Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:BZ6638

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
08/700665-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontkennende verdachte. Bewijs voor doodslag. Weigerende observandus. Naast gevangenisstraf, oplegging van tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/700665-10

Datum vonnis: 9 april 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland tegen:

[verdachte],

geboren op [1988 te plaats],

wonende [te adres],

nu verblijvende in het huis van bewaring in Zutphen.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van de rechtbank van 18 en 21 maart 2011, 14 en 21 juni 2011, 12 juli 2011, 23 augustus 2011,

18 oktober 2011, 15 en 23 november 2011, 21 februari 2012, 20 en 26 april 2012, 19 juni 2012, 10 en 12 juli 2012, 27 september 2012, 9 november 2012, 3 december 2012,

26 februari 2013, 11 maart 2013, 14 maart 2013 en 26 maart 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A. van Veen. Deze vordering is na voorlezing aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J. Peters, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte - na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging - dat:

hij in de periode van 10 december 2010 tot en met 12 december 2010, te Almelo, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg de keel/hals van die [slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of dichtgedrukt gehouden, in elk geval samendrukkend geweld op de keel/hals van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of (daarbij) de mond van die [slachtoffer] dichtgehouden, in ieder geval uitwendig mechanisch samendrukkend geweld, al dan niet in combinatie met omsnoering, op de hals/keel van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4. De voorvragen

4.1 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard moet worden. De raadsman heeft hiertoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de opeenstapeling van verzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek en inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde tot de slotsom moet leiden dat het Openbaar Ministerie zijn vervolgingsrecht verspeeld heeft. Met name heeft de raadsman in dit verband gesteld dat naar zijn opvatting verzuimd is om in het belang van zijn cliënt relevante en ontlastende onderzoeken te verrichten dan wel onderzoeksresultaten aan het dossier toe te voegen.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer dat vooropgesteld moet worden dat niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging slechts kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop door de politie en het Openbaar Ministerie onderzoek is gedaan in deze zaak geen afbreuk heeft gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling in zijn strafzaak in de zin van artikel 6 EVRM. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar personen die met

[slachtoffer]

in verband konden worden gebracht. De ‘whereabouts’ van personen die op basis van telecomonderzoek of getuigenverklaringen op de avond van 10 december 2010 in relatie met [slachtoffer] konden worden gebracht, zijn uitvoerig nagetrokken en de desbetreffende personen zijn door de politie gehoord. Voor zover de raadsman heeft gesteld dat de politie nalatig is geweest met het onderzoeken van andere mogelijke scenario’s, mist dit betoog gelet op het uitgebreide onderzoek op dat punt, dan ook feitelijke grondslag.

Het dossier biedt ook overigens geen aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, zodat het verweer moet worden verworpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.2 Verzoeken verdediging

Voor zover de raadsman met de volgende passage: “Uiteraard staat het u rechtbank vrij om alvorens een definitieve uitspraak te doen bepaalde onderzoek te gelasten waarbij de verdediging in dat geval nogmaals verwijst op de verzoeken gedaan tijdens de regiezitting van 26 februari jl. welke aan u opnieuw worden verzocht toe te wijzen” bedoeld heeft te verzoeken de zaak aan te houden teneinde getuigen te horen en nader onderzoek te doen plaatsvinden, wijst de rechtbank dat verzoek af. Zij overweegt daartoe als volgt. Op het verzoek van de raadsman is het noodzaakcriterium van toepassing. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verzoek verwezen naar de verzoeken die hij gedaan heeft tijdens de regiezitting op 26 februari 2013. De rechtbank heeft de verzoeken tot nader onderzoek toen afgewezen omdat dat onderzoek niet noodzakelijk werd geacht. Na die afwijzing zijn door de verdediging geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen die maken dat het verzoek nu wel zou moeten worden gehonoreerd. De rechtbank ziet dan ook andermaal geen noodzaak de door de raadsman op 26 februari 2013 voorgestelde getuigen te horen, dan wel nadere onderzoekshandelingen te gelasten. Het verzoek wordt afgewezen.

5. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en terbeschikkingstelling met dwangverpleging en subsidiair, indien de rechtbank niet de maatregel van TBS mocht opleggen, tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

6. De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde bewezen verklaard kan worden dan wel of daarvan moet worden vrijgesproken.

6.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

6.2.1 Het primair ten laste gelegde (moord op [slachtoffer])

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake van de primair ten laste gelegde moord gerequireerd tot vrijspraak.

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman heeft subsidiair bepleit de verdachte van de ten laste gelegde moord vrij te spreken.

6.2.2 Het subsidiair ten laste gelegde (doodslag op [slachtoffer])

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake van het subsidiair ten laste gelegde gerequireerd dat tot een bewezenverklaring zal worden gekomen.

De officier van justitie heeft – kort gezegd – het standpunt ingenomen dat op basis van het tactisch onderzoek, ondersteund door de bevindingen van het forensisch onderzoek, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat mogelijke andere scenario’s niet voldoende zijn uitgerechercheerd en dus niet kan worden uitgesloten dat een ander haar van het leven heeft beroofd.

6.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

6.3.1 Oordeel van de rechtbank ter zake het primair ten laste gelegde (moord op [slachtoffer])

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen onvoldoende volgt dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. De rechtbank spreekt de verdachte om die reden vrij van het primair ten laste gelegde feit.

6.3.2 Oordeel van de rechtbank ter zake het subsidiair ten laste gelegde (doodslag op [slachtoffer])

Op zondagmiddag 12 december 2010 om ongeveer 13.46 uur werd in het pand [adres slachtoffer] te Almelo het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer].

Ze was vanaf vrijdagavond 10 december 2010 niet meer bij haar ouders gezien noch hadden de ouders iets van haar vernomen. Dat was opmerkelijk want [slachtoffer] had vrijwel dagelijks contact met haar ouders. Op de zaterdag was dit het geval wanneer het binnen de familie gebruikelijk was om gezamenlijk vis te eten. Als de ouders van [slachtoffer] op zondagmorgen 12 december 2010 nog steeds geen contact met haar hebben gekregen, besluiten zij, kort na het middaguur, poolshoogte te gaan nemen bij de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] in Almelo. Daar aangekomen blijkt aan de achterzijde de schuifpui niet afgesloten te zijn en eenmaal binnen treffen zij hun dochter aan. Ze ligt in de woonkamer en blijkt dan niet meer in leven te zijn. ,

Sectie

Op maandag 13 december 2010 werd te Den Haag bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) door de arts-patholoog Soerdjbalie-Maikoe sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer]. De conclusie op basis van de sectie luidt dat het intreden van de dood goed kan worden verklaard door verwikkelingen van samendrukkend geweld op de hals, namelijk door algehele weefselschade ten gevolge van verstikking. Uit onderzoek van Independent Forensic Services (hierna: het IFS) naar het tijdstip van overlijden aan de hand van de lijkstijfheid en het kaliumgehalte in het oogvocht, volgt dat het postmortale tijdsinterval uitkomt op 68 uur, met een tijdsinterval van plus of min 13 uur. Dit houdt in dat het tijdsinterval loopt van vrijdag 10 december 2010 om 17:00 uur tot zaterdag 11 december 2010 om 04.00 uur.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft op de avond van 10 december 2010 bezoek gehad van [getuige 3] en van haar ouders. Daarnaast is er op vrijdag 10 december 2010 en in de vroege uren van zaterdag 11 december 2010 telecommunicatieverkeer geweest met en vanuit de woning van [slachtoffer]. De rechtbank heeft daarvan kennisgenomen en heeft dienaangaande - voor zover van belang - het volgende vastgesteld.

Verklaringen getuige [getuige 3]

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op vrijdag 10 december 2010 bij [slachtoffer] op bezoek geweest is. Hij is om ongeveer 18.00 uur bij haar gearriveerd. , [slachtoffer] zat een groot deel van de tijd achter de computer op MSN. In de vroege avond zijn de ouders van [slachtoffer] nog op bezoek geweest. [slachtoffer] en getuige hebben ’s avonds bier gedronken. [slachtoffer] had ’s middags bier gekocht. [getuige 3] is die avond om 22.45 uur weggegaan.

Telecomgegevens en andere informatie

Contacten en gebeurtenissen op de avond / in de nacht van vrijdag 10 december 2010 op zaterdag 11 december 2010 na het vertrek om ongeveer 22.45 uur van [getuige 3] uit de woning van [slachtoffer].

Uit onderzoek is gebleken dat zowel het slachtoffer [slachtoffer] als de verdachte [verdachte] beschikte over verschillende telefoonnummers en accountnamen voor de computer. , Uit dit onderzoek is ook bekend geworden dat [slachtoffer] gebruik maakte van HotSMS. De dienst Hotsms.com is een door HotSMS geëxploiteerde dienst waarbij de gebruiker de mogelijkheid heeft om kosteloos een sms-bericht over het internet te versturen naar een aangekozen nummer van een gebruiker van een mobiele openbare telecommunicatiedienst.

[slachtoffer] maakte gebruik van de telefoonnummers: 06-[nummer 1 slachtoffer], 06-[nummer 2 slachtoffer] en 06-[nummer 3 slachtoffer].

[verdachte] maakte gebruik van de telefoonnummers 06-[nummer 1 verdachte] en 06-[nummer 2 verdachte]. Dit is door verdachte ter terechtzitting op 11 maart 2013 niet weersproken.

Voorts is uit onderzoek gebleken dat [slachtoffer] de accountnamen [accountnaam 1 slachtoffer].hyves.n1, [accountnaam 2 slachtoffer].hyves.n1 en [accountnaam 3 slachtoffer]@hotmail.com gebruikte. [verdachte] gebruikte blijkens het onderzoek de accountnamen [accountnaam 1 verdachte]@hyves.n1,

[accountnaam 2 verdachte]@live.n1, [accountnaam 3 verdachte]@live.nl en [accountnaam 4 verdachte]. Hiernaar gevraagd heeft verdachte dit ter terechtzitting van 11 maart 2013 bevestigd.

Onderzoek telefoonverkeer

Gebleken is dat op vrijdag 10 december 2010 om 22.50.45 uur via het telefoonnummer

06-[nummer 2 slachtoffer], één van de bij [slachtoffer] in gebruik zijnde nummers voor HotSMS, een HotSMS’je is gestuurd naar het telefoonnummer 06-[nummer 2 verdachte], in gebruik bij de verdachte [verdachte] met als inhoud: “sms ff ik ben alleen en ga fijn film kijken kusss”. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer 06-[nummer 2 verdachte] is gebleken dat genoemd sms-contact op vrijdag 10 december 2010 omstreeks 22.50 uur aanstraalde op de mast van T-Mobile [mastnummer], locatie [adres] Almelo. Uit onderzoek is gebleken dat in dit dekkingsgebied de toenmalige woning van [getuige 8] en zijn vrouw [getuige 4], [adres] te Almelo was gelegen. [getuige 8] en [getuige 4] zijn de grootouders van verdachte. Verdachte heeft op 12 juni 2012 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die avond bij zijn opa en oma aan de [adres] is geweest. Dat is bevestigd door de grootouders van verdachte. Verdachte zou daar om ongeveer 23.00 uur zijn weggegaan.

Vrijdag 10 december 2010

Om 22.57.31 uur belde gebruiker [getuige 10] met gebruiker [slachtoffer] en komt een gesprek tot stand.

Om 23.14.35 uur op 10 december 2010 verzond gebruiker [naam A] een sms-bericht aan gebruiker [slachtoffer].

Zaterdag 11 december 2010

Om 00.05.51 uur verzond gebruiker [naam A] een sms-bericht aan gebruiker

[slachtoffer].

Om 00.42.39 uur verzond gebruiker [getuige 3] een sms-bericht aan gebruiker

[slachtoffer].

Om 00.52.35 uur verzond gebruiker [getuige 3] een sms-bericht aan gebruiker

[slachtoffer], welk vermeld stond als mislukt. Volgens een medewerkster van provider Vodafone was dit een ‘unsuccesful call’ geweest. Gebruiker [slachtoffer] heeft een belsignaal ontvangen, maar niet opgenomen.

Op 11 december 2010 om 02.22.50 uur werd via het telefoonnummer van gebruiker

[slachtoffer] een sms-bericht verzonden aan gebruiker [getuige 3].

Het sms-bericht op 11 december 2010 om 02.22.50 uur (uitgaande sms naar nummer 06-[...] van [getuige 3], geregistreerd als mislukt) betreft een poging om een sms te verzenden. Dit sms’je is niet verzonden omdat het beltegoed van het nummer 06-[nummer 1 slachtoffer] op was. Dat blijkt uit de registratie op 11 december 2010 om 02.22.53 uur, een inkomend sms van 1200.Het toestel met het nummer 06-[nummer 1 slachtoffer] bevond zich op genoemd tijdstip onder de zendmast van Vodafone [mastnummer] ([adres] Almelo). Bij alle volgende registraties staan geen mastgegevens vermeld. Dus ook geen IMEI gegevens.

De simkaart met het nummer 06-[nummer 1 slachtoffer] bevond zich in het toestel met de IMEI [imei nummer], zijnde het telefoontoestel van het slachtoffer.

De eerstvolgende registratie vond plaats op zaterdag 11 december 2010 om 11.20.26 uur waarbij geen mastgegevens van het toestel vermeld werden. De bellers ([naam B] en [getuige 1]) zijn hierover gehoord en verklaarden over respectievelijk de ontvangst van voicemail en het bericht “dit nummer is niet bereikbaar”. Deze gegevens werden wel bij de historische gegevens van het telefoonnummer 06-[nummer 1 slachtoffer] geregistreerd, omdat de bellers ([naam B] en [getuige 1]) eveneens gebruik maakten van de provider Vodafone.

Uit bovenstaande blijkt dat na het tijdstip van zaterdag 11 december 2010 te 02.22.53 uur de telefoon met het nummer 06-[nummer 1 slachtoffer] van gebruiker [slachtoffer] is uitgezet, dan wel dat de simcard uit de telefoon is verwijderd. De telefoon met SIM-kaart van [slachtoffer] is niet meer aangetroffen. De provider kon hier echter geen tijdsbepaling voor geven, omdat dit niet geregistreerd werd.

Onderzoek computer van [slachtoffer] ,

Uit onderzoek van de gegevens van de harde schijf van de computer van [slachtoffer] is gebleken dat de computer voor het laatst regulier is afgesloten op 9 december 2010 omstreeks 19.16 uur. Kennelijk is nadien de computer opnieuw opgestart, want nadien viel waar te nemen dat er wel weer activiteiten op de computer plaatsvonden. Het tijdstip van dit opstarten kon niet worden vastgesteld.

Gebleken is dat op de computer van [slachtoffer] om 23.08.02 uur op 10 december 2010 via MSN een bericht binnenkomt van [getuige 6] dat hij zo langs komt. Om 23.08.11 uur antwoordt [slachtoffer] dat maatje zo komt.

Uit onderzoek van de gegevens op de harde schijf van de computer bleek, dat daarop een bestand vermeld stond, aangemaakt op 10 december 2010 omstreeks 23.28.53 uur, genaamd ‘[slachtoffer]@www.google[2].txt’. Dit bestand betreft een zogenaamde cookie. In de inhoud van dit cookie staat de vermelding van ‘[accountnaam 2 verdachte]@live.nl’. Bij het aanmelden op dit betreffende account, zijnde Google, vindt een registratie in de cookie plaats.

Uit onderzoek van de gegevens op de computer bleek dat in de internethistorie van deze computer de internetpagina ‘http://www.youtube.com/watch?v=gtxkU5vT1Dk’ is bezocht en wel op 10 december 2010 omstreeks 23.29.22 uur. Dit betreft een pagina met daarop een videoclip van het muzieknummer ‘Tony Yayo - Live by the Gun’.

Uit onderzoek van de gegevens op de computer bleek voorts dat op 10 december 2010 omstreeks 23.31.48 uur op de computer het bestand ‘[slachtoffer]@youtube[6].txt’ is aangemaakt. Dit bestand betreft een zogenaamde cookie. In de inhoud van dit cookie staat de vermelding van ‘[accountnaam 4 verdachte]’. Dit zogenaamde cookie-bestand heeft betrekking op activiteiten van het You Tube-account van de gebruiker ‘[accountnaam 4 verdachte]’. Ter terechtzitting op 11 maart 2013 heeft verdachte erkend dat hij gebruik maakt van het account ‘[accountnaam 2 verdachte]@live.nl’. Voorts is in proces-verbaal 201103111429 op een schermafdruk van het account ‘[accountnaam 4 verdachte]’ een afbeelding van [verdachte] te zien, waarin van de profielnaam ‘[accountnaam 2 verdachte’ gebruik gemaakt wordt.

Uit onderzoek van de gegevens op de computer bleek dat op 10 december 2010 omstreeks 23.34.04 uur vanaf de computer een mislukte inlogpoging plaats vindt op Hyves en wel op het account ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’. Hierna volgt er op 10 december 2010 omstreeks 23.34.18 uur een geslaagde poging op het account ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’. Uit de ontvangen gegevens van Hyves blijkt dat het ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’-account op 10 december 2010 eenmalig is gebruikt vanaf de computer van [slachtoffer].

Voorts bleek uit het onderzoek dat op 10 december 2010 omstreeks 23.34.48 uur het bestand ‘sessions12085945.sol’ met betrekking tot het Hyves-account ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’ gewijzigd is op de computer. Uit onderzoek is gebleken dat het aangetroffen bestand ‘sessions12085945.sol’ gerelateerd is aan het Hyves-account van [verdachte], zijnde ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’. Voorts is gebleken dat op 11 december 2010 omstreeks 00.19.14 uur vanuit de computer het bestand ‘Windows XP Afmelden.waV’ voor het laatst is benaderd. Dit geluid wordt afgespeeld als de gebruiker ‘[slachtoffer]’ zich afmeldt. Op basis van het register van de computer bleek dat de gebruiker ‘[slachtoffer]’ voor de laatste keer zich aanmeldde op 11 december 2010 omstreeks 00.19.19 uur. Ook bleek dat het account van de gebruiker ‘[slachtoffer]’ was voorzien van een wachtwoord. Zonder dit wachtwoord kan de computer niet worden gebruikt door de gebruiker ‘[slachtoffer]’. Dit is de laatste succesvol geregistreerde aanmelding van de gebruiker ‘[slachtoffer]’.

Op 11 december 2010 omstreeks 00.19.19 uur is vanuit de computer het bestand ‘Windows XP Aanmelden.waV’ voor het laatst benaderd. Dit geluid wordt afgespeeld als de gebruiker ‘[slachtoffer]’ van de computer zich aanmeldt.

Op 11 december 2010 omstreeks 00.21.22 uur is vanuit de computer het bestand ‘[slachtoffer]@login.live[1].txt’ voor het laatst benaderd. Dit betreft een zogenaamd cookie. Deze cookie heeft betrekking op activiteiten van de gebruiker ‘[accountnaam 3 slachtoffer]@hotmail.com’ bij het aanmelden bij Windows Live. Op 11 december 2010 omstreeks 00.22.40 uur wordt de prullenbak benaderd. Vervolgens is vanuit de computer het bestand ‘Windows XP ‘Recyclen.waV’ voor het laatst benaderd op 11 december 2010 omstreeks 00.22.42 uur. Onderzoek aan de prullenbak heeft geen resultaten opgeleverd.

Om 00.22.52 uur zegt [getuige 6] dat hij in de stad is waarop [slachtoffer] om 00.23.01 uur aan [getuige 6] aangeeft thuis te zijn en om 00.23.13 uur aan [getuige 6] vraagt om haar te bellen.

Op basis van het bestand ‘1166553150 6 34E5[1].jpg’, aangemaakt op 11 december 2010 omstreeks 00.24.08 uur, is in de map ‘tijdelijke internet bestanden’ een afbeelding aangetroffen van [slachtoffer]. Bekend is dat deze afbeelding is gebruikt voor het Hyves-account ‘[accountnaam 1 slachtoffer].hyves.nl’.

Voorts is uit onderzoek gebleken dat op 11 december 2010 omstreeks 00.24.12 uur op de computer het bestand ‘[slachtoffer]@hyves(1).txt’ is aangemaakt. Dit bestand betreft een zogenaamde cookie. Ook is gebleken dat op 11 december 2010 omstreeks 00.24.16 uur op de computer het bestand ‘sessions4077558.sol’ is gewijzigd.

Om 00.25.37 uur op 11 december 2010 reageert [getuige 6]. Op 11 december 2010 omstreeks 00.49.27 uur wordt het bestand ‘nudge.wma’ van Windows Live Messenger (WLM) voor het laatst door de computer benaderd. Een nudge wordt door een WLM contact verstuurd naar een ander contact, in dit geval ‘[accountnaam 3 slachtoffer]@hotmail.com’, om de aandacht van de ontvanger te trekken (om 00.49.47 uur tracht [getuige 3] via MSN contact te leggen met [slachtoffer]). Tevens wordt het bestand ‘type.wma’ van WLM voor het laatst benaderd vanuit de computer op 11 december 2010 omstreeks 00.54.52 uur. Dit geluid wordt afgespeeld als er in WLM een nieuw bericht binnenkomt en de focus niet op het WLM venster ligt.

Uit onderzoek aan de gegevens in het register op de computer is verder gebleken, dat op

11 december 2010 omstreeks 01.01.23 uur met een onjuist wachtwoord middels de gebruiker ‘[slachtoffer]’ is geprobeerd in te loggen op de computer. Voorts is gebleken dat op 11 december 2010 omstreeks 01.01.23 uur is ingelogd op de gebruiker ‘overige’. Anders dan het account ‘[slachtoffer]’ is dit account niet voorzien van een wachtwoord.

Op 11 december 2010 omstreeks 01.21.00 uur wordt het bestand ‘logon.scr’ vanuit de computer voor het laatst benaderd. Dit bestand staat bekend als een screensaver. Uit een vermelding in het register van de computer is bekend dat wanneer de screensaver wordt opgeheven er door de gebruiker ‘[slachtoffer]’ opnieuw het wachtwoord moet worden ingevoerd. Zodra de screensaver in werking treedt, wordt een account ‘vergrendeld’.

Uit onderzoek van de gegevens op de computer bleek verder dat op 11 december 2010 omstreeks 01.24.27 uur in het log bestand ‘SysEvent.Evt’ de vermelding stond ‘26: Application Popup’. Hierbij stond de omschrijving vermeld: “Deze computer is momenteel door een of meer andere mensen in gebruik. Als u de computer afsluit, kunnen de aangemelde personen hun gegevens verliezen. Weet u zeker dat u de computer wilt afsluiten?”. Deze melding verschijnt zodra een gebruiker de computer wil afsluiten maar een ander gebruikersaccount nog ingelogd of aangemeld is.

Gebleken is dat de bestanden ‘[getuige 6]2403407550.xml’ en ‘[getuige 3]4240467885.xml’ op 11 december 2010 omstreeks 01.24.38 uur op de computer voor het laatst gewijzigd zijn. Op basis van de inhoud van het bestand ‘[getuige 3]4240467885.xml’ blijkt dat de datum en tijd van het binnengekomen bericht exact overeenkomen met het afspelen van het bestand ‘type.wma’ van het bericht binnengekomen op 11 december 2010 omstreeks 00.54.52 uur.

Het bestand ‘ntuserdat.LOG’ bleek op 11 december 2010 omstreeks 01.29.05 uur als allerlaatste op de computer gewijzigd te zijn voordat de computer daadwerkelijk is uitgeschakeld. Waar het afsluiten is gestart omstreeks 10 december 2010 omstreeks 01.24.27 uur was te zien dat dit proces op niet reguliere wijze is afgerond en onderbroken op 01.29.05 uur. Indien de computer regulier was afgesloten, had in de vermelding van het register van de computer een tijdstip na 10 december 2010 omstreeks 01.24.27 moeten staan. Echter stond in het register 9 december 2010 omstreeks 19:16 uur als tijdstip waarop de computer voor het laatst op reguliere wijze werd afgesloten. Volgens de broer van [slachtoffer], [getuige 2], sloot [slachtoffer] de computer altijd af op de reguliere wijze via ‘Start’ en ‘Afsluiten’.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat:

• de computer na 9 december 2010 omstreeks 19.16 uur nog operationeel is geweest;

• activiteiten op de computer zijn te relateren aan ‘[accountnaam 2 verdachte]@live.nl’ en ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’ op respectievelijk 10 december 2010 omstreeks 23.28.53 uur en 10 december 2010 omstreeks 23.34.18 uur;

• het account ‘[accountnaam 2 verdachte]@live.nl’ is gebruikt om via Google gebruik te maken van You Tube; hiervoor is een wachtwoord noodzakelijk. Ook voor het Hyves-account ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’ is een wachtwoord vereist;

• het wachtwoord voor de gebruiker ‘[slachtoffer]’ voor het laatst correct is ingevoerd op 11 december 2010 omstreeks 00.19.19 uur en dat het account van de gebruiker ‘[slachtoffer]’ op de computer vervolgens vergrendeld is, mogelijk middels de screensaver;

• dat vervolgens op 11 december 2010 omstreeks 01.01.23 uur geprobeerd is in te loggen op het account van de gebruiker ‘[slachtoffer]’ om mogelijk:

- de binnengekomen WLM chatberichten te benaderen, waarop de aandacht werd

gevestigd door de geluiden afkomstig van de WLM ‘nudge’ op 11 december 2010

omstreeks 00.49.27 uur en de binnenkomende berichten waarbij het laatste bericht is ontvangen op 11 december 2010 omstreeks 00.54.52 uur;

- om eerder door een gebruiker geopende accounts zoals Hyves of You Tube te

sluiten;

• op 11 december 2010 omstreeks 01.01.23 uur toegang tot de computer is verkregen, middels gebruikmaking van het account ‘overige’, waarvoor geen wachtwoord vereist is;

• de computer op niet reguliere wijze is afgesloten na 11 december 2010 omstreeks 01.24.27 uur.

Op zaterdag 11 december 2010 mist [slachtoffer] oproepen op haar telefoon en verschijnt ze niet bij haar ouders bij het middageten.

De rechtbank concludeert op basis van het bovenstaande dat [slachtoffer] voor het laatst op

11 december 2010 om 00.23.23 uur gereageerd heeft naar [getuige 6] en dat er sindsdien geen communicatie of ander levensteken meer van haar vernomen is. De rechtbank stelt dan ook vast dat [slachtoffer] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op 11 december 2010 tussen 00.24 uur en 01.00 uur om het leven gekomen is. Een tijdstip van overlijden tussen 00.24 uur en 01.00 uur past bij de forensische onderzoeken die zijn uitgevoerd naar het tijdstip van overlijden.

Wie was in de nacht van 10 op 11 december 2010 in de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] in Almelo?

Op basis van de gegevens uit het onderzoek naar het telecommunicatieverkeer en de data van de harde schijf van de computer van [slachtoffer] in de nacht van 10 op 11 december 2010 moet de vraag worden beantwoord wie in die nacht bij [slachtoffer] in haar woning aan de [adres slachtoffer] in Almelo op bezoek is/zijn geweest.

Het moet in elk geval een bezoeker/bezoekers zijn geweest van na 23.00 uur op die vrijdagavond.

[getuige 3]

Uit de verklaringen van de vader en moeder van [slachtoffer] blijkt dat zij eerder die avond op bezoek zijn geweest. Toen zij weggingen, was [getuige 3] bij [slachtoffer]. , [getuige 3] heeft verklaard dat hij om ongeveer 22.45 uur is weggegaan. Uit het door [slachtoffer] op vrijdag

10 december 2010 om 22.50.45 uur via het telefoonnummer 06-[nummer 2 slachtoffer] verstuurde HotSMS’je naar het telefoonnummer 06-[nummer 2 verdachte], in gebruik bij de verdachte [verdachte] met als inhoud: “sms ff ik ben alleen en ga fijn film kijken kusss”, volgt dat zij alleen is. Daarnaast volgt het vertrek van [getuige 3] ook uit het feit dat zijn telefoon, op het moment dat hij een sms’je stuurt aan [slachtoffer] om 00.42 uur een mast in zijn woonplaats Losser aanstraalt. Uit het onderzoek blijkt dat hij in elk geval tot 00.52 uur in Losser is. Voorts blijkt uit de analyse van de telefoon van [getuige 3] dat hij tot ongeveer 02.00 uur een aantal keren met zijn telefoon een mast in Losser aanstraalt. Zijn vriend [getuige 20] heeft de verklaring van [getuige 3] dat hij met [getuige 20] vanaf ongeveer 00.00 uur tot ongeveer 02.00 uur is gaan stappen, bevestigd. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat [getuige 3] na zijn vertrek uit de woning van [slachtoffer] naar zijn woonplaats Losser is gegaan en daar vervolgens heeft verbleven. Van betrokkenheid van [getuige 3] bij de dood van [slachtoffer] is op geen enkele wijze gebleken.

[getuige 6]

Blijkens het telecomonderzoek heeft [slachtoffer] in de nacht van 10 op 11 december 2010 contact gehad met [getuige 6]. [getuige 6] heeft daarover een verklaring afgelegd en een alibi opgegeven dat niet is weerlegd. Uit het telecommunicatieverkeer met [getuige 6] (op 10 december 2010 rond 23.08 uur) blijkt bovendien dat [slachtoffer] op de opmerking van [getuige 6] dat hij wil langs komen reageert met: “Whah maatje komt zo”. Daaruit leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] bezoek krijgt van iemand anders dan [getuige 6]. Van belang is voorts dat van [getuige 6] geen enkel spoor is aangetroffen in de woning van [slachtoffer] of op het slachtoffer zelf. Van enige betrokkenheid van [getuige 6] bij de dood van [slachtoffer] is niet gebleken.

[getuige 8]

Op de kleding van [slachtoffer] is op één plek celmateriaal van [getuige 8] aangetroffen. Daarnaast is [getuige 8] op vrijdagavond gezien in de buurt van de woning van [slachtoffer]. [getuige 8] kan zich blijkens zijn zeer uitgebreide verklaringen niet zoveel meer herinneren van die vrijdagavond omdat hij veel had gedronken. Dat er op één plek op de kleding van [slachtoffer] celmateriaal van [getuige 8] is aangetroffen, kan verklaard worden uit het feit dat [getuige 8] en [slachtoffer] goed bevriend waren en regelmatig contact met elkaar hadden. Van enige betrokkenheid van [getuige 8] bij de dood van [slachtoffer] is niet gebleken.

[verdachte]

Uit het dossier zijn veel aanwijzingen te putten dat verdachte op vrijdagavond rond de klok van 23.00 uur bij [slachtoffer] op bezoek is geweest.

HotSMS’je op vrijdag 10 december 2010 om 22.50.45 uur naar het telefoonnummer 06-[nummer 2 verdachte], in gebruik bij de verdachte [verdachte]

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er op vrijdag 10 december 2010 tussen [slachtoffer] en verdachte veel communicatie heeft plaatsgevonden. Dit is door verdachte ook erkend zowel in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 12 juni 2012 als ter terechtzitting op

11 maart 2013. Volgens verdachte hebben hij en [slachtoffer] elkaar in de middag van vrijdag

10 december 2010 nog ontmoet. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij op vrijdagavond nog msn-contact heeft gehad met [slachtoffer] in elk geval van 18.30 uur tot ongeveer 22.00 uur. Verdachte was toen bij zijn oma aan de [adres grootouders] in Almelo. Hij is daarheen gegaan nadat hij en [slachtoffer] die middag om ongeveer half vier uit elkaar gingen. Hij is volgens zijn verklaring steeds in de woning van zijn grootouders geweest. Na 22.00 uur is hij een film van Harry Potter gaan kijken. Die film was al om 20.30 uur begonnen. Zijn opa zat naar die film te kijken en verdachte is erbij gaan zitten. Volgens zijn grootouders is verdachte om ongeveer 23.00 uur weggegaan. , Volgens verdachte is hij toen naar huis gegaan en naar bed gegaan.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij die avond niet heeft gebeld met [slachtoffer]. Er is, behalve via MSN van ongeveer 18.30 uur tot 22.00 uur, geen ander contact geweest. Verdachte had volgens zijn verklaring maar één gsm, die hij die vrijdag steeds bij zich gehad heeft. Verdachte heeft ook verklaard dat hij een pre-paidnummer had.

Zoals hiervóór is gememoreerd, is uit het onderzoek gebleken dat op vrijdag 10 december 2010 om 22.50.45 uur door het telefoonnummer 06-[nummer 2 slachtoffer], één van de bij [slachtoffer] in gebruik zijnde nummers voor HotSMS, een HotSMS’je is gestuurd naar het telefoonnummer 06-[nummer 2 verdachte], in gebruik bij de verdachte [verdachte] met als inhoud: “sms ff ik ben alleen en ga fijn film kijken kusss”. Naar het nummer 06-[nummer 2 verdachte] is uitgebreid onderzoek gedaan. Dit onderzoek leidde tot de conclusie dat [verdachte] als gebruiker van dit nummer kan worden aangemerkt. , , Gebleken is dat verdachte de woning van zijn grootouders rond 23.00 uur heeft verlaten. Dit tijdstip van vertrek past bij het kort daarvóór door [slachtoffer] naar het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer gestuurde sms’je. Een alibi voor de uren daarna ontbreekt bij verdachte. Er zijn geen getuigen die hebben verklaard hem daarna nog te hebben gezien, er zijn geen gegevens van zijn telefoon die hem een alibi verschaffen, computergedrag evenmin.

Het gebruik van de computer van [slachtoffer] die avond laat

Daarnaast is er het gebruik van de computer van [slachtoffer] op 10 december 2010 vanaf ongeveer 23.30 uur. Dit tijdstip past, gelet op de te voet af te leggen route van de [adres] naar de [adres slachtoffer], heel goed bij het vertrek van [verdachte] bij opa en oma rond 23.00 uur en de aankomst korte tijd later bij [slachtoffer].

Een aantal zaken is daarbij opmerkelijk. Op de computer van [slachtoffer] is blijkens het onderzoek ingelogd op het Hyves-account van [verdachte]. Dat is gebeurd om 23.34.04 uur en 23.34.18 uur (eerst ‘unsuccesfull’, daarna ‘succesfull’). Naast het inloggen op

10 december 2010 op het Hyves-account is op de computer van [slachtoffer] op 11 december 2010 kort na middernacht om 00.19.53 uur ingelogd op het [accountnaam 2 verdachte]-account van [verdachte]. , Dit account wordt gebruikt in combinatie met de toegang tot You Tube. Ook voor dit account is een wachtwoord noodzakelijk. Nader onderzoek naar dit account leverde geen IP-adressen op van waaruit ooit op dit account is ingelogd. Vast is komen te staan dat dit account pas op 24 november 2010 is aangemaakt.

Het inloggen op het [accountnaam 2 verdachte]-account staat niet op zichzelf. Dit account wordt gebruikt in combinatie met een toegang tot You Tube. Op vrijdag 10 december 2010, omstreeks 23.29.22 uur en op zaterdag 11 december 2010, omstreeks 00.19.53 uur werd op de computer van [slachtoffer] via You Tube met het account [accountnaam 4 verdachte] het filmpje ‘Tony Yayo - Live bij de gun’ bezocht. Het betreft Tony Yayo. Deze artiest is aan verdachte te linken op basis van telefoongesprekken tussen verdachte en zijn moeder [getuige 8] op 29 maart 2011, 4 april 2011 en 5 april 2011.

Verdachte heeft ter terechtzitting op 11 maart 2013 en bij de rechter-commissaris op 12 juni 2012 verklaard dat hij niet degene is geweest die in de nacht van 10 op 11 december 2010 heeft ingelogd op zijn accounts. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer] over zijn wachtwoorden beschikte. Verdachte heeft daarnaar gevraagd verklaard dat hij die wachtwoorden ruim vóór het incident op 4 november 2010 aan [slachtoffer] heeft verstrekt. De rechtbank heeft geconstateerd dat het account ‘[accountnaam 2 verdachte]’ eerst op 24 november 2010 is aangemaakt. Het wachtwoord van dit account kan gelet op de verklaring van verdachte dan ook niet bij [slachtoffer] via verdachte bekend zijn geweest.

Is [verdachte] de persoon die met ‘maatje’ wordt aangeduid?

In de msn-communicatie van [slachtoffer] spreekt zij regelmatig over een ‘maatje’ dat die avond nog langs zal komen. Uit het dossier kan afgeleid worden dat met het ‘maatje’ [verdachte] wordt bedoeld. Eerder op 3 december 2010 heeft [slachtoffer] het ook over ‘maatje’.

Op die datum, 3 december 2010 om 20.58.02 uur, stuurt [slachtoffer] een sms-bericht naar

[getuige 10] met de tekst: “vanavond film kijken met maatje van mij”.

Opmerkelijk in dit verband is dat op de avond van 3 december 2010 op [slachtoffer]s computer een aantal keren op het eerdergenoemde Hyves-account van [verdachte] is ingelogd zowel rond 20.30 uur als nog even na middernacht op 4 december 2010 om 00.21.38 uur.

Door de politie is een analyse gemaakt van de bewegingen van de telefoon van verdachte op 26, 27, 28, 29 november 2010 en 3, 5 en 7 december 2010 toen er werd ingelogd op het Hyves-account ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’ van [verdachte] op de computer van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer]. De rechtbank constateert op basis daarvan dat het telefoonnummer 06-[nummer 1 verdachte] van verdachte zich steeds ofwel binnen het zendmastbereik van de [adres slachtoffer] bevond ofwel waren er geen mastgegevens beschikbaar.

Dit laatste kan erop duiden dat de telefoon niet aanstond of dat de batterij leeg was en dat de telefoon direct op de voicemail gaat. Enkele contactmomenten om dit te illustreren:

• 27 november 2010 om 23.34.09 uur telefoon verdachte onder cellid 42115 , , ; IP-inlog bij [slachtoffer] om 00.05.23, 00.35.45 en 00.38.33 uur;

• 28 november 2010 tussen 16.37.55 en 22.07.32 uur: telefoon verdachte onder cellid 42115; IP inlog bij [slachtoffer] om 01.00.54 uur, 11.57.22 uur, 14.58.31 uur en 17.54.32 uur;

• 7 december 2010 tussen 20.31.26 en 23.03.59 uur: telefoon verdachte onder cellid 42115; IP inlog bij [slachtoffer] om 23.36 uur.

De rechtbank constateert dat er een direct verband is tussen de locatie van de telefoon van verdachte en de momenten van inloggen op de computer van [slachtoffer] op het Hyves-account van verdachte. De rechtbank heeft geconstateerd dat voor zover geen mastgegevens aanwezig zijn van de locatie van de telefoon van [verdachte] op de momenten waarop op de computer van [slachtoffer] wordt ingelogd op de accounts van [verdachte], in die gevallen in elk geval niet blijkt dat die telefoon op een andere plaats dan binnen het zendmastbereik van de [adres slachtoffer] moet worden gelokaliseerd.

Opmerkelijk is ook dat er tussen 4 november 2010 en 18 november 2010 geen geldige inlogpogingen met het account ‘[accountnaam 1 verdachte].hyves.nl’ zijn geregistreerd. In die periode was verdachte gedetineerd in verband met het incident bij [slachtoffer] op

4 november 2010.

Uit de historische printgegevens van de telefoon van [verdachte] met het nummer

06-[nummer 2 verdachte] blijkt dat er op 3 december 2010 en op 4 december 2010 om 23.38 uur respectievelijk om 00.36 uur telefoongebruik is met zijn telefoon onder het zendmastbereik van de mast aan de [adres] via Cell-id-nummer 42115. Uit de overzichten kan blijken dat verdachte van die mast ook wel gebruik maakt als hij thuis is of bij oma en dit nummer gebruikt, maar binnen die mast maakt hij dan gebruik van Cellid 42116. Hieruit kan in combinatie met het inloggen op de computer van [slachtoffer] en het feit dat [slachtoffer] die avond aan [getuige 10] liet weten dat ‘maatje’ die avond ook komt om film te kijken, worden afgeleid dat verdachte die avond bij [slachtoffer] was en dat verdachte het maatje was over wie [slachtoffer] spreekt in het sms’je naar [getuige 10].

Chatsessie op vrijdag 10 december 2010

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris op 12 juni 2012 en ter terechtzitting op 11 maart 2013 erkend dat hij op 10 december 2010 contact met [slachtoffer] heeft gehad via MSN. In de msn-berichten heeft [slachtoffer] het enkele keren over ‘maatje’. Om ongeveer 11.18 uur laat [slachtoffer] aan [verdachte] weten dat zij naar haar moeder en naar de winkel gaat. [verdachte] laat daarop weten dat hij een beetje geïrriteerd is die dag vanwege het feit dat hij vaag gedroomd heeft en nu naar de psycholoog moet. Uit de verklaring van [verdachte] bij de rechter-commissaris en de verklaring van psycholoog [getuige 11] op 10 januari 2011 blijkt dat [verdachte] op 10 december 2010 tussen 11.30 uur en 13.15 uur bij deze psycholoog was. Omstreeks 14.50 uur laat [slachtoffer] aan [verdachte] weten dat [getuige 3] uit Losser bij haar komt en daarna haar beste maatje. [verdachte] reageert daarop om 14.51 uur met “oke”. [slachtoffer] zegt vervolgens om 14.52 uur dat zij bier gaat halen en dat [getuige 3] dit zal betalen. Mocht dat niet zo zijn dan zal zij in elk geval voor drinken zorgen. Om ongeveer 14.58 uur zegt [verdachte] tegen [slachtoffer] dat zij wel een vijfje kan missen voor het goede doel. [slachtoffer] antwoordt daarop dat zij eerst naar de winkel gaat en dan geld van hem terug krijgt.

Om 15.03 uur zegt [slachtoffer] dat zij nu eerst naar de winkel gaat en daarna komt [getuige 3]. Uit de verklaring van [getuige 3] blijkt dat hij op vrijdag 10 december 2010 om ongeveer 18.00 uur bij [slachtoffer] was. [slachtoffer] had ’s middags bier gehaald en was toen [verdachte] tegengekomen die haar geld had ‘afgetroggeld’. Volgens [getuige 3] had [slachtoffer] tegen [verdachte] gezegd dat hij moest oprotten. [getuige 3] heeft verklaard dat hij aan [slachtoffer] die vrijdagavond 10 december 2010 vijf euro heeft gegeven voor de boodschappen zodat ze nog wat bier kon halen voor de volgende dag. Ze zou dit bier dan zaterdag gaan halen.

Hij heeft aan [slachtoffer] een bankbiljet van vijf euro gegeven. [slachtoffer] had dit bankbiljet op de salontafel gelegd. Het lag er nog toen [getuige 3] om 22.45 uur wegging. Op zondagmiddag 12 december 2010 is dit biljet niet meer aangetroffen.

[slachtoffer] heeft aan [getuige 3] verteld dat haar ex-vriend, [verdachte], geld van haar had afgepakt tijdens het boodschappen doen die middag. Ze vertelde hem dat ze dit geld had moeten afgeven. Dit zou buiten de winkel gebeurd zijn, maar ze heeft niet verteld bij welke winkel dit was en om hoeveel geld dit ging. Uit de verklaring van getuige [getuige 12] blijkt dat hij [slachtoffer] die middag heeft gezien bij de Aldi aan de Bornerbroeksestraat. [slachtoffer] was gespannen. Om 15.03 uur zegt [slachtoffer] tegen [verdachte] dat [getuige 3] rond kwart voor elf weggaat. Daarna komt haar maat en gaat zij met hem chillen. [verdachte] zegt dan dat [slachtoffer] nog naar de coffeeshop moet waarop [slachtoffer] zegt dat zij daar niet aan doet maar haar maat wel. Dat wil zij ook niet eens weten, waarop [verdachte] om ongeveer 15.06 uur zegt “oke” en vervolgens aangeeft dat hij nog gaat kijken of hij nog money kan regelen. Kennelijk zit [verdachte] zonder geld. Om 17.50 uur zegt [verdachte] tegen [slachtoffer]: “feel sorry about what I said” en dat het hem spijt. [slachtoffer] aanvaardt de excuses maar zegt dat het nog wel even in haar hoofd blijft en dat zij het morgen wel vergeten zal zijn. [verdachte] vraagt dan of haar maatje die avond nog komt. [slachtoffer] zegt dan dat haar hoofd er nu nog niet echt naar staat. Daarop zegt [verdachte] “oke” en stuurt daarbij een emoticon van een bedroefd gezichtje. [slachtoffer] zegt vervolgens om 17.57 uur dat haar maat die er nu is ([getuige 3]) om kwart voor elf weggaat.

Uit wat zij vervolgens zegt, kan afgeleid worden dat haar maatje wel mag komen. Kennelijk staat het geschil van de middag niet meer aan een ontmoeting in de weg.

Om 18.10 uur zegt [verdachte]: “do you keep some for me?”. Gezien het meegestuurde symbooltje van een bierpul wordt kennelijk op bier gedoeld. [getuige 3] heeft verklaard dat hij die avond samen met [slachtoffer] bier heeft gedronken dat [slachtoffer] die middag in de winkel had gehaald. Vervolgens komen de ouders van [slachtoffer] bij haar bezoek. , Om ongeveer 19.00 uur zijn de ouders weer vertrokken en wordt de conversatie tussen [verdachte] en [slachtoffer] voortgezet. [verdachte] vraagt dan aan [slachtoffer] of zij nog iets met [getuige 3] die op dat moment weg is om patat te halen, heeft kunnen regelen. [slachtoffer] zegt dat zij denkt van wel maar het nog aan hem moet vragen.

Gelet op de verklaring van [getuige 3] heeft dit waarschijnlijk betrekking op het geld dat [slachtoffer] aan [getuige 3] moet vragen. Om 19.09 uur zegt [slachtoffer] dat haar allerbeste maatje die avond komt waarop [verdachte] reageert met “oke” en het sturen van een smiley/emoticon met een glimlach en vervolgens zegt: “spannend”.

Om 19.12 uur zegt [verdachte]: “maar bewaar je wel wat bier voor jouw maat”. Eerder om 18.10 uur zei [verdachte]: “do you keep some for me?” Daaruit kan worden afgeleid dat ‘jouw maat’ [verdachte] is. Vervolgens blijkt [getuige 3] weer terug te zijn met het eten en gaat [slachtoffer] eten. Op de vraag van [verdachte] om 20.35 uur of [slachtoffer] al dronken is, zegt zij: “nee de tweede maar”. Om 20.46 uur zeggen zij tegen elkaar dat zij van elkaar houden. Om 20.51 uur zegt [slachtoffer] dat [getuige 3] om 11 uur weggaat. Vervolgens vraagt [verdachte] nog of het geregeld is waarop [slachtoffer] antwoordt dat zij het nog niet gevraagd heeft. Gezien het voorafgaande lijkt dit betrekking te hebben op het geld dat zij aan [getuige 3] moest vragen. Om 21.09 uur zegt [verdachte] dat hij heen gaat. [slachtoffer] zegt daarop om 21.09 uur: “Is goed” en “Spreek je later wel weer. Fijne avond”. Het volgende tijdstip is 22.50.45 uur als door het telefoonnummer 06-[nummer 2 slachtoffer], één van de bij [slachtoffer] in gebruik zijnde nummers voor HotSMS, een HotSMS’je is gestuurd naar het telefoonnummer 06-[nummer 2 verdachte], in gebruik bij de verdachte [verdachte] met als inhoud: “sms ff ik ben alleen en ga fijn film kijken kusss”.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is op basis van het vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd van oordeel dat vaststaat dat [verdachte] op vrijdagavond 10 december 2010 vanaf de woning van zijn grootouders aan de [adres grootouders] naar de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] is gegaan. De rechtbank concludeert dit op basis van de msn-contacten tussen [slachtoffer] en verdachte op 10 december 2010 waaruit naar het oordeel van de rechtbank volgt dat verdachte het maatje is dat die avond na het vertrek van [getuige 3] bij [slachtoffer] op bezoek zou komen. Steun daarvoor biedt de verklaring van de grootouders van verdachte dat hij om ongeveer 23.00 uur is weggegaan. Net daarvóór om 22.50.45 uur had [slachtoffer] een HotSMS gestuurd naar het telefoonnummer 06-[nummer 2 verdachte], in gebruik bij de verdachte [verdachte] met als inhoud: “sms ff ik ben alleen en ga fijn film kijken kusss”.

In de woning van [slachtoffer] is verdachte naar het oordeel van de rechtbank degene geweest die heeft ingelogd op zijn accounts. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] over zijn wachtwoorden beschikte niet aannemelijk. Verdachte heeft ter terechtzitting van 11 maart 2013 verklaard dat hij die wachtwoorden al enkele weken vóór het incident op 4 november 2010 aan [slachtoffer] verstrekt had. Gezien het feit dat het account [accountnaam 2 verdachte21 eerst op 24 november 2010 is aangemaakt, kan verdachte het wachtwoord bij dat account derhalve niet vóór 4 november 2010 aan [slachtoffer] hebben opgegeven. Het inloggen op het [accountnaam 2 verdachte]-account staat bovendien niet op zichzelf. Dit account wordt gebruikt in combinatie met een toegang tot You Tube. Op vrijdag 10 december 2010, omstreeks 23.29.22 uur en op zaterdag 11 december 2010, omstreeks 00.19.53 uur werd op de computer van [slachtoffer] via You Tube met het account [accountnaam 4 verdachte] het filmpje “Tony Yayo - Live bij de gun” bezocht. Het betreft Tony Yayo. Deze artiest is aan verdachte te linken op basis van telefoongesprekken tussen verdachte en zijn moeder [getuige 8] op 29 maart 2011, 4 april 2011 en 5 april 2011. Van een link van [slachtoffer] met Tony Yayo is niet gebleken.

De rechtbank hecht in dit verband ook betekenis aan het feit dat er tussen 4 november 2010 en 18 november 2010 geen geldige inlogpogingen met het account [accountnaam 1 verdachte].hyves.nl zijn geregistreerd en dus ook niet vanuit de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] in Almelo. In die periode was verdachte gedetineerd in verband met het incident bij [slachtoffer] op 4 november 2010.

Forensisch onderzoek

Door de politie, het NFI en het IFS is uitgebreid forensisch onderzoek verricht.

Aangetroffen peuk

In de woning van [slachtoffer] is een sigarettenpeuk aangetroffen met daarop celmateriaal dat past bij verdachte en [getuige 3].

Bloed op de voordeur en de greep van de schuifpui.

Op de voordeur van de woning van het slachtoffer [slachtoffer], perceel [adres slachtoffer] te Almelo, werd aan de binnenzijde ter hoogte van het slot bloed aangetroffen. Dit bloed is onderzocht. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht met het DNA-profiel van dit bloed. Volgens de moeder van het slachtoffer was er geen bloed op de voordeur. Zij heeft verklaard dat zij na de vernieling van de ruit op 4 november 2010 de voordeur schoon gemaakt heeft. Op de greep van de schuifpui aan de achterzijde in de woning van het slachtoffer [slachtoffer], perceel [adres slachtoffer] te Almelo zijn sporen aangetroffen, waaruit een DNA-profiel is verkregen. Het DNA-profiel heeft een mengprofiel van minimaal twee personen, waaronder het slachtoffer en verdachte [verdachte].

Sporen op lichaam en kleding van [slachtoffer] en kleding van verdachte

In en aan het lichaam en op de kleding van [slachtoffer] zijn diverse sporen aangetroffen die op basis van DNA-vergelijkend onderzoek van verdachte afkomstig kunnen zijn. Op de kleding van verdachte zijn diverse sporen aangetroffen die op basis van DNA-vergelijkend onderzoek van [slachtoffer] afkomstig kunnen zijn.

Zoals hierboven is overwogen leiden de digitale sporen en de resultaten van het telecomonderzoek naar verdachte als degene die in de nacht van 10 op 11 december 2010 in de woning van [slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] was. Uit de sectie op het stoffelijk overschot is gebleken dat zij door geweld om het leven is gekomen. De resultaten van het forensisch onderzoek ondersteunen het scenario dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

In dat verband zijn twee groepen van sporen van belang:

1) De sporen van verdachte op het lichaam en de kleding van het slachtoffer;

2) De bloedsporen van [slachtoffer] op de kleding van verdachte.

Wat al deze sporen met elkaar verbindt is dat daaruit blijkt van een zeer sterke bevestiging van het ‘beeld’ dat het vooral verdachte is geweest die sporen op het lichaam en de kleding van het slachtoffer heeft achtergelaten doordat hij haar heeft aangeraakt - op wat voor wijze dan ook - in de periode kort vóór haar overlijden.

1) De sporen op het lichaam en de kleding van het slachtoffer

Uit forensisch onderzoek blijkt dat er stevig geweld op het slachtoffer is uitgeoefend. Zij is door geweld om het leven gekomen, er lijkt sprake te zijn van afweerletsel, er is een stoel kapot aangetroffen, de door het slachtoffer gedragen legging was kapot. , , Het is te verwachten dat bij een dergelijke vechtpartij sporen achterblijven op het lichaam van het slachtoffer die aan de dader zijn te relateren. Het overgrote deel van de op het lichaam en kleding van [slachtoffer] aangetroffen sporen is te relateren aan verdachte. Bij DNA-vergelijkend onderzoek van het sporenmateriaal met celmateriaal van verdachte zijn autosomale matches vastgesteld, Y-chromosomale matches, onvolledige Y-chromosomale matches en Y-chromosomale mengprofielen waarbij verdachte niet uitgesloten kan worden. Voorts zijn er nog sporen aangetroffen die nevenkenmerken van verdachte bevatten en waarvan geen berekening te maken is.

Verder zijn er partiële matches gevonden. Op de door het slachtoffer gedragen top, BH en legging zijn zoveel sporen met matches met celmateriaal van verdachte aangetroffen dat individualisering daarvan geen toegevoegde waarde heeft. Het beeld past - heel anders dan bij de van NN op het slachtoffer aangetroffen sporen - bij veelvuldig, intensief contact. Een aantal sporen valt op:

• bloed in combinatie met DNA van verdachte op andere kleding dan de legging (bloed op sokken slachtoffer met DNA van verdachte) ;

• celmateriaal van verdachte op de binnenkant van de BH-cups ;

• bloed op de onderrand van de top in combinatie met DNA van verdachte ;

• bloedspoor op de riem en partiële match met verdachte. Het aangetroffen spoor is aangetroffen op het beschermd zittende labeltje van de riem. Het zit niet tegen de legging aan maar tegen de top.

Potentieel delict-gerelateerd zijn ook:

• het spoor rechts op de buitenkant van de legging (4877-09)

• spoor op legging rechts 4877-15sf met partiële match verdachte rondom de beschadigingen onderaan ;

• een mengprofiel links op de legging 4877-12 waarin celmateriaal van verdachte kan zitten ter hoogte van de plaats waar de legging kapot lijkt te zijn getrokken ;

• nagel links: partiële match met verdachte; bij verdachte valt op dat er bij de aanhouding een wondje op zijn gezicht is aangetroffen; dit kan passen bij een gevecht waarbij [slachtoffer] verdachte heeft bekrast, waardoor het celmateriaal in haar nagels zit. ,

Uit de rapportages van het IFS volgt ook dat het celmateriaal van verdachte matcht met talloze sporen aangetroffen op de kleding van het slachtoffer (de legging , de top , de BH ); vrijwel alle bemonsteringen die gedaan zijn van mogelijke greepsporen en/of gerelateerd zijn aan blauwe plekken van het slachtoffer hebben enige match met verdachte.

Wat betreft het aangetroffen spoor in de hals (4883-01) geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit een delict-gerelateerd spoor betreft dat te relateren is aan verdachte [verdachte].

Het onderzoek van de ketting (4876 NL) levert ook alleen maar resultaten op die bij verdachte passen, onder andere tweemaal een partieel Y-chromosomaal profiel (4876-1/4876-3).

In het verlengde daarvan wijzen ook de resultaten van het DNA-vergelijkend onderzoek van het sporenmateriaal aan de halsketting - waarover in het rapport van de deskundige

S. Eikelenboom-Schieveld wordt opgemerkt dat “zeer waarschijnlijk de halsketting met geweld in de hals gedrukt is” - naar verdachte nu uit dat onderzoek door de deskundige

R. Eikelenboom blijkt van een match met het celmateriaal van verdachte.

De rechtbank komt op basis van de resultaten van het forensisch onderzoek van het sporenmateriaal op lichaam en kleding van het slachtoffer tot de conclusie dat de uitkomsten daarvan niet alleen ondersteunend zijn voor de op basis van de door verdachte achtergelaten digitale en telecommunicatiesporen door de rechtbank vastgestelde aanwezigheid van verdachte in de woning van het slachtoffer in de nacht van 10 op 11 december 2010, maar ook een directe relatie aantonen tussen verdachte en de op het lichaam en de kleding van het slachtoffer gevonden sporen. Voor zover van andere bekende personen dan verdachte sporen zijn aangetroffen, kunnen deze personen ([getuige 8] en [getuige 3]) op basis van het tactisch opsporingsonderzoek als verdachte worden uitgesloten. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de NN-man 1 van wie er - behoudens het spoor in de hals van het slachtoffer - geen sporen zijn aangetroffen op lichaam en kleding van het slachtoffer. Dat is minst genomen opmerkelijk nu er een aantal sporen is aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer] die wijzen op een worsteling, afweren en een gevecht. Ook de aangetroffen kapotte stoel wijst op een heftige interactie tussen de dader en het slachtoffer.

De enige vier andere sporen zijn sporen waarvan slechts niet is uit te sluiten dat het NN-man 1 betreft; de match met NN-man 1 betreft immers een match op heel beperkte loci (1 of 2), die bij een groot deel van de wereld- en Nederlandse bevolking worden aangetroffen en waarvan het IFS in zijn laatste rapport dan ook aangeeft dat er maar heel beperkt waarde aan kan worden gehecht. Bovendien heeft de deskundige R. Eikelenboom ter terechtzitting van 3 december 2012 naar voren gebracht dat hij niet zeker is van het profiel van de NN1-man, nu het bij het samenstellen van het profiel om veel aannames gaat.

De stelling dat verdachte de dader is wordt daarnaast forensisch ondersteund door:

2) de bloedsporen op de kleding van verdachte

Het gaat om sporen die zijn gevonden op de zoom van de rechtermouw van het T-shirt van verdachte (4847-1/3) , op de linkermanchet van de sweater van verdachte (4850-1/3) en aan de binnenzijde van de sweater (4850-2) . Ook deze sporen ondersteunen het scenario dat verdachte degene is die [slachtoffer] om het leven gebracht heeft. Op basis van het onderzoek kan aangenomen worden dat het slachtoffer ten tijde van het delict heeft gebloed. Op de kleding van verdachte zijn bloedsporen aangetroffen. De afgenomen bemonsteringen daarvan matchen met het DNA van het slachtoffer.

In zijn eerste rapportage stelt de deskundige R. Eikelenboom dat een sterke extra indicatie voor het veroorzaken van de aangetroffen sporen op de kleding van verdachte tijdens de verwurging zou kunnen zijn de verschijningsvorm: te weten kleine spatjes. Bij zijn nadere onderzoek heeft de deskundige R. Eikelenboom - zo verklaarde hij ter zitting - de bloedspatten bekeken onder extra infrarood licht en hij is tot de conclusie gekomen dat het inderdaad heel wel spatjes kunnen zijn. Ter terechtzitting van 3 december 2012 heeft de deskundige R. Eikelenboom het nog eens gezegd: “de vorm is typisch voor bloedspatten”. De aanwezigheid van spatjes geeft steun aan het scenario dat deze bloedspatten zijn veroorzaakt ten tijde van het wurgen van [slachtoffer] door verdachte.

De deskundige R. Eikelenboom verklaarde ter terechtzitting van 27 september 2012: “Geconcludeerd kan worden dat de overdracht van het bloed van het slachtoffer op het T-shirt moet zijn gebeurd bij een incident waarbij het slachtoffer gewond is geraakt”. Zonder alternatieve verklaring, die ontbreekt, voor het ontstaan van de bloedvlek op het T-shirt van verdachte op een ander moment dan in de nacht van 10 op 11 december 2010, komt de rechtbank op basis van het dossier en van het onderzoek ter terechtzitting tot de conclusie dat dat incident heeft plaatsgevonden in de nacht van 10 op 11 december 2010.

Oordeel rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen betreffende de historische printgegevens, de resultaten van het digitale onderzoek met betrekking tot het inloggen op de accounts van verdachte op de computer van het slachtoffer in de nacht van 10 op 11 december 2010 en de resultaten van het forensisch onderzoek dat verdachte de persoon is die in de nacht van 10 op 11 december 2010 het slachtoffer [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

De verklaringen die verdachte daar tegenover heeft gesteld passen, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet bij de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. Opmerkelijk is in dit verband nog dat verdachte pas in een heel laat stadium is gaan verklaren nadat hij kennis heeft kunnen nemen van het dossier en het tegen hem aanwezige belastende bewijsmateriaal. Hetgeen verdachte uiteindelijk heeft verklaard, is op basis van het hieronder beschreven nadere onderzoek niet aannemelijk geworden. Ook heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij op zondag 12 december 2010, nog voordat [slachtoffer] door haar ouders was gevonden, op de computer van zijn grootouders aan de [adres grootouders] heeft gezocht naar informatie over [slachtoffer]. Ten slotte heeft de rechtbank geconstateerd dat verdachte na de intensieve chatcontacten met [slachtoffer] op vrijdag 10 december 2010 tot aan zijn aanhouding op zondag 12 december 2010 geen enkel zichtbaar contact meer heeft gezocht met [slachtoffer].

Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 september 2012 verklaard dat hij in de nacht van donderdag 9 december 2010 op vrijdag 10 december 2010 in de woning van [slachtoffer] seks met haar gehad heeft en dat daaruit de sporen op zijn kleding en op de kleding van [slachtoffer] kunnen worden verklaard. Verdachte heeft ter terechtzitting op 11 maart 2013 nog nader verklaard dat hij op 9 december 2010 om ongeveer 21.00 uur bij [slachtoffer] was in haar woning aan de [adres slachtoffer] en daar in de vroege ochtend van vrijdag 10 december 2010 om ongeveer 05.00 uur is weggegaan. Naar aanleiding van die verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 september 2012, heeft de politie nader onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek is niet kunnen blijken dat verdachte op die donderdagavond/nacht bij [slachtoffer] is geweest. Er is geen inlog vastgesteld op één van zijn accounts op de computer van [slachtoffer]. Op 09 december 2010 te 20.46.54 uur is er één uitgaand sms-contact van het telefoonnummer 06-[nummer 1 verdachte] ([verdachte]) naar het telefoonnummer 06-[nummer 1 slachtoffer] ([slachtoffer]) vastgesteld. Volgens de provider Vodafone betrof dit een poging.

[slachtoffer] heeft op donderdagavond 9 december 2010 vanaf ongeveer 17.30 uur tot 22.00 uur bezoek gehad van [getuige 13]. Getuige [getuige 13] heeft ook de kleding beschreven die [slachtoffer] die avond droeg: een topje in een grijze tijgerprint met daaronder een spijkerbroek en pumps. Voor zover verdachte heeft verklaard dat hij die avond om ongeveer 21.00 uur bij [slachtoffer] was, wordt dit derhalve weersproken door de verklaring van [getuige 13] die verdachte die avond niet heeft gezien bij [slachtoffer]. Ook droeg [slachtoffer] geen kerstpakje - zoals door verdachte is verklaard - toen [getuige 13] om ongeveer 22.00 uur de woning van [slachtoffer] verliet.

Opmerkelijk is voorts dat uit onderzoek is gebleken dat bij een aantal foto’s van [slachtoffer], [dochter slachtoffer] en [slachtoffer] en [dochter slachtoffer] samen in de in de woning van verdachte aan de [adres verdachte] in beslag genomen telefoon (merk Samsung) de status ‘verwijderd’ stond. Bij een aantal van deze verwijderde foto’s stond als datum ‘aangepast’ de datum 9 december 2010 omstreeks 22.00 uur vermeld. Verdachte heeft ter terechtzitting op 11 maart 2013 hiernaar gevraagd verklaard dat hij die foto’s heeft verwijderd uit zijn telefoon omdat hij die verwijderde foto’s ook al op zijn computer had. Dat zou dan volgens verdachte gebeurd moeten zijn toen hij volgens zijn verklaring bij [slachtoffer] op bezoek was. De rechtbank acht ook dat niet aannemelijk.

Ter terechtzitting op 27 september 2012 en 11 maart 2013 heeft verdachte verder nog verklaard dat hij in de periode van zijn beweerde verblijf in de woning van [slachtoffer] van

9 december 2010 omstreeks 21.00 uur tot 10 december 2010 omstreeks 05.00 van kleding gewisseld heeft en kleding op de slaapkamer van [slachtoffer] heeft achtergelaten. Daarna zou verdachte niet meer in de woning van [slachtoffer] geweest zijn zodat de aangetroffen sporen op de kleding die hij bij zijn aanhouding droeg, daarop terecht gekomen zouden moeten zijn hetzij toen hij van donderdagavond 9 december 2010 omstreeks 21.00 uur tot vrijdagochtend 10 december 2010 omstreeks 05.00 uur bij [slachtoffer] in haar woning was, hetzij al vóór het moment in die nacht waarop hij die kleding aangetrokken heeft. De politie heeft nader onderzoek gedaan naar de bewering van verdachte dat hij in de periode van donderdagavond 21.00 uur tot vrijdagochtend 05.00 uur in de woning van [slachtoffer] van kleding gewisseld heeft en kleding in de woning van [slachtoffer] heeft achtergelaten. Op basis van dat onderzoek kan geconcludeerd worden dat uit niets is gebleken, dat kledingstukken van [verdachte] in de woning/op de slaapkamer van [slachtoffer] zijn achtergebleven zoals verdachte ter terechtzitting op 27 september 2012 en 11 maart 2013 heeft verklaard. Evenmin is gebleken van een bloedvlek op de matras waarvan verdachte ter terechtzitting van 27 september 2012 heeft verklaard dat hij die heeft waargenomen. Wat betreft de kleding van verdachte komt daar nog bij dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte ook al vóór donderdagavond 9 december 2010 in de kleding gezien is waarop later het belastende sporenmateriaal is aangetroffen. De oma van verdachte heeft verklaard dat verdachte op zondagochtend 12 december 2010 bij haar en haar man in hun woning aan de [adres grootouders] kwam en toen dezelfde kleding (witte trui met capuchon) droeg als op woensdag. Dat volgt ook uit het tapgesprek van 13 december 2012 tussen oma [getuige 4] en de moeder van verdachte. In dat gesprek zegt oma dat [verdachte] dezelfde kleding al vanaf donderdag aan had en dat het ook niet in de wasmachine is geweest.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het dan ook niet aannemelijk dat verdachte in de nacht van 9 op 10 december 2010 in de woning van [slachtoffer] is geweest.

Motief

Op grond van wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat verdachte [slachtoffer] in de nacht van 10 op 11 december 2010 van het leven heeft beroofd. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid en betrouwbaarheid van de gebezigde bewijsmiddelen te twijfelen. De overtuiging van de rechtbank op basis van wettige bewijsmiddelen is nog eens versterkt door het feit dat het afbreken van de zwangerschap door [slachtoffer] voor verdachte blijkens daarover afgelegde verklaringen van getuigen onverteerbaar was.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer] op 18 oktober 2010 een abortus heeft laten uitvoeren. , , Zij was zwanger van [verdachte] en wilde geen kind van [verdachte]. Diverse getuigen hebben verklaard dat [verdachte] daar boos over was. Ook hebben getuigen verklaard dat [slachtoffer] erg bang was voor [verdachte]. , , , [verdachte] kan erg agressief zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting op 11 maart 2010 verklaard dat de kwestie van de abortus tussen hem en [slachtoffer] was uitgesproken op 4 november 2010. Eerder heeft verdachte over het incident op 4 november 2010 andersluidend verklaard. , De rechtbank acht het dan ook aannemelijk mede gelet op de verklaringen van getuigen over de gemoedstoestand van verdachte na de door [slachtoffer] ondergane abortus dat de kwestie van de abortus en de boosheid van verdachte daarover wel degelijk een rol kan hebben gespeeld bij het ontstaan van een ruzie tussen verdachte en het slachtoffer in de nacht van 10 op 11 december 2010 met fatale afloop voor het slachtoffer. , , , , , ,

De rechtbank is van oordeel dat de hiervóór door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden wijzen op rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij de dood van [slachtoffer]. Deze feiten en omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwt de rechtbank als redengevend voor de conclusie dat verdachte, op de wijze zoals hierna bewezen wordt verklaard, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Andere denkbare mogelijkheden die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat verdachte ondanks alle voor verdachte belastende feiten en omstandigheden niet bij de dood van [slachtoffer] is betrokken, zijn naar het oordeel van de rechtbank zoveel mogelijk onderzocht. Deze onderzoeken hebben geen van alle iets opgeleverd in vorenbedoelde zin. Tenslotte betrekt de rechtbank ook in haar overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring, het feit dat verdachte er kennelijk voor gekozen heeft om voor de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend zijn voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring te geven.

Op grond van alle boven genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 11 december 2010 opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

6.4 De conclusie

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft de rechtbank de overtuiging gekregen en acht de rechtbank wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 december 2010 te Almelo, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet samendrukkend geweld op de keel/hals van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging eventueel voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

7. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: doodslag.

8. De strafbaarheid van de verdachte

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde.

9. De op te leggen straf en/of maatregel

9.1 De officier van justitie heeft op basis van de zich in het dossier bevindende rapporten over verdachte primair geconcludeerd dat er bij verdachte ten tijde van het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, op grond waarvan moet worden uitgegaan van enige vorm van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Nu blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte bovendien sprake is van gevaar voor herhaling, is terbeschikkingstelling met dwangverpleging de aangewezen maatregel. Naast oplegging van deze maatregel heeft de officier van justitie oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren gevorderd.

Voor het geval de rechtbank niet tot oplegging van de gevorderde maatregel komt, acht de officier van justitie oplegging van de maximale gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren op zijn plaats.

Door en namens verdachte is primair naar voren gebracht dat er geen sprake kan zijn van oplegging van een straf of maatregel nu verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair is aangevoerd dat een eis van vijftien jaren wel bij moord past maar niet bij doodslag en dat oplegging van terbeschikkingstelling niet in overeenstemming is met de wet en de jurisprudentie.

9.2 De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft opzettelijk [slachtoffer], een jonge vrouw en moeder van haar destijds bijna twee jaar oude dochtertje [dochter slachtoffer], door verwurging van het leven beroofd. Hij heeft haar in haar woning achtergelaten terwijl haar dochtertje boven in haar bed lag en een jonge hond los in de woning liep. Omdat verdachte zijn daad op geen enkele wijze heeft gemeld, heeft het bovendien kunnen gebeuren dat de ouders het door de hond geschonden lichaam van hun dochter eerst na ruim anderhalve dag hebben gevonden. Bovendien heeft verdachte er kennelijk geen been in gezien om [dochter slachtoffer] alleen achter te laten.

Verdachte heeft door zijn handelen de nabestaanden enorm en onherstelbaar leed toegebracht. Zij hebben door toedoen van verdachte hun moeder, dochter en zus verloren. Uit de slachtofferverklaring die de moeder van [slachtoffer] ter zitting van 11 maart 2013 heeft voorgelezen, blijkt welke grote impact het overlijden van [slachtoffer] nog iedere dag heeft op het leven van de familie.

Over de toedracht en de omstandigheden waaronder zij het leven heeft gelaten, tast een ieder behalve verdachte in het duister. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij in het bijzonder en vooral in de richting van de familie van [slachtoffer] op geen enkele manier uitleg heeft gegeven over wat hem tot zijn daad heeft gebracht noch over de wijze waarop [slachtoffer] aan haar einde is gekomen.

Als gezegd kan de rechtbank bij gebreke van een verklaring van de kant van verdachte daarover, niet vaststellen wat er is voorgevallen tussen verdachte en het slachtoffer, maar in het onderzoek is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen voor welke verzachtende omstandigheid dan ook die ten voordele van verdachte zou kunnen werken.

Het strafdoel waar het bij doodslag om draait, is vergelding. Door oplegging van straf wordt uiting gegeven aan de maatschappelijke verontwaardiging die volgt op het opzettelijk doden van een persoon en wordt het leed erkend dat door de nabestaanden wordt gevoeld.

Daaraan kan slechts uitdrukking worden gegeven door de veroorzaker van dat leed een langdurige gevangenisstraf op te leggen. Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige doodslag zoekt de rechtbank aansluiting bij de straffen die plegen te worden opgelegd bij dit soort feiten.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte eerder wegens geweldsdelicten is veroordeeld. Op 20 februari 2008 is verdachte door de kinderrechter in de rechtbank Almelo wegens diefstal en wegens bedreiging van zijn moeder met zware mishandeling veroordeeld tot 14 dagen jeugddetentie onvoorwaardelijk en een werkstraf van 10 uren voorwaardelijk.

De politierechter in die rechtbank heeft verdachte op 16 april 2009 wegens afpersing veroordeeld tot een gevangenisstraf van 150 dagen waarvan 76 dagen voorwaardelijk met tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde voorwaardelijke werkstraf.

Op 24 juli 2012 is verdachte door de politierechter in de rechtbank Almelo wegens vernieling, mishandeling en huisvredebreuk tegen [slachtoffer] in haar woning gepleegd, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. De rechtbank houdt enerzijds op de voet van artikel 63 Sr. rekening met dit vonnis, maar anderzijds heeft het ook te gelden als strafverzwarende omstandigheid nu het feiten betreft die verdachte op 4 november 2010, dus korte tijd vóór het nu bewezen verklaarde feit tegen [slachtoffer] in haar woning heeft gepleegd.

De hiervóór beschreven feiten en omstandigheden zijn strafverhogend, terwijl, zoals al opgemerkt, uit het onderzoek ter terechtzitting geen enkele aanwijzing naar voren gekomen is voor welke verzachtende omstandigheid dan ook die ten voordele van verdachte werkt,

behoudens hetgeen hierna over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte is overwogen.

9.3 De rechtbank zal thans ingaan op de vraag of bij verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond en zo ja, of de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

Verdachte heeft vanaf zijn aanhouding ter zake van verdenking van betrokkenheid bij de gewelddadige dood van [slachtoffer] steeds geweigerd medewerking te verlenen aan gedragskundig onderzoek met betrekking tot het thans bewezenverklaarde feit. Laatstelijk blijkt dit uit het pro justitia rapport, opgemaakt op 21 december 2012 door de psychiater

dr. L.H.W.M. Kaiser en het pro justitia rapport, opgemaakt op 22 januari 2013 door de klinisch psycholoog M. Kemink. Beide deskundigen hebben gerapporteerd dat verdachte medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd.

Vooropgesteld moet worden dat in het kader van de vraag of een last tot terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a Sr moet worden gegeven, het aan de rechter is die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechter laat zich daartoe ingevolge artikel 37a, derde lid, Sr waarin artikel 37, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing is verklaard, een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – die de betrokkene hebben onderzocht. De rechter heeft een eigen verantwoordelijkheid waar het betreft de vaststelling of bij een verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Hij is daarbij niet gebonden aan door deskundigen ingevolge artikel 37, tweede lid, Sr uitgebrachte adviezen. Zonder vaststelling dat de verdachte ten tijde van het feit lijdende was aan gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens ten tijde van het gepleegde feit, kan geen terbeschikkingstelling worden opgelegd. Indien sprake is van een weigerende observandus zoals in de onderhavige zaak, is ingevolge artikel 37a, derde lid, Sr waarbij bepaald is dat artikel 37, derde lid, Sr van overeenkomstige toepassing is, oplegging van TBS ook mogelijk zonder het in artikel 37, tweede lid, Sr bedoelde multidisciplinaire deskundigenadvies. De rechtbank zal zich in dat geval in zeer sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechtbank haar eigen verantwoordelijkheid moeten nemen voor zover de wet haar daartoe de ruimte geeft.

Voor de beantwoording van de vraag of bij verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit al dan niet een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond, acht de rechtbank de volgende zich in het dossier bevindende rapporten over verdachte en de daaraan ontleende, hieronder zakelijk weergegeven, overwegingen en conclusies van belang:

- de rapportage pro justitia van 13 december 2005, opgemaakt door W. van der Wal, psycholoog te Leek:

De rapporteur geeft in zijn rapport in de paragraaf ‘gesprek over het ten laste gelegde’ de volgende weergave van hetgeen [verdachte] hem daarover verteld heeft.

“Over de tenlastelegging (diefstal van goederen uit de woning van zijn ouders in augustus 2005 en bedreiging van zijn moeder op of omstreeks 6 september 2005 in de gemeente Almelo) merkt [verdachte] op dat deze niet helemaal klopt. Hij vindt het onterecht dat hij beschuldigd wordt van diefstal. [verdachte] vertelt dat hij tijdens de zomervakantie alleen thuis was en in die periode veel vrienden over de vloer gehad heeft. Hij sluit niet uit dat zij spullen weggenomen hebben, maar heeft daar zelf niets van vernomen. [verdachte] vertelt blijkbaar onder invloed van weed bekend te hebben aan zijn ouders dat hij spullen gestolen had, wat hij op het politiebureau heeft teruggenomen. Hij stelt geen enkele reden te hebben gehad om te stelen, aangezien hij genoeg geld van zijn ouders kreeg en ook "niet zo dom is" om thuis iets te stelen. [verdachte] vertelt dat er door alle feestjes veel rotzooi in huis ontstond. Zo lagen er flessen op de grond. Toen zijn ouders terugkwamen van vakantie eisten zij van hem dat hij alles zou schoonmaken. [verdachte] vond dat terecht, maar kon er niet goed tegen dat zijn moeder hem tijdens het werk steeds op de vingers keek. Toen hij een pauze wilde nemen en even buiten wilde gaan zitten, begon zijn moeder tegen hem te schreeuwen. [verdachte] vertelt dat er iets in hem knapte toen zij hem een klap in zijn gezicht gaf. Hij heeft toen uit kwaadheid zijn moeder gedreigd dat hij haar hoofd of keel zou afsnijden. [verdachte] meende dat niet, maar was de controle even kwijt, zoals hem wel vaker gebeurt tijdens een driftbui. Zijn oma (moederszijde) is nog tussenbeiden gesprongen, omdat zij bang was dat [verdachte] zijn moeder zou aanvliegen. Hij is vervolgens boos weggelopen en kalmeerde na verloop van een paar minuten. Zijn moeder was geschokt door zijn dreigement, maar het gebeurde is niet goed uitgepraat, aldus [verdachte]. Hij vond het zijn moeders schuld, omdat zij hem geslagen had, terwij1 zijn moeder van hem eiste dat hij zijn excuses zou aanbieden, wat hij geweigerd heeft. [verdachte] vertelt dat hij al langere tijd overhoop ligt met zijn moeder, die net als hij snel boos is en dan uithaalt. Er bleven thuis spanningen bestaan, omdat zij dreigde aangifte te doen van bedreiging als [verdachte] weigerde naar Tactus te gaan vanwege zijn drugsverslaving. Moeder heeft uiteindelijk een paar weken later alsnog de politie ingeschakeld na een volgende uit de hand gelopen ruzie. [verdachte] vertelt daarover dat hij die dag wat uit zijn evenwicht gebracht was doordat zijn oma tijdens zijn bezoek aan haar was flauwgevallen. Hij voelde zich daar schuldig over, omdat zij snel gestresst is en er problemen mee had dat hij drugs gebruikte. Na dat bezoek is hij naar huis gegaan, waar zijn moeder over een op die dag geplande afspraak bij Tactus begon. [verdachte] had echter tijd voor zichzelf nodig en wilde niet naar die afspraak gaan. Toen zijn moeder daarop doorging heeft hij uit boosheid een schaar van de tafel gepakt, wat zijn moeder heeft opgevat als een bedreiging. Zij is diezelfde dag nog naar de politie gegaan. De volgende dag werd [verdachte] thuis aangehouden. Hij had verwacht dat hij hoogstens twee weken vastgehouden zou worden en was dan ook geschokt toen hij naar De Sprengen gebracht werd, waar hij nog steeds vastzit”.

En verder:

“In de sociaal-emotionele ontwikkeling valt enige achterstand op gelet op gebrekkige sociale- en copingvaardigheden en een egocentrische instelling. [verdachte] is beperkt in staat adequaat uiting te geven aan gevoelens van onvrede, wat zich vertaalt in acting-out gedrag. Voorts bestaat een neiging tot automutilerend gedrag. Op relationeel vlak doen zich vaak conflicten voor, waarbij ook agressieve impulsen opkomen. Hierin valt een verstoorde agressieregulatie op. Er is sprake van een ernstige gedragsstoornis van het adolescente type gelet op een patroon, waarin sociale normen en regels overtreden werden en agressie voorkwam.

[verdachte] laat ten aanzien van het gepleegde wel enige spijt zien, maar dit is weinig doorleefd. Hij kan zich beperkt inleven in de gevoelens van zijn moeder, laat weinig empathie zien en stelt zich op in de slachtofferrol. In de persoonlijkheidsstructuur komen wat narcistische en antisociale trekken naar voren.

Gelet op de gedragsproblematiek is [verdachte] gebaat bij een hoge mate van begrenzing. Zijn ouders tonen zich betrokken, maar zijn onmachtig gebleken om [verdachte] adequaat bij te sturen.

Naar mijn mening werd zijn zelfcontrole enigszins beperkt door een geringe impulsbeheersing. De toerekenbaarheid kan men dan ook als licht verminderd zien.

De kans op recidive is reëel gelet op de ernst van de gepleegde feiten, welke zijn voortgekomen uit een geringe impulscontrole. Gebleken is dat [verdachte] ook in de afgelopen tijd bij herhaling vervallen is in grensoverschrijdend agressief gedrag. Voorts heeft hij blijk gegeven van een gebrekkig oog voor sociale normen en regels.

Een verplicht contact met de jeugdreclassering in de vorm van de maatregel Hulp en Steun is aangewezen.

De voorgestelde residentiële behandeling zou opgelegd kunnen worden als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel”.

- de rapportage pro justitia van 6 april 2009, opgemaakt door prof. dr. Baneke, klinisch en forensisch psycholoog:

“Betrokkene is een 20-jarige jongeman, die verdacht wordt van mishandeling en beroving van een leeftijdgenoot. Deze laatste zou over hem geroddeld hebben. Vooral dat de roddels bij meisjes uit zijn omgeving terecht konden komen, was voor betrokkene erg krenkend en leidde tot hevige woede bij hem. Hij zegt vaker last te hebben van plotselinge woedeaanvallen, waarbij hij zichzelf onvoldoende onder controle kan houden. Van jongs af aan is hij druk geweest. Mogelijk is dit mede een gevolg van een licht hersentrauma na een tangverlossing bij de geboorte, waardoor centra voor impulsregulatie minder goed zijn gaan functioneren. De instabiele gezinssituatie in de eerste levensjaren, mede omdat vader verslaafd was aan alcohol, uit het gezin vertrok, en moeder moest werken, en vervolgens stiefvader in het gezin kwam, heeft zeker zijn invloed gehad op betrokkene. Er zijn ook narcistische trekken, betrokkene is snel gekrenkt in zijn zwakke identiteit. De onderliggende problematiek is waarschijnlijk ernstiger dan in het contact naar voren komt. De woede-uitbarstingen kunnen opgevat worden als een periodieke explosieve stoornis, maar kunnen ook passen bij de oppositionele trekken en/of opgevat worden als reacties op narcistische krenkingen. Op dit moment zijn er oppositionele trekken, passend bij de stagnaties in de emotionele ontwikkeling van betrokkene. Sinds zijn veertiende jaar blowt betrokkene. Betrokkene heeft zich enige tijd kunnen onthouden, maar bij toenemende stress valt hij snel terug. Eerder heeft hij zijn moeder ernstig bedreigd. Daarvoor is hij veroordeeld en vervolgens behandeld/getraind in Glen Mills. Hij heeft vervolgens enige tijd begeleiding/training bij Tactus gevolgd, maar zich daar vrij snel aan onttrokken. Hij had werk en dat zou redelijk zijn verlopen. Maar mede door het blowen ontstonden al weer snel problemen in de thuissituatie, en ten slotte ook in het werk. In de laatste periode vóór het ten laste gelegde plaatsvond, kreeg betrokkene een eigen woning. Maar toen hij op bezoek was bij zijn halfzusje, die in Frankrijk in een Nederlands pleeggezin verbleef, zou zijn vriendin vreemd gegaan zijn. Dat hoorde betrokkene van een vriend en onmiddellijk verbrak betrokkene de relatie met zijn vriendin. Het huidige slachtoffer zag hij voor het eerst in haar aanwezigheid in de periode dat het net uit was met zijn ex. De manier waarop het slachtoffer hem aankeek, beviel betrokkene al niet. Maar toen hij - volgens 'vrienden' van betrokkene - negatieve kwalificaties over betrokkene rondstrooide, barstte de bom. Betrokkene wilde wraak nemen en leidde het slachtoffer in een val. Tegelijk riep het zien van de jongen bij betrokkene opnieuw heftige woede op. Achteraf zegt betrokkene dat hij het beter had kunnen uitpraten met de jongen, maar het is de vraag of hij daartoe in staat zou zijn. Er is genoeg reden om te proberen betrokkene daarvoor te behandelen en/of te trainen.

Bij betrokkene was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde (rechtbank: 317 Sr.) sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling, in casu van een periodieke explosieve stoornis, van een gestagneerde psychosociale ontwikkeling, een zwakke identiteit, oppositionele en narcistische trekken, en afhankelijkheid van cannabis. Er zijn lichte indicaties voor stemmingswisselingen.

De combinatie van deze factoren kan bij een zwakke sociale structuur, in casu geen werk, verkeerde vrienden en dergelijke zeer riskant worden en leiden tot meer afwijkend (psychisch gestoord en/of delinquent) gedrag en tot de ontwikkeling van een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis.

Het is van groot belang de genoemde (mogelijke) negatieve ontwikkeling te stoppen. Daartoe is het van belang dat betrokkene binnen het kader van een (gedeeltelijke) voorwaardelijke straf begeleid wordt door de reclassering en behandeld/begeleid wordt. Omdat betrokkene tot de huidige detentie nog begeleid werd door de jeugdreclassering, is het mogelijk deze begeleiding nog enige tijd te continueren. Ook hervatting van behandeling door Tactus is zeer gewenst”.

- de pro justitia rapportage van 12 januari 2011, opgemaakt door [getuige 11],

GZ-psycholoog:

“De generaliserende beschrijving vanuit de MMPI-2, gelegd naast de gedragspatronen zoals betrokkene die zelf weergeeft in de autoanamnese, zoals die uit de relevante gerechtelijke informatie naar voren komen, in het bijzonder de eerdere pro justitia rapportage, en zoals onderzoeker deze enigszins heeft vast kunnen stellen in de te beperkte tijd, geven wel een consistent beeld. Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheid met antisociale trekken. Vooral bij krenking is onderzochte kwetsbaar in de zin dat hij zich dan impulsief agressief kan uiten.

Omdat het onderzoek na één gesprek werd afgebroken (rechtbank: omdat verdachte in voorlopige hechtenis kwam voor het onderhavige feit) is er onvoldoende informatie om tot een zinvolle beantwoording van de vraagstelling te komen”.

- het reclasseringsrapport van 8 november 2010:

“Betrokkene wordt verdacht van huiselijk geweld richting zijn ex-vriendin [slachtoffer]. Tijdens het gesprek op het politiebureau was betrokkene behoorlijk emotioneel en kon hij zich niet alles meer herinneren wat er desbetreffende avond is gebeurd. Onzes inziens is de kans op recidive momenteel hoog. Betrokkene heeft nog steeds haatgevoelens richting zijn ex en heeft meerdere malen aangegeven haar iets aan te willen doen. De reclassering vindt het belangrijk dat betrokkene het hulpverleningstraject voortzet en dat met desbetreffende hulpverleners wordt bekeken of het plan van aanpak veranderd dient te worden”.

De rechtbank constateert ten slotte dat de psychiater dr. L.H.W.M. Kaiser in zijn rapport van

21 december 2012, zakelijk weergegeven, heeft vermeld dat hij uit het dossier opmaakt dat er bij verdachte sprake is van al lang, nu en op het moment van het ten laste gelegde, bestaande structurele problematiek, die minder geworden zou kunnen zijn indien behandeling zou hebben plaatsgevonden.

Voorts heeft de klinisch psycholoog M. Kemink in haar pro justitia rapport van 22 januari 2013, zakelijk weergegeven, opgemerkt dat zij sterke vermoedens heeft over het bestaan van een ernstig structureel psychisch probleem.

De rechtbank legt verder de volgende feiten en omstandigheden aan haar oordeel ten grondslag.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 22 december 2005, inhoudende als verklaring van verdachte onder meer:

“Ik heb één keer ruzie met [naam C] gehad. We waren op een avond in de stad in Almelo. Ik had te veel bier gedronken. Ik was daar met vrienden en met [naam C]. Ik zag op straat een man op straat staan. Ik dacht te hebben gezien dat [naam C] deze man op zijn mond zoende. Ik werd toen heel erg kwaad en wilde weglopen. [naam C] pakte mij toen vast aan mijn linkerschouder. Uit een reflex heb ik haar toen met mijn rechtervuist met kracht op haar linkerzijde van haar gezicht geslagen”.

Het proces-verbaal van de politie dat betrekking heeft op de hiervoor vermelde feiten van

4 november 2010, voor zover bevattende:

- de tegenover de politie afgelegde verklaring van verdachte, die onder meer het volgende inhoudt:

“Van woensdag op donderdag 3 op 4 november 2010 heb ik medicijnen van mijn opa geslikt. Dit waren slaappillen, Temazepam, 30 mg. Ik heb er 20 van gehad.

Ik weet niet wat er donderdagochtend is gebeurd. Zo rond 12.00 uur 's middags ben ik opgehaald door iemand van het uitzendbureau, [uitzendbureau]. Ik ben toen naar het ziekenhuis gebracht. Ik weet nog dat er plakkers op mijn lichaam zijn geplakt en dat er bloed is afgenomen. Volgens mij ben ik later door mijn moeder opgehaald. Ik kan mij tenminste haar stem nog herinneren.

Ik ben toen met mijn moeder meegegaan. Volgens mij ben ik naar het huis van mijn moeder gegaan. Zij woont aan de [adres] te Almelo.

Als ik terug denk aan die dag zie ik alleen maar wolken. Voor mijn gevoel ben ik de hele dag een zombie geweest. Als ik mij nu nog concentreer op dingen, zie ik dingen groter en kleiner worden. Voor mijn gevoel is dit nog een nasleep van de medicijnen”.

- het relaas van de verbalisanten:

Op zaterdag 6 november 2010 te 10.15 uur hoorden wij, verbalisanten, verdachte [verdachte].

De verdachte wenste geen sociale verklaring af te leggen omdat dat niet ter zake dienende was. Tevens gaf de verdachte aan dat hij, als hij wilde zo uit het cellencomplex kon ontsnappen, want: “Een kat in het nauw maakt rare sprongen”.

Ook gaf hij aan het begin van het verhoor aan dat hij, als hij vrij kwam, wij wel zouden merken wat er zou gebeuren. Hij doelde hiermee op het feit dat hij of zelfmoord ging plegen of dat hij iemand anders wat aan zou doen.

Verdachte heeft in de nacht van 3 op 4 november 2010 20 slaappillen ingenomen om een eind aan zijn leven te maken. Verdachte vertelde ons, verbalisanten, dat hij dit zo weer zou doen.

De verklaring van de getuige [getuige 21], jeugdreclasseringswerker, van 20 december 2010 (blz. 947 t/m 950) evenals de door haar opgestelde rapporten en verslagen, inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Ik werk bij Bureau Jeugdzorg in de jeugdreclassering. Vanaf 15 september 2005 tot 25 augustus 2009 heb ik [verdachte] begeleid in het jeugdreclasseringskader. Ik ben dus jeugdreclasseringwerker. Bureau Jeugdreclassering werkt in opdracht van de kinderrechter, dus van justitie. Ik heb ten opzichte van justitie en politie geen ambtsgeheim. Ook cliënten weten dit. Ook [verdachte] weet dat. [getuige 18], een collega, van mij heeft [verdachte] begeleid vanaf augustus 2010.

Van de moeder van [verdachte] hoorde ik in augustus 2010 dat [slachtoffer] zwanger zou zijn van [verdachte]. Ik hoorde later van [getuige 18] dat [slachtoffer] een abortus had laten plegen. Daar was [verdachte] loei kwaad over. Ik hoorde ook dat [slachtoffer] telkens tegen [verdachte] had gezegd, het is wel van jou, het is niet van jou. Abortus was voor [verdachte] onbespreekbaar. (….)

[verdachte] heeft volgens mijn persoonlijke mening autistische kenmerken. Ik denk dat omdat [verdachte] de hele wereld niet begrijpt. Als hij bijvoorbeeld bij de CWI is, en hij begrijpt iets niet, dan slaat hij helemaal dicht, wordt agressief. Het is wel onderzocht, maar nooit gediagnosticeerd. Het eerste persoonlijkheidsonderzoek is nooit afgerond omdat [verdachte] niet meewerkte. Er is een tweede persoonlijkheid onderzoek, daar heb ik echter geen uitslag van gekregen.

[verdachte] heeft heel vaak tegen mij gezegd dat er iets in zijn hoofd zit dat niet goed is. Hij wilde daar wel aan geholpen worden. [verdachte] liep steeds tegen dingen aan dat anderen hem niet begrepen. (…)

[verdachte] begrijpt de maatschappij niet. Hij ziet volgens mij de waarheid vanuit een ander perspectief. Ik weet dat [verdachte] ergens heeft opgepikt dat hij bij de politie zijn mond moet houden. Ik denk dat [verdachte] zich daar ook aan zal houden. Ik denk niet dat er gemakkelijk een gesprek met [verdachte] aan te gaan is op dit moment. [verdachte] richt zich op een klein detail en de rest gaat aan hem voorbij. Dit is volgens mij ook een kenmerk van de persoon met autistische trekken”.

De verklaring van de getuige [getuige 18], jeugdreclasseringswerker, van 21 december 2010, inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Ik werk bij Bureau Jeugdzorg in de jeugdreclassering. Vanaf augustus 2010 heb ik [verdachte] begeleid bij het vinden van een passende baan in het kader van het 1000 jongeren plan. Mijn collega [getuige 21] heeft mij gevraagd of ik [verdachte] wilde helpen in de begeleiding in zijn werk. (…)

Mijn eerste contact met [verdachte] was op 12 augustus 2010. Ik kwam op het bedrijf waar hij werkte de [bedrijf]. Mijn eerste indruk van [verdachte] was dat hij typisch op mij over kwam. Anders dan anderen jongeren waar ik mee werk. "Gewone” jongens komen wat "echter" op mij over, [verdachte] heeft iets "robotachtigs". Ik vind het moeilijk om het precies te benoemen.

[verdachte] werkte al een week of vier bij het bedrijf. Hij kon meerijden met een collega. Een voorbeeld dat ik kan noemen was dat [verdachte] van zijn moeder had gehoord dat hij recht had op 400,00 Euro onkostenvergoeding. Ik heb getracht [verdachte] uit te leggen dat het zo niet werkte. Maar [verdachte] kan dat dan niet bevatten op een of andere manier. In de beginperiode kon [verdachte] meerijden met een collega van Almelo naar Enschede. Dat stopte op een gegeven moment en toen moest [verdachte] zelf voor vervoer zorgen. Hij dacht op dat moment dus dat hij recht had op die 400,00 Euro. [verdachte] kon daar niet mee omgaan. Tijdens de vakantieperiode eind augustus 2010 kreeg hij een akkefietje met een collega. De collega begon met ouwehoeren. Dat ouwehoeren met de collega liep een beetje uit de hand, volgens mij heeft [verdachte] de collega bij zijn keel gepakt en [verdachte] zou hebben gezegd dat de collega nu op moest houden. [verdachte] heeft zijn collega niet geslagen. Er is geen aangifte gedaan door de collega van [verdachte]. Ik weet de naam van die man niet, wel weet ik dat hij al een aantal jaren bij [bedrijf] werkte. Volgens mij was het een zoon van een man die al heel lang bij het bedrijf werkte. Eind september 2010 heeft het bedrijf in overleg met [verdachte] besloten de stekker eruit te trekken. Het werkte niet bij dat bedrijf. De sfeer was vertroebeld, ook de reiskosten tussen Almelo en Enschede waren een probleem, omdat [verdachte] haast geen geld had omdat hij bij de Stadsbank liep. (….) [verdachte] is moeilijk in zijn sociale contacten.

Ik persoonlijk denk dat [verdachte] autistische trekken heeft. Dit is echter nooit gediagnosticeerd. Zijn sociale contacten zijn erg geremd. [verdachte] heeft een heel klein sociaal netwerk om zich heen. Eigenlijk heeft hij alleen zijn oma en opa [getuige 8], zijn moeder een beetje en in het verleden had hij [slachtoffer].

[verdachte] is nu 22 jaar oud, maar sociaal emotioneel denk ik wel eens dat hij reageert als een

14 jarige. (…)

Eind september 2010 hoorde ik dat [verdachte] vader zou worden. [slachtoffer] zou zwanger zijn van hem. Ik vroeg aan [verdachte] of hij vader werd. [verdachte] zei dat dat klopte. Ik vertelde [verdachte] dat hij dan ook zijn verantwoordelijkheid moest nemen. [verdachte] vertelde mij dat [slachtoffer] had gezegd dat hij de vader was, maar dat hij geen rol zou spelen in de opvoeding van hun kind. [verdachte] vond het heel mooi dat [slachtoffer] zwanger van hem was, maar hij vond het moeilijk dat hij geen rol mocht spelen in de opvoeding. (…)

Enkele dagen later vertelde [verdachte] mij dat [slachtoffer] gezegd had dat de baby niet van hem was, maar van een ander. [verdachte] wist zich er eigenlijk geen raad mee. Je komt bij [verdachte] niet of heel moeilijk bij zijn gevoel. Hij reageerde tegenover mij niet boos, eerder dat hij zich geen raad wist. (…)

Ik heb in november 2010 van iemand gehoord dat [slachtoffer] een abortus heeft ondergaan. Ik weet niet meer van wie ik dat hoorde. Voor zover ik weet is er bij [verdachte] wat geknapt, omdat hij daar niet mee om kon gaan. Door de abortus van [slachtoffer] heeft hij volgens mij ook de ruit bij [slachtoffer] ingegooid. Ik weet dat [verdachte] in die tijd ook slaaptabletten heeft gepikt van oma [getuige 8]. [verdachte] heeft die tabletten ook geslikt omdat hij het niet meer zag zitten. Hij wilde dood.

In het contact met [verdachte] moet je naast hem staan en niet boven hem. Als je boven hem gaat staan, dan sluit [verdachte] zich af of zet de hakken in het zand. Hij heeft last van autoriteit. Dan heeft hij weerstand. [getuige 21] en ik hebben altijd een goed contact met hem gehad. Ik hoefde de confrontatie niet aan te gaan, ik hoefde hem alleen te steunen en aan werk te helpen”.

De verklaring van de getuige [getuige 17], jeugdreclasseringswerker, van 3 januari 2011, inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Ik ben stagebegeleider geweest bij het bedrijf van mijn vader, genaamd [bedrijf]. Het bedrijf is gevestigd aan de [adres] te Enschede.

U vraagt of ik mij een akkefietje kan herinneren in het bedrijf.

Ik heb wel eens een akkefietje gehad met een zekere [verdachte]. Ik ken een [verdachte] die bij mijn vader heeft gewerkt. Ik was zijn stagebegeleider, ik heb hem ingewerkt. Ik weet de achternaam van [verdachte] niet. Ik heb inmiddels navraag gedaan en dit akkefietje tussen mij en [verdachte] is in augustus 2010 geweest. Er heeft zich toen het volgende afgespeeld. Ik stond in de productieafdeling. Ik weet niet meer precies welke dag dit was, maar het was volgens mij rond 15.00 uur. Op dat moment heb ik de radio iets harder gezet. Nadat ik de radio iets harder zette, draaide ik mij om. Direct hierop kwam [verdachte] op mij afrennen en pakte mij bij mijn keel. Hij pakte mij met één hand bij mijn keel. Ik weet niet meer met welke hand dit was. Hij drukte met die ene hand mijn keel dicht. Dit ging best wel hard. Terwijl [verdachte] mijn keel dichtkneep, zei hij niets tegen mij. Ik kon verder niet aan hem zien of hij echt kwaad was. Direct hierna drukte ik [verdachte] van mij af, omdat het zeer deed. Ik duwde [verdachte] met beide handen. Dit lukte meteen. De hand van [verdachte] kwam los en hij kwam te vallen op de band van een machine. [verdachte] kwam met zijn hoofd op deze machine terecht. Ik zag dat [verdachte] hierna weer op mij af kwam lopen. Twee collega's hebben [verdachte] toen bij mij weg gehaald. [verdachte] werd maar even vastgehouden, ik denk ongeveer één minuut. Toen [verdachte] los werd gelaten was alles over. Dezelfde dag, na werktijd, dat was ongeveer een uur later, ben ik een gesprek met [verdachte] begonnen. Ik zei dat ik er over wou praten. [verdachte] vertelde dat hij er niet tegen kon als de muziek te hard stond. [verdachte] vertelde dat het hem dan zwart voor de ogen werd. Ik heb toen aan [verdachte] verteld dat hij dit eerder had moeten aangeven aan mij.

Na dit voorval is de begeleiding van [verdachte] overgenomen door iemand anders. Ongeveer drie weken na dit voorval is [verdachte] ontslagen”.

De verklaring van de getuige [getuige 11], gezondheidspsycholoog, van 10 januari 2011, inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Ik ben geestelijk gezondheidpsycholoog en als freelance psycholoog verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) te Zutphen.

De aanleiding van het bezoek van [verdachte] aan het NIFP was op initiatief van de rechter-commissaris mevrouw Oude Aarninkhof van de rechtbank te Almelo. Deze RC heeft een persoonlijkheidsonderzoek gelast naar aanleiding van een huiselijk geweldsituatie op 4 november 2010 te Almelo. [verdachte] heeft zich op vrijdag 10 december 2010 bij mij gemeld in het gebouw van het NIFP, Schouwburgplein te Almelo. [verdachte] meldde zich bij mij die dag om 11.30 uur. (…)

Het gesprek raakte meer geëmotioneerd op het moment dat ik de delictanalyse van

4 november 2010 met [verdachte] besprak. [verdachte] vertelde dat zijn vriendin van hem zwanger was geweest. [verdachte] noemde de naam van [slachtoffer]. [verdachte] vertelde dat hij blij was met deze zwangerschap. [verdachte] was boos dat [slachtoffer] het met hem uitmaakte en zij met hem het kind niet wilde opvoeden. Zij vertelde later dat het kind niet van hem was. [verdachte] had niet getwijfeld dat het kind van hem was. [verdachte] zei zoiets als: “Stik er maar in”. Dat [slachtoffer] het weer aan had met [verdachte] en daarna weer uit maakte. [verdachte] was teleurgesteld en boos toen [slachtoffer] hem gezegd had dat zij abortus had gepleegd.

[verdachte] vertelde mij dat hij niet meer wist wat te doen toen hij hoorde dat [slachtoffer] abortus had laten plegen. Hij speelde met de gedachte suïcide te plegen. [verdachte] vertelde dat hij naar aanleiding van deze nieuwe situatie 20 slaappillen van zijn opa of oma had ingenomen. Dit was de dag voorafgaand aan 4 november 2010. Zeker is dat hij de dag na de inname van die pillen onder invloed van deze medicatie moet zijn geweest. Ik weet dat hij voor een onderzoek korte tijd in het ziekenhuis in Almelo werd opgenomen. [verdachte] vertelde dat hij een deel van die dag na de inname van de pillen “stukken van de film” kwijt is geraakt”.

De verklaring van de getuige [getuige 22] van 9 maart 2011, inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Mijn vriend, [naam D], heeft een vloerenbedrijf, genaamd Vloerenbedrijf [naam D].

Als [naam D] een klus aanneemt, dan huurt hij meestal andere ZZP'ers in. Eind oktober 2010 kreeg [naam D] een klus en kon hij niet aan een ZZP'er komen en moest dus iemand inhuren via het uitzendbureau. Dit heeft hij gedaan via [uitzendbureau] te Nijverdal. [verdachte] stond daar net ingeschreven. Via [uitzendbureau] kwam [verdachte] bij ons aan het werk. [naam D] sprak met hem af dat hij [verdachte] thuis op zou halen en weer thuis zou brengen. [verdachte] had namelijk geen rijbewijs. [naam D] haalde [verdachte] dan vroeg op, rond 06.30 uur bij zijn flat aan de [adres verdachte] te Almelo. In totaal heeft [verdachte] misschien 4 of 5 dagen voor ons gewerkt. (…)

Op een vrijdag (de rechtbank begrijpt dat getuige hiermee doelt op 4 november 2010 en dat was een donderdag), [naam D] was toen zelf ook al laat, belde hij [verdachte] op zijn mobiele telefoon. [verdachte] nam echter niet op. Hij was sowieso telefonisch slecht bereikbaar. Dat hoorden wij ook van het uitzendbureau.

Ook op aanbellen werd door [verdachte] niet open gedaan. Er kwam een bewoner uit de flat naar buiten, die zei dat hij helemaal gek werd van die wekker, die al vanaf 06.00 uur afging. Uiteindelijk kwam [verdachte] naar buiten. [naam D] vertelde mij dat hij zich helemaal rot geschrokken was hoe [verdachte] eruit zag. Hij was helemaal blauw in zijn gezicht, alsof hij in elkaar was geslagen.

[naam D] heeft mij hierover gebeld en we hebben overlegd wat we met [verdachte] aanmoesten, omdat [naam D] helemaal geen zinnig antwoord uit [verdachte] kreeg. [verdachte] moest zich aan de bus vasthouden om te blijven staan. Uiteindelijk heeft iemand van het uitzendbureau [verdachte] opgehaald uit Wijhe, waar ze toen aan het werk waren, en hem naar het ziekenhuis in Almelo gebracht. [naam D] en ik dachten dat hij mogelijk drugs gebruikt had. [verdachte] wilde eigenlijk niet naar het ziekenhuis, omdat hij niet verzekerd zou zijn, maar ik heb hem daar geen keuze in gelaten en gezegd dat wij verantwoordelijk voor hem waren”.

De verklaring van de getuige [getuige 14] van 14 december 2010, inhoudende, zakelijk weergegeven:

“Als U mij vraagt hoe ik over [verdachte] denk kan ik U zeggen dat hij een lieve jongen is maar ook dat hij agressief kan zijn. Dat agressieve gedrag vertoont [verdachte] meestal onder invloed van drugs. Onder invloed van drugs gaat [verdachte] dreigen. Hij heeft, toen wij een relatie hadden, nooit geslagen maar heeft wel eens dreigend voor mij gestaan. Ik heb van [slachtoffer] gehoord dat [verdachte] haar wel eens heeft geslagen. In de tijd dat [verdachte], enige weken geleden, de ruit van de woning van [slachtoffer] had vernield, heeft hij [slachtoffer] aan de kant gedrukt toen hij eten wilde pakken. [slachtoffer] wilde dat niet toestaan maar [verdachte] had haar "keihard" aan de kant geduwd.

Wanneer [verdachte] drugs heeft gebruikt, kan hij flippen. [verdachte] gebruikt wiet en snuift ook speed”.

De verklaring van de getuige [getuige 3] van 12 december 2010, inhoudende, zakelijk weergegeven:

“[slachtoffer] heeft mij verteld dat ze een relatie had gehad met ene [verdachte]. Ik weet geen achternaam van deze jongen en ik weet ook niet hoe lang deze relatie geduurd heeft. (….)_[slachtoffer] had mij wel verteld dat deze [verdachte] 'de handjes los had zitten'. Zij vertelde mij dat dit ook de reden was waarom zij de relatie beëindigd had.

Ook heb ik [verdachte] getroffen toen hij bij [slachtoffer] in de schuur zat. Dit was ongeveer een maand geleden. Het was in het weekend en ik wilde de buggy uit de schuur pakken. Dit was 's middags rond een uur of drie. In de schuur stond [verdachte]. Hij was gekleed in het zwart en had een sjaaltje voor de mond. Ik schrok van hem.

Ik wist dat hij een contactverbod had en niet met [slachtoffer] in contact mocht komen. Hij heeft toen zijn excuses aangeboden. [slachtoffer] klapte toen helemaal dicht en heeft verder niets gezegd. De ouders van [slachtoffer] hebben toen de politie nog gebeld. (…)

Afgelopen vrijdag, 10 december 2010 ben ik naar [slachtoffer] gegaan. [slachtoffer] had 's middags bier gehaald en was toen [verdachte] tegengekomen. Zij vertelde dat [verdachte] haar geld had afgetroggeld en dat zij tegen hem gezegd had dat hij moest oprotten”.

9.4 Op grond van de hiervoor genoemde rapportages en verklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat bij verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a Sr en dat de kans op geweldsrecidive, die zich al in 2005, 2009 en in november 2010 en door het thans bewezen verklaarde feit heeft gemanifesteerd, indien verdachte onbehandeld blijft, onverminderd groot is.

De rechtbank zal bevelen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld aangezien het bewezen verklaarde feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. In verband met de duur van de maatregel stelt de rechtbank vast dat sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e, eerste lid Sr.

De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd, daar genoemde veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die verpleging eist, nu de behandeling die verdachte nodig heeft niet anders dan binnen het dwingend kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan worden uitgevoerd.

9.5 De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a Sr en acht aannemelijk dat het feit mede onder invloed daarvan is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van enige mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Gelet daarop en op wat hiervoor onder 9.2 is overwogen, acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen jaren passend en geboden.

9.6 Berechting binnen een redelijke termijn.

Ambtshalve overweegt de rechtbank wat betreft de berechting binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM als volgt.

Het onderhavige feit is gepleegd op 11 december 2010 en op 12 december 2010 is verdachte aangehouden. Op die datum is de redelijke termijn gaan lopen. Op 18 maart 2011 is de zaak voor het eerst ter terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank aangebracht. Tot de inhoudelijke behandeling van de zaak op 11 maart 2013 hebben er vele behandelingen van de zaak ter terechtzitting plaats gevonden. Op verzoek van de officier van justitie en de verdediging zijn diverse onderzoeken verricht, getuigen gehoord en forensische en gedragskundige rapporten opgemaakt.

Op 9 april 2013 wijst de rechtbank vonnis. Als uitgangspunt geldt dat het geding - behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen - met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van afdoening zijn, op basis van hetgeen door de Hoge Raad is bepaald in het arrest van 17 juni 2008 (LJN: BD 2578) de volgende omstandigheden van belang:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, evenals de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

De onderhavige zaak is complex. Gedurende het onderzoek hebben diverse onderzoekshandelingen plaatsgevonden. Deskundigen hebben op verzoek van de verdediging nadere forensische rapportages opgesteld en zijn daarover ter terechtzitting ondervraagd.

Deze onderzoekshandelingen kosten veel tijd. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat verdachte pas in een laat stadium verklaringen heeft afgelegd die ook weer nader onderzoek noodzakelijk maakten.

De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat de gevolgde gang van zaken als een bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt die de langere duur van het geding verklaart. Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op de voornoemde bijzondere omstandigheden in deze zaak, dan ook geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 37a, 37b en 63 Sr

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

subsidiair: doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen jaren;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

- verstaat dat de maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. B.W.M. Hendriks en

mr. H. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Venderbosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2013.