Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:BZ8501

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
Awb 13/489
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking munumentale status van het Badhuis te Hengelo; verweerder had niet zonder het voorgeschreven advies van de monumentencommissie zijn besluit kunnen nemen; verder niet ingegaan op de monumentale waarde van het Badhuis; geen uitvoerig onderzoek ten grondslag aan stelling dat de bouwkundige staat van het Badhuis zeer slecht is; schorsing besluit tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/489

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Stichting tot behoud van het negentiende en twintigste-eeuwse cultuurgoed in Nederland en tot ondersteuning van het Cuypersgenootschap, te Linne, verzoekster 1,

Bond Heemschut, vereniging tot bescherming van cultuurmonumenten in Nederland, te Amsterdam, verzoekster 2,

gemachtigde: L.W. Dubbelaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder,

alsmede

Welbions,

gevestigd te Hengelo, derde partij.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2012, verzonden 20 augustus 2012, heeft verweerder besloten de monumentale status van het Badhuis aan de Oldenzaalsestraat 18 te Hengelo in te trekken.

De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 12 februari 2013, verzonden 14 februari 2013, ongegrond verklaard. Verzoeksters hebben tezamen beroep ingesteld. Op 4 maart 2013 hebben verzoeksters gezamenlijk verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is ter zitting van 12 april 2013 behandeld. Verzoeksters hebben zich laten vertegenwoordigen door L.W. Dubbelaar en A. Veldsink. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.E.M. Wolsink, mr. R.R. Greutink en G.S. Landman.

Voor de derde partij zijn verschenen F. Ufkes en R.E. Hoek.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verweerder heeft bepaald dat het primaire besluit geen opschortende werking heeft; de monumentale status van het pand is per direct vervallen. Gelet op de beoogde verkoop- en sloopplannen van de derde partij, kan een spoedeisend belang niet worden ontzegd.

2. De derde partij is eigenaar van de Dr. Ariënsschool en het Badhuis aan de Oldenzaalsestraat 14 en 18 te Hengelo. Sedert 2002 staat het Badhuis op de gemeentelijke monumentenlijst.

De derde partij is in overleg met derden over de eventuele verkoop van beide gebouwen, waarbij het plan is de school te renoveren en het Badhuis te slopen. Met het oog op deze plannen heeft verweerder de monumentencommissie gevraagd hieromtrent te adviseren.

Op 25 januari 2012 heeft de monumentencommissie primair geadviseerd tot handhaving, restauratie en hergebruik van beide gebouwen. Slechts in het geval dat handhaving van beide panden niet mogelijk zou zijn en verval van beide panden dreigt, stemt de monumentencommissie in met de sloop van het Badhuis, doch in dat geval slechts onder nader te stellen voorwaarden.

Bij besluit van 14 augustus 2012 heeft verweerder besloten de monumentale status van het Badhuis in te trekken.

Verzoekster 1 heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt op 24 september 2012. Op 18 september 2012 heeft verzoekster 2 (althans de Provinciale Commissie Overijssel Bond Heemschut) eveneens bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft de bezwaarschriften ter advisering aan de Commissie voor de bezwaarschriften voorgelegd. Op 13 december 2012 heeft de Commissie verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

Bij het bestreden besluit van 12 februari 2013 heeft verweerder conform beslist.

3. De voorzieningenrechter zal zich eerst uitlaten over de vraag of verzoeksters als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt.

In artikel 2 van de statuten van verzoekster 1 is bepaald dat zij onder andere ten doel heeft: het beschermen van monumenten uit de negentiende en twintigste eeuw in de breedste zin van het woord. Onder beschermen wordt mede verstaan het voeren van (voor zover relevant) bestuursrechtelijke procedures.

Gelet op deze statutaire bepaling kan verzoekster 1 als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 9 vertegenwoordigt het bestuur de stichting. De vertegenwoordigings-bevoegdheid komt mede toe aan twee gezamenlijk handelende bestuurders. Ook kan het bestuur één of meer bestuurders volmacht verlenen.

Nu zowel de voorzitter van de stichting als de penningmeester, beiden deel uitmakend van het bestuur, de heer Dubbelaar heeft gemachtigd, is de vertegenwoordiging van verzoekster correct geregeld.

Artikel 2 van de statuten van verzoekster 2 bepaalt dat de vereniging zich ten doel stelt de bescherming van de schoonheid en het historisch-ruimtelijk karakter van Nederland in het algemeen en van cultuurmonumenten in het bijzonder.

Hoewel deze statutaire doelstelling vrij ruim is omschreven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit, mede gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 oktober 2012 (LJN BY0384), voldoende is, zodat verzoekster 2, gelet op deze statutaire doelstelling, in beginsel als belanghebbende kan worden beschouwd.

Ingevolge artikel 7 vertegenwoordigt het algemeen bestuur de vereniging. Ook kunnen twee gezamenlijk handelende leden daarvan de vereniging vertegenwoordigen. De directeur kan de vereniging alleen vertegenwoordigen binnen het kader van de door het dagelijks bestuur verstrekte volmacht(en).

De heer Dubbelaar is door de directeur van de vereniging gemachtigd. Gesteld noch gebleken is dat deze volmacht niet binnen de door het bestuur gestelde kaders past.

Ter zitting heeft verweerder er nog op gewezen dat het bezwaarschrift destijds is ingediend door de Provinciale commissie Overijssel van verzoekster 2 en dat het beroepschrift en het thans voorliggende verzoekschrift om voorlopige voorziening zijn ingediend door Erfgoed Vereniging Bond Heemschut en dat om die reden het beroep en het verzoek, voor zover ingediend door Erfgoed Vereniging Bond Heemschut niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard.

De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het verzoek niet inhoudelijk te behandelen aangezien het door verweerder gesignaleerde aspect zich niet tevens voordoet ten aanzien van verzoekster 1. In de bodemprocedure zal worden beoordeeld of het beroep ingesteld door verzoekster 2 ontvankelijk is.

4. Verzoeksters hebben betoogd dat verweerder over de beoogde intrekking van de monumentenstatus geen advies heeft gevraagd aan de monumentencommissie. De Erfgoedverordening Hengelo 2010 schrijft dit wel voor. Verder stellen verzoeksters dat het niet correct is dat de monumentale status per direct is vervallen. Tot slot zijn verzoeksters van mening dat er niet zonder sloopvergunning mag worden gesloopt.

5. Artikel 3, tweede lid, van de Erfgoedverordening Hengelo 2010 (Erfgoedverordening) bepaalt dat het college, alvorens over de aanwijzing tot gemeentelijk monument een besluit te nemen, advies vraagt aan de monumentencommissie.

De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken, zo bepaalt artikel 4, eerste lid, van de Erfgoedverordening. Het college beslist vervolgens binnen 12 weken na ontvangst van het advies, doch in elk geval binnen 16 weken na de adviesaanvraag.

Het derde lid van artikel 4 regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten.

In artikel 8, eerste lid, van de Erfgoedverordening is bepaald dat indien het college de aanwijzing intrekt, artikel 3, tweede lid, en artikel 4 van overeenkomstige toepassing zijn.

6. Uit het bepaalde in artikel 8 van de Erfgoedverordening volgt dat verweerder voorafgaand aan het intrekken van de aanwijzing tot gemeentelijk monument de monumentencommissie om advies dient te vragen.

De Erfgoedverordening definieert monument als een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Blijkens de toelichting bij de verordening wordt een te beschermen monument gewaardeerd aan de hand van één of meer van de volgende toetsingscriteria:

- architectuurhistorische waarden

- cultuurhistorische waarden

- stedenbouwkundige waarden

- gaafheid

- zeldzaamheid.

De monumentencommissie heeft op 25 januari 2012 een advies uitgebracht aan verweerder. De aanleiding voor het vragen van dit advies was het voornemen van de derde partij om het Badhuis te slopen, omdat een serieuze kandidaat-ontwikkelaar bereid is de locatie te verwerven en dan volgens diens plannen de Dr. Ariënsschool kan worden behouden, gerestaureerd en herbestemd en op de locatie van het Badhuis nieuwbouw zal realiseren. Feitelijk heeft verweerder de monumentencommissie gevraagd advies uit te brengen omtrent de sloop van het Badhuis. Er is niet gevraagd te adviseren over de voorgenomen intrekking van de aanwijzing van het Badhuis als gemeentelijk monument.

De monumentencommissie heeft weliswaar gesteld dat zowel de school als het Badhuis cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig zeer waardevol zijn, maar een toets aan de in de Erfgoedverordening opgenoemde toetsingscriteria heeft niet, althans niet kenbaar, plaatsgevonden, terwijl zulks in het kader van een voornemen tot intrekking van de monumentale status wel diende te geschieden. In die zin is het wel uitgebrachte advies van de monumentencommissie niet voldoende toegesneden op de in geding zijnde vraag. Desgevraagd had verweerder ter zitting geen verklaring waarom niet alsnog dat advies was gevraagd. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder niet zonder het voorgeschreven advies van de monumentencommissie zijn besluit had kunnen nemen.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit in primo noch in het thans bestreden besluit is ingegaan op de monumentale waarde van het Badhuis. Verweerder heeft volstaan met een algemene conclusie dat de stedenbouwkundige ensemblewaarde verloren is gegaan nadat de dienstwoningen zijn gesloopt. Daarmee kan, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet worden geoordeeld dat verweerder de thans nog aanwezige monumentale waarde van het Badhuis in voldoende mate heeft beoordeeld.

De voorzieningenrechter overweegt daarbij nog dat verweerder in het verlies van die ensemblewaarde thans mede aanleiding heeft gevonden om te concluderen dat de monumentale status is verminderd. Dienaangaande stelt de voorzieningenrechter vast dat in de redengevende beschrijving die destijds ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing als monument van het Badhuis weliswaar de dienstwoningen zijn genoemd en op een beperkt aantal onderdelen zijn beschreven maar de stedenbouwkundige ensemblewaarde niet expliciet als reden is vermeld voor de aanwijzing. Voorts is ter zitting gebleken dat beide dienstwoningen nooit als monument zijn aangewezen. Desondanks heeft het verweerder destijds niet belet het Badhuis wel monumentwaardig te achten.

Verder heeft verweerder betoogd dat de bouwkundige staat van het Badhuis zeer slecht is en dat gebleken is dat het niet mogelijk is het Badhuis op enigerlei wijze te exploiteren.

De voorzieningenrechter overweegt dat naar de technische toestand van de Dr. Ariënschool een onderzoek is uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek heeft niet plaatsgevonden bij het Badhuis. Men heeft zich beperkt tot het maken van foto’s. De conclusie dat sprake is van een zeer slechte toestand lijkt met name gebaseerd op het feit dat het dak deels is ingestort. Een uitvoerig onderzoek ligt hier derhalve niet aan ten grondslag.

Dat het erg moeilijk is gebleken het Badhuis op andere zinvolle wijze te exploiteren, en dat de huidige financiële situatie van de derde partij dusdanig is dat exploitatie door die derde partij zelf onmogelijk is, is niet onderbouwd. Nu verweerder aan het bestreden besluit voornamelijk argumenten ten grondslag heeft gelegd die niet zien op de monumentale waarde van het Badhuis, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit, zonder nadere onderbouwing, in beroep naar verwachting niet in stand zal kunnen blijven.

7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het bestreden besluit te schorsen tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, als het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Van die bevoegdheid wordt in dit geval geen gebruik gemaakt. Verweerder wordt aldus in de gelegenheid gesteld de aan het bestreden besluit klevende gebreken hangende de beroepsprocedure te herstellen.

8. Verzoeksters hebben nog gesteld dat uit het bepaalde in artikel 8 voortvloeit dat bij intrekking van de monumentale status sprake is van ‘nabescherming’. De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 4, derde lid, van de Erfgoedverordening de voorbescherming voor mogelijke toekomstige gemeentelijke monumenten regelt. In de tekst van de verordening, noch in de toelichting daarop, wordt gesproken over nabescherming bij intrekking van de aanwijzing. De voorzieningenrechter is voorts gebleken dat aan de Erfgoedverordening de Monumentenverordening vooraf is gegaan en dat daarin geen regeling van nabescherming is opgenomen. De voorzieningenrechter ziet in de wetsgeschiedenis dan ook niet de bedoeling van de gemeentelijke wetgever terug om in de Erfgoedverordening wel een regeling van nabescherming op te nemen.

Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat artikel 8 zo gelezen dient te worden dat van artikel 4 alleen die leden van toepassing zijn voor zover dat relevant is. In de visie van verweerder kan nabescherming niet a contrario in het bepaalde van artikel 8 in verbinding met het bepaalde in artikel 4, derde lid, van de Erfgoedverordening worden ingelezen. De voorzieningenrechter komt deze redenering, voorlopig oordelend, niet onjuist voor.

9. Uit het ontbreken van nabescherming volgt dat zonder toewijzing van de verzochte voorlopige voorziening het Badhuis niet is beschermd tegen sloop. Dat geldt evenzo als de toewijzing van de voorlopige voorziening zich beperkt tot het thans bestreden besluit. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding, mede gelet op het vorenoverwogene, om bij wijze van ordemaatregel ook tot schorsing van het primaire besluit van 14 augustus 2012 over te gaan.

10. De voorzieningenrechter is gebleken dat de derde partij een melding van voorgenomen sloop van het Badhuis bij verweerder heeft ingediend. Verweerder heeft de ontvangst van die melding bij brief van 19 februari 2013 bevestigd. De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat de sloop nog niet heeft plaatsgevonden. De derde partij verklaarde desgevraagd niet op welke termijn de sloop zal plaatsvinden. De derde partij en verweerder waren de mening toegedaan dat ook in het geval van schorsing van het besluit in primo toch zonder omgevingsvergunning tot sloop kan worden overgegaan op basis van de gedane melding.

De voorzieningenrechter acht het in belang van partijen te overwegen dat naar zijn voorlopig oordeel door de schorsing van het besluit van 14 augustus 2012 de monumentale status van het Badhuis herleeft, in elk geval voor de duur van de schorsing. Dat leidt er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter toe, dat aangezien thans nog niet is gesloopt, eventueel voorgenomen sloop voor de duur van de schorsing niet kan plaatsvinden zonder omgevingsvergunning.

Het ligt op de weg van verweerder om er voor zorg te dragen dat sloop zonder voorafgaande omgevingsvergunning niet zal plaatsvinden.

11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek. Verzoeksters hebben zich niet laten vertegenwoordigen door een professionele gemachtigde, maar hun gemachtigde heeft wel reiskosten gemaakt en verzocht om vergoeding van verletkosten.

Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, sub c, van het Bpb in samenhang met artikel 11, eerste lid, sub c, van het Besluit tarieven in strafzaken, komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse. Voor verzoekster betekent dat een bedrag van € 37,20.

Verder stelt de voorzieningenrechter de door verweerder te vergoeden verletkosten van gemachtigde van verzoeksters vast op een bedrag van € 120,--.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- schorst het bestreden besluit tot twee weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in het beroep met procedurenummer 13/490;

- schorst het besluit van 14 augustus 2012 tot twee weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep met procedurenummer 13/490;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 318,-- aan verzoeksters vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van in totaal € 157,20.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzieningenrechter, en door hem en

mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.