderhavige is dat het maatschappelijk belang, dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. De wetgever heeft voorzien in de waarborging van het medisch beroepsgeheim, ook daar waar er een opsporingsbelang is. Klaagster is zich er van bewust dat het verschoningsrecht niet absoluut is en dat in zeer uitzonderlijke gevallen de waarheidsvinding prevaleert. Volgens klaagster is er echter geen sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden, althans daarvan is niet c.q. onvoldoende gebleken. Voor de waarheidsvinding zijn de gegevens niet relevant aangezien de strafzaak bewijsrechtelijk duidelijk is. Kennelijk wil het Pieter Baan Centrum (hierna PBC) beschikken over de gegevens ten behoeve van het opmaken van een pro-justitiarapportage. Het opmaken van een dergelijke rapportage betreft geen opsporing of opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Sv. In elk geval is niet gebleken dat de wens van het openbaar ministerie c.q. het PBC om inzage te krijgen in het medisch dossier en het daaraan ten grondslag liggende doel dermate zwaarwegend is dat dit dient te leiden tot het opzijzetten van het verschoningsrecht. Gelet op voorgaande is er geen sprake van zo uitzonderlijke omstandigheden, dat een inbreuk op het beroepsgeheim gerechtvaardigd zou zijn.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ter zitting aangesloten bij het standpunt van de raadsman van klaagster en heeft daaraan nog toegevoegd dat verdachte steeds geweigerd heeft toestemming te geven voor het verstrekken van de hem betreffende medische gegevens, ook al in een eerder stadium van het politieonderzoek toen hem daarnaar door de politie gevraagd is.

Het standpunt van de officier van justitie luidt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Door de officier van justitie is onder meer gesteld, zakelijk weergegeven, dat er sprake is van een dringend onderzoeksbelang nu [verdachte] wordt verdacht van het plegen van een zeer ernstig geweldsdelict. Door de rechter-commissaris is op 28 februari 2013 aan de officier van justitie machtiging verleend tot vordering verstrekking van gevoelige gegevens. Het medisch dossier is weliswaar niet van belang voor de waarheidsvinding, echter ten behoeve van het doorgronden van het motief van zijn daad en in het belang van het onderzoek naar de persoon van verdachte, vereist het onderzoek dat kan worden beschikt over de medische gegevens van verdachte. Voorts wenst het PBC over deze gegevens te beschikken ten behoeve van het opmaken van een pro-justitiarapportage. De medische gegevens zijn niet bestemd voor het procesdossier en zullen niet als bewijsmiddel gebruikt worden. Gelet op het onderzoeksbelang dient het strafvorderlijk belang te prevaleren boven het algemeen belang dat wordt beschermd door het medisch beroepsgeheim en het daaraan gekoppelde afgeleid verschoningsrecht.

3. De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.

4. De ontvankelijkheid

Klaagster is ontvankelijk,nu aan de Stichting Dimence een beroep op het afgeleid verschoningsrecht toekomt en zij uit dien hoofde opkomt voor de bescherming van de onder haar rustende medische gegevens van patiënten.

5. De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van een vordering ex artikel 126nf Sv.

Op grond van artikel 126nf, eerste lid, Sv kan de officier van justitie, in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat gezien de aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gevoelige gegevens, deze gegevens vorderen.

Het opsporingsonderzoek in het kader waarvan de vordering ex artikel 126nf Sv door de officier van justitie is gedaan betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde heeft teweeggebracht.

Feiten en omstandigheden

Op 20 februari 2013 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de gevangenhouding van [verdachte], geboren [1971] te [plaats] in [land] bevolen voor de periode van 90 dagen gelet op de verdenking van poging tot doodslag. Op 28 februari 2013 heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland machtiging verleend tot vordering verstrekking gevoelige gegevens van [verdachte] bij de Geestelijke Gezondheidsdienst Dimence. In die beschikking van de rechter-commissaris is opgenomen dat het gaat om alle medische gegevens over de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 februari 2013 met betrekking tot [verdachte] waarover klaagster zou beschikken. Op 1 maart 2013 heeft de officier van justitie van klaagster de verstrekking van gevoelige gegevens gevorderd waarover klaagster zou beschikken met betrekking tot [verdachte]. Klaagster heeft aan de vordering voldaan onder de voorwaarde dat de verzegelde enveloppe met de gevoelige gegevens ongeopend dient te blijven en door de rechter-commissaris wordt bewaard in afwachting van de rechterlijke beslissing op het ingediende klaagschrift. Klaagster heeft onder meer gesteld dat de gevorderde gegevens zonder meer gevoelige gegevens zijn, namelijk gegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 21Wbp. Klaagster verzet zicht tegen de inbeslagname en kennisneming van deze gegevens en stelt zich op het standpunt dat alle gevorderde gegevens vallen onder het medisch beroepsgeheim en doet om die reden een beroep op het (afgeleid) verschoningsrecht. Het standpunt van de officier van justitie is dat gelet op het dringende onderzoeksbelang het strafvorderlijk belang dient te prevaleren boven het algemeen belang dat wordt beschermd door het medisch beroepsgeheim en het daaraan gekoppelde afgeleid verschoningsrecht.

Overwegingen

Bij de beoordeling van het klaagschrift dient het volgende te worden vooropgesteld. Klaagster is in beginsel verschoningsgerechtigd. Indien door of namens een verschoningsgerechtigde geen toestemming wordt verleend tot verstrekking van geschriften tot welke zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, is een inbreuk op dit verschoningsrecht van de geheimhouder volgens vaste jurisprudentie slechts toegelaten in 'zeer uitzonderlijke omstandigheden' (vgl. HR 14 oktober 1986, NJ 1987, 490 en HR 30 november 1999, NJ 2011, 438). Slechts in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden dient het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, te prevaleren boven het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

Ingevolge art. 98, eerste lid, Sv worden bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv, zonder hun toestemming, brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan de geheimhouder toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon (vgl. HR 29 maart 1994, NJ 1994, 537). Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het verschoningsrecht is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht (vgl. HR 30 november 1999, NJ 2002, 438). De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Daarbij geldt voorts dat indien moet worden geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat er in de onderhavige zaak geen zwaarwegend belang ten grondslag ligt aan de vordering van de officier van justitie. Ter zitting heeft de officier van justitie onder meer aangevoerd dat het medisch dossier voor de waarheidsvinding niet relevant is. Kennelijk wil het PBC in het kader van de observatie en beoordeling van de geestesgesteldheid van [verdachte] de beschikking krijgen over het medisch dossier. Verdachte zelf wil geen toestemming geven tot verstrekking van de gevraagde gegevens. De rechtbank is van oordeel dat de van klaagster gevorderde gegevens onder het bereik van het medisch beroepsgeheim vallen. Het medisch beroepsgeheim omvat immers alle gegevens die een zorgverlener in de uitoefening van zijn beroep over de patiënt te weten komt. Het is aan klaagster om te beoordelen of de gevorderde gegevens object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken. Namens klaagster is met een beroep op het verschoningsrecht gemotiveerd uiteengezet dat zij de gevorderde gegevens niet wenst te verstrekken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de officier van justitie geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die kunnen worden aangemerkt als volgens vaste jurisprudentie ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ op basis waarvan een inbreuk op het verschoningsrecht zou mogen worden toegelaten. Het klaagschrift dient om die reden dan ook gegrond verklaard te worden.

Nog daargelaten hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het bereik en de toepasselijkheid van het verschoningsrecht in de onderhavige zaak, is de rechtbank primair van oordeel dat de in titel IVA van het Wetboek van Strafvordering omschreven bijzondere opsporingsbevoegdheden niet bedoeld zijn voor het verkrijgen van gegevens zoals in de onderhavige zaak aan klaagster zijn verzocht. Het opmaken van een pro-justitiarapportage door gedragsdeskundigen betreft naar het oordeel van de rechtbank geen opsporing of opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Sv. Ook om die reden moet het klaagschrift gegrond worden verklaard.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard.

6. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het klaagschrift gegrond;

- gelast de teruggave van de gesloten en verzegelde envelop met de gevorderde gegevens aan klaagster.

Deze beslissing is uitgesproken op 10 april 2013 door mr. H. Bloebaum, voorzitter,

mr. E. Venekatte en mr. B.W.M. Hendriks, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier. Deze beschikking is gegeven op 24 april 2013 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.