Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:BZ8619

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
08.700306/12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Tijdelijke schorsing voorlopige hechtenis. Belangenafweging m.b.t. een schorsing van de voorlopge hechtenis in het voordeel van verdachte (reeds 321 in voorarrest) omdat er nog geen zicht is op inhoudelijke behandeling van de zaak en de vertragingen niet aan verdachte zijn te wijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Parketnummer: 08.700306/12

TIJDELIJKE SCHORSING voorlopige hechtenis

De rechtbank Overijssel, meervoudige raadkamer voor strafzaken, locatie Almelo.

Gezien het op 19 april 2013 ter griffie ingekomen verzoekschrift van mr. J. Michels te Amersfoort, namens de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [1987],

thans verblijvende in het huis van bewaring te Almelo,

strekkende tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Gelet op het bevel tot gevangenhouding van verdachte d.d. 20 juni 2012, de beschikkingen tot afwijzing opheffing van de voorlopige hechtenis d.d. 19 december 2012 en 9 januari 2013 en gelet op de gehouden onderzoeken ter terechtzitting d.d.

14 september 2012, 11 december 2012 en 8 maart 2013.

Gehoord de officier van justitie en de verdachte, alsmede diens advocaat.

De rechtbank is na onderzoek gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is gegrond thans nog steeds aanwezig zijn.

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte behoort dan ook te worden afgewezen.

De rechtbank acht evenwel op grond van de in het verzoekschrift vermelde en in raadkamer toegelichte feiten en omstandigheden termen aanwezig de voorlopige hechtenis te schorsen onder het stellen van na te melden voorwaarden tot het naleven waarvan verdachte zich bereid verklaarde.

De rechtbank overweegt hierbij nog het volgende.

Verdachte is op 7 juni 2012 in verzekering gesteld. Bij bevel van 10 juni 2012 is de voorlopige hechtenis ingegaan. Op 14 september 2012 vond de eerste zitting plaats. Deze zitting was een zogenaamde pro-forma zitting. Het vooronderzoek was nog niet voltooid en de definitieve tenlastelegging was nog niet uitgebracht.

Nadat de officier van justitie ter zitting meedeelde dat het einddossier in oktober 2012 werd verwacht, is de zaak is vervolgens aangehouden tot de zitting van 11 december 2012, met bepaling dat die zitting een regiezitting zou worden.

Zeer kort voor de zitting van 11 december 2012 is het einddossier aangeleverd. Dit dossier besloeg 9 verhuisdozen met ordners. Op deze zitting ontbrak een definitieve tenlastelegging. Om deze redenen is de zitting aangehouden tot de zitting van 8 maart 2013, met bepaling dat deze zitting een regiezitting is.

Ter terechtzitting van 8 maart 2013 is de vordering nadere omschrijving tenlastelegging gedaan en toegewezen. Op deze zitting zijn voorts de onderzoekswensen in de zaak tegen verdachte en in die tegen de medeverdachten geïnventariseerd. De rechtbank heeft vervolgens op 15 maart 2013 bepaald dat in de zaak tegen verdachte 13 getuigen moeten worden gehoord. Een deel ambtshalve, nu deze getuigen ook in de zaken tegen medeverdachten zijn toegewezen. De zitting is vervolgens aangehouden tot 4 en/of 5 juni 2013, in de verwachting dat -gelet op de agenda van de rechter-commissaris- de getuigen voor die datum gehoord zouden kunnen worden.

Nadat de rechter-commissaris verhinderdata heeft opgevraagd van de politiemensen die als getuigen moeten worden gehoord en van advocaten en de officier van justitie, bleek dat -gelet op het grote aantal verhinderingen- de zitting van 4 en/of 5 juni 2013 niet kan worden benut voor een inhoudelijke behandeling. De laatste getuige zal eerst op 18 september 2013 kunnen worden gehoord, zodat een inhoudelijke behandeling pas daarna kan plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat, alhoewel de ernstige bezwaren en gronden aanwezig zijn voor de feiten waarvoor verdachte preventief gehecht is en het ernstige feiten betreft (deelname aan een criminele organisatie, uitvoer van hard- en softdrugs, het voorhanden hebben van een vuurwapen en witwassen), in casu een belangenafweging met betrekking tot een schorsing van de voorlopige hechtenis doorslaat in de richting van verdachte. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zij van oordeel is dat de onderhavige zaak van meet af aan voortvarender had kunnen worden opgepakt door de politie en het Openbaar Ministerie. Een regiezitting op een eerder moment dan 9 maanden na de aanhouding van de verdachten moet, ondanks de omvang van het onderhavige dossier, mogelijk zijn. Daar komt bij dat de officier van justitie op de zitting van 14 september 2012 de verwachting heeft geuit dat het einddossier in oktober 2012 zou binnenkomen en dat een regiezitting in december 2012 aldus haalbaar zou zijn. Mede omdat de rechtbank vóór die zitting geen signalen heeft ontvangen dat deze zitting geen regiezitting zou kunnen worden, is er tot het moment van die zitting niet gezocht naar een alternatieve datum voor een regiebehandeling kort na deze zitting. De rechtbank heeft daarom pas op de zitting van 11 december 2012 kunnen zoeken naar een nieuwe datum voor regie. Het zittingsrooster van de rechtbank was toen al redelijk gevuld, waardoor de zaak eerst weer voor regie kon worden geappointeerd op 8 maart 2013.

In de zaak tegen deze verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de verdediging relatief weinig onderzoekswensen had en de verdachte, gelet op zijn verklaringen afgelegd bij de politie, een positieve proceshouding heeft aangenomen. Omdat het onwenselijk is deze zaak apart van de andere verdachten te behandelen, loopt de zaak tegen deze verdachte om die reden ook vertraging op. Daarnaast vertraagt het proces tegen verdachte door de verhinderingen van getuigen, advocaten en de officier van justitie. Ook deze vertraging dient niet voor rekening van de verdachte te komen.

Verdachte bevindt zich al 321 dagen in voorlopige hechtenis. Nu er thans nog steeds geen zicht is op een inhoudelijke behandeling en de vertragingen die zijn opgelopen niet voor rekening van deze verdachte komen, is de rechtbank van oordeel dat het persoonlijk belang dat verdachte heeft om zijn proces in vrijheid af te wachten, prevaleert boven het strafvorderlijk belang. De voorlopige hechtenis van verdachte zal om die reden worden geschorst tot aan het moment van de inhoudelijke behandeling.

Gelet op de artikelen 69, 80 en 86 van het Wetboek van Strafvordering.

B E S C H I K K E N D E:

Wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 25 april 2013 tot het moment van de inhoudelijke behandeling van deze zaak op de nader te bepalen meervoudige kamerzitting, dit onder de volgende voorwaarden:

1. dat verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;

2. dat verdachte, ingeval hij wegens de feiten, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;

3. dat verdachte zich ter beschikking van de justitie zal houden om zo nodig nadere inlichtingen te verschaffen, en aan iedere oproeping in deze zaak vanwege de politie en justitie gevolg zal geven;

4. dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis behoorlijk gedraagt en zich met name niet aan misdrijf zal schuldig maken.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus beslist op 24 april 2013 door mr. Bordenga, voorzitter, mrs. Bloebaum en Lemain, rechters, in tegenwoordigheid van Diepenmaat.

Deze beschikking is door de voorzitter en de griffier getekend.