Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4889

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-10-2013
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
08/996014-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996014-11

Datum vonnis: 28 oktober 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren [1980] in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Buist en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. Pierik, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen aanvragen voorlopige teruggaaf (VT) valselijk heeft opgemaakt; feit 2: samen met anderen gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte aanvragen voorlopige teruggaaf (VT), dan wel samen met anderen met opzet onjuiste verzoeken voorlopige teruggaaf heeft ingediend bij de belastingdienst.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2010 tot en

met 18 oktober 2011 in de gemeente Hengelo (O) althans in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of één of meer anderen althans alleen, (telkens) één of meer aanvra(a)g(en) voorlopige teruggaaf (VT) over het jaar 2010 en/of 128 (D-37 &

blz. 119), althans één of meer, aanvra(a)g(en) voorlopige teruggaaf (VT) over

het jaar 2011, waarvan onder meer:

a. de VT op naam van [A] over 2010 en/of 2011 (blz. 616-619), en/of

b. de VT op naam van [B] over 2011 (blz. 649-650), en/of

c. de VT op naam van [C] over 2011 (blz. 665-666), en/of

d. de VT op naam van [D] over 2011, (blz. 880-881), en/of

e. de VT op naam van [E] over 2010 (blz. 905-905), en/of

f. de VT op naam van [F] over 2010 (blz. 931-932), en/of

g. de VT op naam van [G] over 2011 (blz. 937-938), en/of

h. de VT op naam van [H] over 2011 (blz. 944-945), en/of

i. de VT op naam van [I] over 2011 (blz. 950-951), en/of

j. de VT op naam van [J] over 2011 (blz. 970-971),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben

verdachte en/of [medeverdachte] en/of één of meer ander(en), (telkens) valselijk op

deze aanvra(a)g(en) ficitieve, althans onjuiste, inkomensgegevens en/of naam

van een werkgever(s) en/of hypotheeklasten vermeld, zulks (telkens) met het

oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2010 tot en

met 18 oktober 2011 in de gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met [medeverdachte] en/of één of meer anderen althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer aanvra(a)g(en)

voorlopige teruggaaf (VT) over het jaar 2010 en/of 128 (D-37 & blz. 119),

althans één of meer, aanvra(a)g(en) voorlopige teruggaaf (VT) over het jaar

2011, waarvan onder meer:

a. de VT op naam van [A] over 2010 en/of 2011 (blz. 616-619), en/of

b. de VT op naam van [B] over 2011 (blz. 649-650), en/of

c. de VT op naam van [C] over 2011 (blz. 665-666), en/of

d. de VT op naam van [D] over 2011, (blz. 880-881), en/of

e. de VT op naam van [E] over 2010 (blz. 905-905), en/of

f de VT op naam van [F] over 2010 (blz. 931-932), en/of

g. de VT op naam van [G] over 2011 (blz. 937-938), en/of

h. de VT op naam van [H] over 2011 (blz. 944-945), en/of

i. de VT op naam van [I] over 2011 (blz. 950-951), en/of

j. de VT op naam van [J] over 2011 (blz. 970-971),

- ( elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of [medeverdachte] en/of één of

meer ander(en) de aanvra(a)g(en) heeft/hebben ingestuurd naar de

belastingdienst en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op deze

aanvra(a)g(en)(telkens) ficitieve, althans onjuiste, inkomensgegevens en/of

naam van een werkgever(s) en/of hypotheeklasten zijn vermeld;

althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden,

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 mei 2010 tot en met 18

oktober 2011 in de gemeente Hengelo (0), tezamen en in vereniging met [medeverdachte]

en/of één of meer andere(n), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten (een) verzoek(en) voorlopige teruggaaf over het (de) ja(a)r(en) 2010 en/of 2011, ten name

van onder meer,

a. [A] over 2010 en/of 2011 (blz. 616-619), en/of

b. [B] over 2011 (blz. 649-650), en/of

c. [C] over 2011 (blz. 665-666). en/of

d. [D] over 2011. (blz. 880-88 1), en/of

e. [E] over 2010 (blz. 905-905), en/of

f. [F] over 2010 (blz. 93 1-932), en/of

g. [G] over 2011 (blz. 93 7-938), en/of

h. [H] over 2011 (blz. 944-945). en/of

i. [I] over 2011 (blz. 950-95 1), en/of

j. [J] over 2011 (blz. 970-971),

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers hebbende verdachte en/of zijn

mededader(s) (telkens) opzettelijk, in één of meer van de hierboven genoemde gevallen, op het bij de belastingdienst ingeleverde verzoek voorlopige teruggaaf loonbelasting en premie volksverzekeringen en/of aangiftebiljet en/of elektronische aangifte, (telkens) fictieve, althans onjuiste, inkomensgegeven en/of hypotheeklasten vermeld, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder feit 1 en feit 2 primair bewezen wordt verklaard en dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag heeft de officier van justitie gevorderd dat dit verbeurd wordt verklaard.

4 De voorvragen

4.1

De geldigheid van de dagvaarding

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging onder feit 1 en feit 2 onvoldoende feitelijk is, omdat niet voor elk van genoemde belastingplichtigen is aangegeven wat er exact fout is aan de betreffende aanvraag.

Voorts is de tenlastelegging partieel nietig vanwege het gebruik van de woorden ‘waarvan onder meer’ in feit 1 en feit 2. De tenlastelegging is op die onderdelen te onbepaald, te ruim en daardoor te vaag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoet aan de eisen die de wet aan een tenlastelegging stelt en voldoende duidelijk is.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261, lid 1 Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet men voortdurend in het oog houden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen1. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn2, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig3 en in de derde plaats voldoende feitelijk.

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten4. Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt5. Ook de inhoud van de door de verdediging overlegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen6, net als de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting7.

De rechtbank is, anders dan de raadsman van verdachte, van oordeel dat voldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten en voorts dat de dagvaarding voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Op basis van het onderliggende proces-verbaal van de FIOD en de in de tenlastelegging opgenomen periode kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden vastgesteld op welke feiten of gedragingen de officier van justitie bij het opstellen van de dagvaarding het oog heeft gehad. Bovendien heeft de rechtbank tijdens het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat het de verdachte op basis van die dagvaarding en de inhoud van het dossier duidelijk is welke feiten hem verweten worden en waartegen hij zich dient te verdedigen.

Het verweer van de verdediging dat de dagvaarding (partieel) nietig moet worden verklaard wordt dan ook verworpen.

4.2

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De standpunten van de verdediging en de officier van justitie.

De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verdediging heeft gesteld dat de officier van justitie willekeurig heeft gehandeld door alleen tegen verdachte en [medeverdachte] een vervolging in te stellen, terwijl de betrokken belastingplichtigen niet vervolgd zijn.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wel mogelijk was geweest de belastingplichtigen te vervolgen, maar dat uit capaciteitsoverwegingen er voor is gekozen dit niet te doen.

Het oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld zij dat volgens constante jurisprudentie voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging – buiten de in de wet geregelde gevallen – slechts plaats is in uitzonderlijke situaties.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat het recht om te vervolgen exclusief aan het openbaar ministerie is toebedeeld. Op aan het algemeen belang ontleende gronden kan het openbaar ministerie van vervolging afzien. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in het onderhavige geval niet heeft gehandeld met het verbod op willekeur. Immers, de rol die de individuele belastingplichtigen hebben gespeeld bij de ten laste gelegde feiten, het aantal en de omvang van de strafbare handelingen en het feit dat die belastingplichtigen - anders dan de verdachten - geconfronteerd zijn met aan de Belastingdienst terug te betalen geldbedragen, hebben tot gevolg dat de positie van die belastingplichtigen wezenlijk verschilt van die van verdachte en [medeverdachte] . De officier van justitie heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde door alleen verdachte en zijn medeverdachte te vervolgen. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ambtshalve overweegt de rechtbank echter het volgende.

In het artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen strafbaar gesteld. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat, indien het feit ter zake waarvan verdachte kan worden vervolgd zowel valt onder het de bepalingen van onder het tweede lid van dit artikel als onder artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid Sr is uitgesloten. De officier van justitie heeft in het onderhavige geval onder feit 2 primair op grond van artikel 225, tweede lid Sr een vervolging tegen verdachte ingesteld wegens het opzettelijk gebruik maken van valse aanvragen voorlopige teruggaaf. Een dergelijke aanvraag is een bij de belastingwet voorziene aangifte zodat vervolging op grond artikel 225, tweede lid Sr is uitgesloten. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder feit 2 primair ten laste gelegde.

4.3

De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte samen met zijn medeverdachte op naam van de in de tenlastelegging genoemde personen voorlopige teruggaven heeft ingediend. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat het in totaal om 128 aanvragen gaat. Naar de mening van de verdediging bevat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs.

Ook heeft de verdediging gesteld dat het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. Enerzijds niet omdat dit een kwaliteitsdelict betreft en verdachte niet degene was op wie de aangifteplicht rustte. Anderzijds niet omdat het feit er telkens niet toe strekte dat er te weinig belasting werd geheven, maar dat er ten onrechte bedragen door de Belastingdienst werden uitgekeerd.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in 2010 een advertentie op internet heeft geplaatst om in contact te komen met personen die geïnteresseerd waren in een financiële lening. Hij heeft zich daarbij bediend van valse namen, onder andere de namen [X] en [Y] . Nadat de in een lening geïnteresseerde personen contact met hem op hadden genomen is verdachte begonnen met het invullen van de voorlopige aangiftes waarbij hij de inkomensgegevens en rente en de kosten van de hypotheek zodanig invulde dat het door de Belastingdienst uit te betalen bedrag in overeenstemming was met de hoogte van de gewenste lening. Vervolgens werd de aangifte digitaal bij de Belastingdienst ingediend. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat een voorlopige aangifte niet bedoeld was om een lening te regelen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij begin 2011 [medeverdachte] heeft benaderd om hem te helpen met het plaatsen van advertenties op internet en vervolgens het indienen van voorlopige aangiftes voor geïnteresseerde personen.

Uit de zich in het dossier bevindende getuigen verklaringen blijkt dat de gegevens die zijn ingevuld op de aangiftes niet juist waren. De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte samen met anderen in 2010 en 2011 betrokken was bij het indienen van de voorlopige aangiftes.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat het in totaal om 128 valselijk opgemaakte aanvragen voorlopige teruggaaf gaat. De enkele aanwezigheid op de onder de [medeverdachte] in beslag genomen computer van een bestand met daarin fiscale gegevens over 2011 van 128 personen is daarvoor onvoldoende. Wel oordeelt de rechtbank dat het aantal valselijk opgemaakte aanvragen voorlopige teruggaaf zich niet heeft beperkt tot de in de tenlastelegging genoemde namen. Het dossier bevat immers ook getuigen verklaringen en onderliggende bescheiden met betrekking tot niet in de tenlastelegging genoemde aanvragen voorlopige teruggaaf over 2010 en 2011 die valselijk zijn opgemaakt. Ook met betrekking tot deze aanvragen is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte en zijn [medeverdachte] de hand hebben gehad in het opstellen en versturen van die aanvragen.

Met betrekking tot de onder feit 1 en feit 2 subsidiair onder c. genoemde aanvraag voorlopige teruggaaf op naam van [C] over 2011 is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de aanvraag VT over dat jaar valselijk is opgemaakt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het valselijk opmaken van de aanvraag VT op naam van [C] over 2011.

Ten aanzien van de verweren met betrekking tot feit 2 subsidiair overweegt de rechtbank als volgt.

Aan verdachte is ten laste gelegd het medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van verzoeken voorlopige teruggaaf. Het opzettelijk onjuist doen van een verzoek voorlopige teruggaaf betreft een kwaliteitsdelict, waarbij degene op wiens naam het verzoek wordt gedaan de betreffende kwaliteit heeft. Voor het ten laste gelegde ‘medeplegen’ van een kwaliteitsdelict is echter niet vereist dat alle medeplegers in het bezit zijn van de vereiste kwaliteit. Voldoende is dat één van hen de kwaliteit bezit en dat de ander, i.c. verdachte, daarvan weet heeft gehad. De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte die wetenschap telkens heeft gehad. Het verweer wordt op dit punt verworpen.

Met betrekking tot het strekkingsvereiste overweegt de rechtbank dat voor de beantwoording van de vraag of de gestelde gedraging ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven beslissend is of die gedraging - in dit geval het onjuist doen van een verzoek voorlopige teruggaaf - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Het opvoeren in aanvragen voorlopige teruggaaf van te hoge bedragen aan loon en onterechte bedragen aan betaalde hypotheekrente is immers in het algemeen geschikt om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op in de periode 1 mei 2010 tot en met 18 oktober 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en anderen, aanvragen voorlopige teruggaaf (VT) over het jaar 2010 en over het jaar 2011, waarvan onder meer:

a. de VT op naam van [A] over 2010 en 2011, en

b. de VT op naam van [B] over 2011, en

d. de VT op naam van [D] over 2011, en

e. de VT op naam van [E] over 2010, en

f. de VT op naam van [F] over 2010, en

g. de VT op naam van [G] over 2011, en

h. de VT op naam van [H] over 2011 en

i. de VT op naam van [I] over 2011 en

j. de VT op naam van [J] over 2011,

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte en/of [medeverdachte] en/of anderen, telkens valselijk op deze aanvragen onjuiste, inkomensgegevens en/of naam van een werkgevers en/of hypotheeklasten vermeld, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in de periode 1 mei 2010 tot en met 18 oktober 2011 in de gemeente Hengelo (0), tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of anderen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een verzoek voorlopige teruggaaf over het jaar 2010 en 2011, ten name van onder meer,

a. [A] over 2010 en 2011, en

b. [B] over 2011, en

d. [D] over 2011, en

e. [E] over 2010, en/of

f. [F] over 2010 (blz. 93 1-932), en

g. [G] over 2011), en

h. [H] over 2011, en

i. [I] over 2011, en

j. [J] over 2011,

onjuist heeft gedaan, immers hebbende verdachte en/of zijn mededaders telkens opzettelijk, in de hierboven genoemde gevallen, op de bij de belastingdienst ingeleverde elektronische aangifte, telkens onjuiste inkomensgegeven en/of hypotheeklasten vermeld, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 225 Sr en 69 AWR. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 2 subsidiair

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft, aanvankelijk alleen en later samen met [medeverdachte] , doelbewust via internet contact gezocht met personen die in financiële problemen zaten en een financiële lening aangeboden. Deze bestond in de praktijk uit het indienen van een voorlopige aangifte bij de Belastingdienst waarbij onjuiste gegevens werden ingevuld zodat de Belastingdienst werd bewogen tot het ten onrechte opleggen van een negatieve aanslag en het (maandelijks) uitbetalen van een teruggaaf. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zijn handelswijze de betrokken personen in de financiële problemen heeft gebracht. Verdachte bracht immers een provisie van 40% van het uitbetaalde belastinggeld in rekening terwijl de betrokken personen, nadat de Belastingdienst de definitieve aanslag had vastgesteld, het gehele genoten bedrag moesten terugbetalen. Verder rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij de Belastingdienst heeft gebruikt als financieringsmaatschappij. Bij de vaststelling van de omvang van de fraude houdt de rechtbank rekening met de bewezenverklaarde verzoeken voorlopige teruggaaf, alsmede met de aangiften die zich in het dossier bevinden en die zien op een verzoek voorlopige teruggaaf over het jaar 2010 en 2011.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft rechtbank acht geslagen op straffen die vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder ter zake een vermogensdelict met justitie in aanraking is geweest. Ook houdt de rechtbank rekening met de inhoud van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Teneinde aan verdachte aan waarschuwing mee te geven acht de rechtbank het aangewezen daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

9 De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd moet worden verklaard nu het geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten is verkregen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 47 en 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

ontvankelijkheid

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde;

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
    feit 2 subsidiair: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Stam, voorzitter, mr. Lorist en mr. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2013.

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

A.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD/ECD met nummer 48310. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

B.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 14 oktober 2014, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van verdachte:

Vanaf midden 2010 was ik er bij betrokken. Ik heb alles bedacht, daar is verder niemand bij betrokken geweest. Ik plaatste een advertentie op internet. Als er iemand reageerde dan nam ik contact op en gebruikte dan een andere naam, onder andere de namen [Y] en [X] . Ik vulde de aangiftes op de computer in en vermelde de loon- en hypotheekgegevens zo in dat de belastingdienst het bedrag uitbetaalde dat de betrokken personen als lening wilden. Ik wist dat de voorlopige teruggaaf hier niet voor bedoeld was.

Ik wist dat het fout was daarom gebruikte ik valse namen en meerdere postbussen. De in de tenlastelegging genoemde namen [A] , [C] , [D] , [E] , [F] een [G] komen me bekend voor. Op een gegeven moment, eind 2010/begin 2011, werd het me teveel werk en heb ik [medeverdachte] er bij betrokken. De afspraak was dat de provisie 50/50% procent onder ons verdeeld zou worden.

2.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 20 oktober 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte:

Antwoord verdachte: Er wordt een advertentie op internet geplaatst met de strekking

Geld Lenen om zo in contact te komen met mensen die op zoek zijn naar geld. In de

advertentie staat onder andere wat ze maximaal zouden kunnen lenen en wat de kosten

zijn. Bij de meeste advertenties is het bedrag aan lening lager dan 10.000. Via de

advertentie reageren de mensen via mail adverteerder/verkoper. De meeste reacties

kregen wij via de site van Speurders. Wij kregen vervolgens een stuk tekst van de

geldzoeker, de één gaf veel informatie en de ander weinig. Dan stuurden wij een

standaard email terug met een uitvoerige toelichting van onze werkwijze. In die

toelichting staat het maximale bedrag van de lening, de provisie en dat het volledige

bedrag aan het einde geheel moet worden terugbetaald. Als bijlage stuurden wij het

formulier ‘Gegevens aanvraag lening’ of ‘Aanvraagformulier Lening’ of het formulier

‘Aanvraagformulier maandelijks inkomen’. De ‘Gegevens aanvraag lening’ is

waarschijnlijk een Word bestand. Het formulier ‘Aanvraagformulier Lening’ is

waarschijnlijk een Excel bestand. Ik denk dat het formulier ‘Aanvraagformulier

maandelijks inkomen’ ook een Excel bestand is. Ik heb de lay outs van deze formulieren

niet gemaakt, dit is gedaan door [verdachte] in januari/februari 2011. In de standaard email

stond dat als zij het formulier invulden en retourneerden wij contact met hen zouden

opnemen. Als zij dat deden nemen wij telefonisch contact met hen op.

Op een gegeven moment komt het gesprek op de digid code. Er zijn dan drie

mogelijkheden. De eerste is dat de klant afhaakt, de tweede dat de klant nadenkt en

eventueel een digid code aanvraagt als hij die nog niet heeft en de derde gaat door.

Deze laatste groep wordt vaak nog een keer gebeld, het gaat dan om de laatste vragen

en om de afgifte van de digid code.

Vraag verbalisanten: Wie verzint de aftrekposten die opgevoerd worden bij de

Belastingdienst?

Antwoord verdachte: Wij berekenen de hoogte van de aftrekposten. Wij vertellen de

klant wel dat er een aftrekpost eigen woning wordt opgevoerd maar de klant weet niet

precies de hoogte van deze aftrekpost. De klant weet wel dat hij een onjuiste aangifte

doet.

Vraag verbalisant: Kun je nog iets meer vertellen over je contacten met [verdachte]

?

Antwoord verdachte: In 1999 of 2000 leerde ik hem kennen in het call center bij Spaar

Select. In 2010 werden de contacten intensiever. In de loop van 2010 vertelde hij zich al wat beter te voelen en hij wilde weer wat gaan doen. [verdachte] kwam een paar keer per maand langs en ik vroeg regelmatig waar hij mee bezig was. In het laatste weekeinde van januari 2011 kreeg ik voor het eerst te horen dat het geen UWV was maar de Belastingdienst. Hij wilde zeker weten dat ik te vertrouwen en daarom duurde het zolang voordat hij mij alles vertelde. Hij vertelde dat hij voorlopige teruggaven deed bij de Belastingdienst onder de noemer leningen. Hij vertelde mij de volledige werkwijze die bij jullie inmiddels bekend is. Dus advertentie plaatsen, middels een mailde klanten benaderen. Verder beschreef hij dezelfde werkwijze als die wij in 2011 hebben gehanteerd. Hij vertelde dat hij de administratie goed bijhield. Als u mij vraagt of ik weet of hij al dan niet alleen handelde in 2010 zeg ik u dat ik niet beter weet dan dat hij alleen handelde.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 19 oktober 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte:

Ik doe fysiek de aangifte.

Vraag verbalisanten: Wat weet [verdachte] hiervan?

Antwoord verdachte: Dit weet hij ook. Wij deden alles samen. Waarschijnlijk hebben wij

de eerste advertenties in februari 2011 samen opgesteld. Ik blijf erbij dat ik voor februari

2011 niet ben begonnen. Ik heb het samen met [verdachte] bedacht. Wij hebben het “lening

gebeuren” samen bedacht, samen uitgelegd aan de klanten en samen uitgevoerd. De

administratie die hiervoor gevoerd is staat op mijn laptop en hebben wij er samen

opgezet.

Vraag verbalisanten: Kun je ons van het begin af vertellen hoe e.e.a. gelopen is?

Wij hebben om in contact te komen met deze mensen een advertentie gezet op Marktplaats en Speurders. Dit is in februari 2011 gebeurd. We gebruikten hiervoor het emailadres: [zzzz] @gemail.com”.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van de [getuige 1] , d.d. 7 september 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Vraag verbalisanten: Wat is uw persoonlijke situatie?

Antwoord gehoorde: Op dit moment lopen wij bij de schuldhulpverlening. Ik ben

gehuwd met [A] , wij hebben samen twee kinderen. Ik heb geen werk.

Vraag verbalisanten: Ik zie in de stukken dat u op 22 juli 2011 aangifte van

internetoplichting heeft gedaan bij de politie. Want kunt u hierover vertellen?

Antwoord gehoorde: In mei 2010 ben ik in contact gekomen met [Y] . Ik zit

regelmatig op de internetsites Marktplaats en Speurders. Hier zag ik op een gegeven

moment een advertentie van [Y] . Ik heb via de mail contact opgenomen en

moest toen een “klantenformulier” invullen. Ik moest bijvoorbeeld hierop invullen mijn

loon, sofinummer en dergelijke. Vervolgens moest ik ook mijn DigiD en mijn wachtwoord

naar hem sturen. Dit heb ik ook gedaan van mijzelf en van mijn man. Vanaf ongeveer juli

2010 ontvingen wij maandelijks een bedrag van de Belastingdienst. Wij moesten 40%

van dit bedrag in een envelop doen en opsturen naar een postbusnummer [aaa] in

Hengelo.

Vraag verbalisanten: Heeft U in 2010 en/of in 2011 een voorlopige aangifte

inkomstenbelasting ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde: De eerste voorlopige aangifte 2010 voor de heffingskorting en

kind gebonden budget heb ikzelf gedaan. In mei/juni 2010 heb ik zoals gezegd mijn

DigiD aan [Y] gegeven, Ik heb zelf daarna niet meer aangiften ingediend.

Wij tonen gehoorde een uitdraai van haar voorlopige aangifte inkomstenbelasting 2010

en 2011.

Vraag verbalisanten: In de voorlopige aangifte 2010 is een loon voor uw man ter hoogte

van € 37.400 ingevuld. Uit de jaaropgaaf 2010 blijkt dat uw man € 19.973 aan loon heeft

genoten over 2010. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde: Volgens mij is het bedrag aan € 37.400 veel te hoog. Mijn man

verdiend ongeveer € 32.000 per jaar.

Vraag verbalisanten: In de voorlopige aangifte 2010 , ingediend 9juni 2010, wordt

aangegeven dat u vanaf 1 juli 2010 de beschikking over een eigen woning heeft met een

WOZ waarde van € 160.000. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde: Ik heb een huurwoning en daar betaalde ik vorig jaar € 488 per

maand voor. Ik heb nooit een eigen koopwoning gehad en mijn man ook niet.

Vraag verbalisanten: Heeft u in 2010 een bedrag betaald aan hypotheekrente voor een

eigen woning?

Antwoord gehoorde: Nee.

5.

Geschriften zijnde uitdraaien uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende verzoeken voorlopige aanslagen ten name van [A] over de jaren 2010 en 2011 waarin staat vermeld dat aanvrager in het jaar 2010 € 16.530,00 en in het jaar 2011 € 21.400,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald.

6.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [B], d.d. 15 september 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik ken geen Keur Kozijn en heb ook geen loon van € 34.000,--. Ik heb ook geen eigen woning. Ik heb nooit een hypotheek gehad.

7.

Een geschrift zijnde een aanvraagformulier maandelijks inkomen ten name van [B] waarop staat vermeld: Bruto jaarinkomen aanvragen: € 20.162,76 en Koop/huurwoning: inwonend

8.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [B] over het jaar 2011 waarin staat vermeld dat aanvrager in het jaar 2011 € 19.600,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald en een loon heef genoten van € 34.600,00.

9.

Het proces-verbaal van aangifte van [D], d.d. 26 september 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangeefster:

In de maand februari 2011 heb ik op internet “Speurders.nl” een oproep geplaatst dat ik dringend geld nodig had om orde op zaken te kunnen stellen in mijn financiële puinhoop. Begin april 2011 heb ik een serieuze reactie via mail gekregen van Klantbeheer, een bureau zonder website, zonder telefoonnummer, alleen een e—mailadres en postbus: nummer [aaa] , 7550 AE in Hengelo. Achter Klantbeheer zit een zekere [Z] , een valse naam, zo blijkt achteraf. [Z] komt in mijn mails hoffelijk over. Ik heb per mail een aanvraagformulier voor maandelijks inkomen moeten invullen inclusief DiGicode en heb dit ingevuld en retour gedaan. Vervolgens kreeg ik een voorlopige aanslag 2011 van de Belastingdienst in mijn brievenbus. Dagtekening: 29 maart 2011. Begin april 2011

kreeg ik mail van [Z] , [zzzz] @gmail.com. In ruil voor die bemiddeling moest ik elke maand veertig procent, 385,- euro afdragen. Ik moest dat geld binnen een dag contant in een envelop naar postbusnummer [aaa] in Hengelo sturen. Een

dag later kreeg ik een mail van [Z] . Ik zag dit een bevestigingmail met een bedankje was. Voor zes maanden lang kreeg ik 870,- euro per maand op mijn bankrekeningnummer gestort en voor zes maanden lang stuurde ik 385,- euro contact in een envelop naar postbusnummer [aaa] in Hengelo. Op 15 augustus 2011 kreeg ik wederom een mail van [Z] . Ik zag dat daarin stond dat zijn e—mailadres was gewijzigd in:

klantbeheer@gmail.com. Op 15 september 2011 kreeg ik de maandelijkse mail van [Z]

. Ik zag dat in dit mail de postbusnummer was gewijzigd in: Postbusnummer [bb] , 7550 AB in Hengelo. Op 17 september 2011 heb ik dit verhaal uitgelegd aan mijn vriend. Ik heb alle mailtjes van [Z] en de voorlopige aanslag 2011 aan mijn vriend laten lezen. Mijn vriend zag op de achterzijde van de voorlopige aanslag 2011 dat mijn gegevens die daarop vermeld stond niet klopte. Hij zag een bedrag staan van 10573,— euro bij eigen

woning, terwijl ik geen eigen woning heb. Hij zag ook dat er een bedrag stond vermeld van 33800,— euro bij tegenwoordige dienstbetrekking, terwijl ik al jaren in de WAO ben.

10.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [D] over het jaar 2011 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2011 € 11.200,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald en een loon heef genoten van € 33.800,00.

11.

Een geschrift zijnde een aanvraagformulier maandelijks inkomen ten name van [D] waarop staat vermeld: Bruto jaarinkomen aanvragen: € 16.076,00 en Koop/huurwoning:huur.

12.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [G], d.d. 1 november 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik had vanaf 7 oktober 2011 niet de beschikking over een eigen woning. Ik woon sinds mei 2010 in een huurwoning.

13.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [G] over het jaar 2011 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2011 € 11.600,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald.

14.

Een geschrift zijnde een aanvraagformulier maandelijks inkomen ten name van [G] waarop staat vermeld: Bruto jaarinkomen aanvragen: € 20.000,00 en Koop/huurwoning huur € 509,00.

15.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [H], d.d. 27 oktober 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik had vanaf 1 januari 2010 niet de beschikking over een eigen woning. Ik huurde een woning. Ik heb in 2010 geen € 11.800,-- aan rente en kosten voor een hypotheek op een eigen woning betaald. Ik heb de aangifte niet ingestuurd. Dat zullen de leningverstrekkers zijn geweest.

16.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [H] over het jaar 2011 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2011 € 11.800,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald.

17.

Een geschrift zijnde een aanvraagformulier maandelijks inkomen ten name van [H] waarop staat vermeld: Bruto jaarinkomen aanvragen: € 14.500,00 en Koop/huurwoning: een van beide

18.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [I], d.d. 9 november 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Op de mededeling van de verbalisant dat in het systeem van de belastingdienst omstreeks 15 februari 2011 een voorlopige aangifte inkomstenbelasting 2011 is gedaan op zijn naam:

Dat heeft hij gedaan. Ik heb begin februari 2011 mijn DigiD-gebruikersnaam en wachtwoord aan [Z] afgegeven. Ik heb nooit een koopwoning gehad en ook nooit € 24.400,00 rente en kosten voor een hypotheek op een eigen woning gehad.

19.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [I] over het jaar 2011 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2011 € 24.400,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald.

20.

Een geschrift zijnde een aanvraagformulier maandelijks inkomen ten name van [I] waarop staat vermeld: Koop/huurwoning: huur

21.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [J], d.d. 3 november 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Op de vraag van de verbalisant of zij vanaf 1 januari 2011 de beschikking had over een eigen woning en in 2011 een bedrag van € 10.600,00 heeft betaald aan rente en kosten.

Nee, ik woon in een huurwoning en ik heb geen rente en kosten betaald. Ik denk dat degene die voor mij bezig is geweest de lening te regelen de voorlopige aangifte inkomsten belasting 2011 omstreeks 13 april 2011 heeft ingediend.

22.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [J] over het jaar 2011 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2011 € 10.600,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald.

23.

Een geschrift ten name van [J] waarop staat vermeld: netto inkomen € 1.165,00 per maand.

24.

Het proces-verbaal van aangifte van [E], d.d. 29 juli 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangeefster:

Op 8 oktober 2010 heb ik gereageerd op internet op een advertentie. Twee dagen later werd gebeld door ene [X] . Deze [X] vertelde dat zijn bedrijf werkzaam was bij de belastingdienst met ene [Y] als belastingadviseur. In november 2010 kreeg ik de eerste teruggave van de belastingdienst. Ik kreeg vervolgens het adres waar ik de provisie naar toe moest sturen, t.w. [X] , postbus [cc] , in Losser.

25.

Een geschrift, zijnde een door aanvraagster [E] ingevuld aanvraagformulier waarop door aanvraagster is vermeld dat haar inkomen € 6.316,00 en van haar partner 35.692,00 bedraagt.

26

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [E] over het jaar 2010 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2010 € 36.499,00 loon heeft genoten.

27.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [F], d.d. 1 november 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

In mei 2010 stond op speurders.nl een advertentie over het invullen van belastingformulieren. Ik naar aanleiding van deze advertentie een e-mail verzonden naar [Y] .

Vraag verbalisanten: Heeft u in 2010 een bedrag van € 21.300,00 betaald aan rente en kosten hypotheek eigen woning?

Nee want ik heb nooit een hypotheek gehad in verband met een koopwoning.

28.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [F] over het jaar 2010 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2010 € 21.300,00 rente schulden en kosten geldleningen eigen woning heeft gehad.

29.

Geschriften zijnde uitdraaien uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende verzoeken voorlopige aanslagen ten name van [A] over de jaren 2010 en 2011 waarin staat vermeld dat aanvrager in het jaar 2010 € 16.530,00 en in het jaar 2011 € 21.400,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald.

30.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , d.d. 18 oktober 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Vraag verbalisanten: Heeft u in 2011 een verzoek voorlopige teruggaaf

inkomstenbelasting 2011 ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

“Ik heb geen voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2011 ingediend. Dit jaar heb ik

alleen mijn aangifte inkomstenbelasting over 2010 ingediend. Dit heb ik gedaan met

behulp van mensen van het wijkcentrum Holtenbroek.”

Opmerking verbalisanten: Wij tonen gehoorde een uitdraai van het electronisch

ingediende verzoek voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2011 en delen gehoorde

mede, dat wij in het bezit zijn van een verzoek voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting

2011, dat is ingediend bij de Belastingdienst.

Op 11 april 2011 is elektronisch een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting op uw

naam en bsn/(sofi)nummer binnen gekomen bij de Belastingdienst.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u hierover vertellen?

Antwoord gehoorde:

“Ik heb geen verzoek zelf ingediend en ook niemand anders gevraagd om een dergelijk

verzoek 2011 in te dienen.

Ik heb wel een verzoek bij iemand in Hengelo gedaan voor een kleine financiering. Dit

had ik van via een postadres. Ik zag dit aan een postcode. Ik weet deze nu niet meer.

Het stond bij speurders vermeld. Ik moet echter wel eerlijk zijn, dat ik behoorlijk veel belasting heb gehad. Ik weet niet wie dat gedaan heeft. Ik heb vorige maand wat ontvangen en die maand daarvoor ook. Ik weet, dat dit uit Apeldoorn kwam. Ik zag dit op mijn bankrekening verschijnen en hoe dit kon, weet ik niet.

Ik heb wel een financiering aangevraagd bij die persoon uit regio Hengelo. Ik heb via

Speurders op internet een financiering aangevraagd. Ik heb hierop gereageerd. Ik kreeg

een lijstje toegezonden via de mail. Ik heb nooit iemand gesproken of ontmoet. Hierop

moest ik allerlei gegevens, zoals naam, adres, bankgegevens en het gewenste bedrag

invullen. Daarnaast moest ik een kopie van het paspoort verstrekken. Dit heb ik gedaan.

Ik heb mijn gegevens doorgegeven en het gewenste bedrag van € 6.000,- ingevuld. Ik

heb een hele tijd niets gehoord.

Na de aanvraag van de financiering heb ik beslist geen contact meer gehad met degene

bij wie ik mijn financiering via ‘speurders’ had aangevraagd, Ik ging er toen van uit dat

mijn aanvraag niets werd.

Opmerking verbalisanten:

Wij delen gehoorde mee, dat op uw verzoek voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting

2011 van 11 april 2011 is een bedrag van € 36.800 aan loon ingevuld met als werkgever

Belisol.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Was dit maar waar. Ik heb nooit gewerkt bij Belisol. Ik ken dit bedrijf niet eens.”

Opmerking verbalisanten:

Wij delen gehoorde mee, dat op uw verzoek voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting

2011 van 11 april 2011 een eigen woning met een WOZ-waarde van €172.000 als

hoofdverblijf is ingevuld. Tevens is in deze aangifte over de periode vanaf 3 juni 2011 tot

en met 31 december 2011 is een bedrag van € 19.900,- aan rente en kosten voor de

eigen woning ingevuld.

Vraag verbalisanten: Wat kunt u hierover vertellen?

Antwoord gehoorde:

“Ik moet hier hard om lachen, want ik woon in een kamertje bij iemand in. Hoe kun je een

uitkering hebben met een eigen woning.”

31.

Het door de rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] , d.d. 23 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik heb geld betaald aan [B] om geld te kunnen lenen. Hij vroeg mij om mijn digid-code. Toen de FIOD drie maanden later bij mij op de stoep stond werd mij duidelijk dat mijn digid-code was gebruikt voor de belasting. Ik heb waarschijnlijk wel geld ontvangen van de Belastingdienst.

32.

Een geschrift zijnde een uitdraai uit het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst betreffende een verzoek voorlopige aanslag ten name van [getuige 3] over het jaar 2011 waarin staat vermeld dat aanvraagster in het jaar 2011 € 22.600,00 aan rente en kosten voor de eigen woning heeft betaald.

33.

Een geschrift zijnde een aanvraagformulier maandelijks inkomen ten name van [getuige 3] waarop staat vermeld: Koop/huurwoning: huur 509,00.

34.

Geschriften, zijnde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekering/voorlopige teruggaaf 2010 en 2011, d.d. 15 juli 2010 en 15 januari 2011, ten name van [getuige 1] .

34.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 15 september 2011, ten name van [getuige 3] .

35.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 16 mei 2011, ten name van [getuige 2] .

36.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 16 mei 2011, ten name van [B] .

37.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 29 maart 2011, ten name van [D] .

38.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 15 januari 2011, ten name van [G] .

39.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 15 januari 2011, ten name van [H] .

40.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 15 maart 2011, ten name van [I] .

41.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2011, d.d. 16 mei 2011, ten name van [J] .

42.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2010, d.d. 15 januari 2010, ten name van [E] .

43.

Een geschrift, zijnde een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/voorlopige teruggaaf 2010, d.d. 16 augustus 2010, ten name van [F] .

1 NJ 1998, 782.

2 NJ 1997,720.

3 NJ 1976, 149 en NJ 1988,539.

4 NJ 2001,18.

5 NJ 1989, 682 en NJ 1988, 792.

6 NJ 2001, 330.

7 NbSr 2004, 470.