Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4642

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2014
Zaaknummer
C/07/194762 / HZ ZA 12-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade aan woonhuis door bouw nieuw stadhuis: geen c.s.q.n. verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/07/194762 / HZ ZA 12-47

Vonnis van 19 juni 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. D.P. Kant te Goor,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HARDENBERG,

zetelend te Hardenberg,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de conclusie van repliek met producties

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats], kadastraal bekend Stad [plaats], [nummer]. De woning van [eiser] bevindt zich op een afstand van ongeveer 74 meter van de plaats waar het oude gemeentehuis van de gemeente Hardenberg stond en waar het nieuwe gemeentehuis wordt gebouwd.

2.2.

In opdracht van de Gemeente is in 2008 een geotechnisch onderzoek uitgevoerd door Koops & Romeijn grondmechanica.

2.3.

Eveneens in opdracht van de Gemeente is in een straal van 30 meter rond de bouwplaats op 17 november 2009 respectievelijk 19 november 2009 een bouwkundige vooropname uitgevoerd aan de belendende percelen.

2.4.

Op 14 september 2009 is begonnen met de sloop van het oude gemeentehuis. Een klokkentoren behorende bij het oude gemeentehuis is op 19 oktober 2009 neergehaald. De sloop is beëindigd op 17 december 2009.

2.5.

Eind 2009 is een damwand in de grond geslagen, ter plaatse waar het nieuwe gemeentehuis van de gemeente Hardenberg zou worden gebouwd, om de bouw van het nieuwe gemeentehuis mogelijk te maken.

2.6.

In februari/maart 2010 is op de plaats waar het nieuwe gemeentehuis zou worden gebouwd bronbemaling uitgevoerd.

2.7.

Op 17 februari 2010 heeft een medewerker van Achmea Schadeservice Brand & Varia in opdracht van Centraal Beheer Achmea, de CAR-verzekeraar van de Gemeente, de woning van [eiser] geïnspecteerd.

2.8.

Hektec heeft in een rapport d.d. 9 april 2010 de trillingsmetingen als gevolg van het intrillen/drukken van de damwand vastgelegd. Het rapport vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

“(...)

6.1

Meetresultaten

De trillingsmetingen zijn verricht in de periode van 1 t/m 17 december 2009, 6 februari 2010 en van 1 december 2009 t/m 15 februari 2010. (…)

7 Conclusie

Op grond van de trillingsmeting wordt het volgende geconcludeerd:

Tijdens de trilwerkzaamheden is de gestelde grenswaarde licht overschreden.

Er kan worden gesteld dat, op basis van bestaande praktijkervaring en de SBR-A, een licht verhoogde kans op schade aan de belendingen is ontstaan tijdens de trilwerkzaamheden. Volgens bestaande inzichten en praktijkervaring zal geen schade optreden aan onderdelen van de constructie die niet tot de draagconstructie behoren.

(…)”

2.9.

De Hanselmangroep heeft in opdracht van [eiser] onderzoek gedaan naar diens woning. De Hanselmangroep heeft in verband daarmee een rapport opgesteld d.d. 8 juni 2010 waarin, voor zover van belang, het navolgende staat vermeld:

“Tijdens ons bezoek hebben wij de door cliënt aan de buiten- en binnenzijde getoonde gebreken geïnspecteerd en op beeldmateriaal vastgelegd.

(…)

Ten gevolge van het neerstorten van de klokkentoren is er een drukgolf in de grondslag ontstaan, welke zich in richting van de woning van cliënt ontwikkelde. Deze drukgolf heeft vervolgens spanningen in de fundamenten van de woning van cliënt veroorzaakt. Bij het vrijkomen van deze spanningen is het mogelijk dat gebreken, zoals hierboven omschreven, ontstaan.

Naast voornoemde sloopwerkzaamheden hebben wij geen andere omstandigheden kunnen ontdekken waardoor de aan ons getoonde gebreken kunnen zijn ontstaan.

Mede gelet op vorenstaande en na bestudering van de diverse stukken en mede gezien de afstand van ongeveer 75 meter, van de woning tot de bouwlocatie, de uitgevoerde sloopwerkzaamheden en de aard, vorm en locatie van de getoonde gebreken, sluiten wij niet uit dat er sprake is van een causaal verband.

Uitgaande van het herstellen van het voeg- en metselwerk, het vullen van de scheuren in de betonnen broodjes en in het stucwerk, het bijwerken van het stucwerk en het sausen van de beschadigde delen en rekeninghoudend met het afwerkingsniveau, zal met een schadeloosstelling c.q. bijdrage voor het herstel van de toename van (bestaande) gebreken naar schatting circa € 900,00 inclusief btw gemoeid zijn.

(…)”

2.10.

In opdracht van de Gemeente heeft ALC-Groep B.V. (Lemkes & Velthuijs BV) onderzoek gedaan naar de claim van [eiser]. ALC-Groep B.V. acht niet aangetoond dat de val van de klokkentoren een golfbeweging heeft veroorzaakt door de grond die spanning in de fundering zou hebben veroorzaakt, zulks volgt uit het Rapport van expertise d.d. 1 oktober 2010.

2.11.

Bouwtechnisch adviesbureau Alferink-Van Schieveen heeft in opdracht van [eiser] een notitie opgesteld d.d. 17 december 2010. De conclusie in deze notitie luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Conclusie

(…) De scheurvorming, welke zichtbaar is in de gevel, is waargenomen op de zwakste doorsnede van het metselwerk (onder het raan). Het is zeer goed mogelijk dat door de opgetreden trillingen te optredende trekspanningen te veel zijn geweest voor deze doorsnede van het metselwerk.

Ook m.b.t. de scheurvorming in de begane grondvloer kan het zo zijn dat de opgetreden trillingen, waardoor trekspanningen kunnen ontstaan, te veel zijn geworden voor deze vloer. Om te kunnen stellen dat deze scheurvorming volledig te wijten is aan de trillingen zal er verder onderzoek plaats moeten vinden.

(…)

De schade aan het buitengevelmetselwerk en de scheurvorming in de lichte wanden zijn esthetisch hinderlijk en niet constructief van aard.

(…)”

2.12.

Voorts heeft een architect, de heer J. Lamberts van Havers Lamberts adviseurs, in opdracht van [eiser] onderzoek verricht naar de grondwaterstanden die zijn genoemd in de bijlage bij de brief van de Gemeente d.d. 4 februari 2011. Bij brief d.d. 10 februari 2011 heeft de architect, voor zover van belang, als volgt bericht:

“(…)

Gezien het feit dat de fluctuaties in korte tijd zijn opgetreden en gelijktijdig in de bouwput (onder 8) grote verschillen zijn gemeten, vermoeden wij een oorzakelijk verband.

Wij hebben de indruk dat met name in de opstart fase de waterhuishouding niet geheel onder controle is geweest. De verschillen onder d. kunnen helaas niet gerelateerd worden aan de bouwput.

Omdat we de exacte inrichting van de meetlocaties en relatie tot de bouwput niet kennen, is nader informatie hieromtrent wellicht gewenst.

Zakkingen, hoe gering ook, veroorzaakt door snel wisselende grondwaterstanden, met name in de opstartfase van bronnering, willen wij bepaald niet uitsluiten.

(…)”

2.13.

Lengkeek Expertises heeft in opdracht van de Gemeente onderzoek gedaan naar de door [eiser] geclaimde schade. Zij heeft in de brief d.d. 30 september 2011 haar bevindingen neergelegd en concludeert als volgt:

“Al met al zien wij op grond van de thans beschikbare gegevens en inzichten geen enkel oorzakelijk verband tussen de bronbemaling zoals die gebruikt is in de bouwkuip en de geclaimde schade aan de woning van tegenpartij.”

2.14.

Bij brief d.d. 21 oktober 2011 heeft VolkerWessels [eiser], voor zover van belang, als volgt bericht:

“(…)

Nu er dan ook geen verband is gebleken tussen de door uw cliënt geclaimde schade en de grondwateronttrekking uit de bouwput kunnen wij geen aansprakelijkheid accepteren.”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de (toekomstige) schade aan de woning van [eiser] en veroordeling van de Gemeente om aan [eiser] te betalen de schade die [eiser] ten gevolge van het hiervoor genoemde onrechtmatig handelen van de Gemeente heeft geleden en zal lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure waaronder de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

De Gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit de processtukken volgt dat de Gemeente de bevoegdheid van de rechtbank betwist. De rechtbank gaat ervan uit dat de Gemeente niet bedoelt de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten – in eerste aanleg is de rechtbank immers altijd bevoegd – maar bedoelt de vraag op te werpen of de zaak wel bij de juiste kamer is aangebracht (competentie kamer voor handelszaken of competentie kantonrechter). Overigens constateert de rechtbank dat de Gemeente aan haar stelling geen (expliciet) rechtsgevolg verbindt, in die zin dat zij op grond van artikel 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwijzing naar de kantonrechter verlangt. De Gemeente heeft in dit kader naar voren gebracht dat uit de stukken blijkt dat de mogelijk door [eiser] geleden schade niet meer bedraagt dan € 900,- en dat dus duidelijk is dat de vordering de waarde van € 25.000,- niet te boven gaat. Wat daar ook van zij, nu de vordering van [eiser] van onbepaalde waarde is en [eiser] zich ter zake van de schade op het standpunt stelt dat zijn woning herbouwd dient te worden, ziet de rechtbank geen aanleiding de zaak te verwijzen naar de kantonrechter.

4.2.

[eiser] heeft, kort gezegd, aangevoerd dat de Gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Ter nadere onderbouwing heeft [eiser] aangevoerd dat de Gemeente de (rechts-)plicht heeft om te voorkomen dat in haar opdracht uitgevoerde werkzaamheden schade veroorzaken. Naar de rechtbank begrijpt verwijt [eiser] de Gemeente dat zij deze plicht in het concrete geval heeft geschonden omdat zij heeft nagelaten voldoende onderzoek te verrichten naar de bodemgesteldheid rondom het nieuw te bouwen gemeentehuis. Als gevolg van het neerhalen van de klokkentoren op 19 oktober 2009, het intrillen van de damwand in december 2009 en de bronbemaling heeft [eiser] schade geleden aan zijn woning bestaande uit scheurvorming en het werken van de woning. Als gevolg hiervan is zijn woning onverkoopbaar geworden. Om weer in dezelfde vermogenspositie te komen dient zijn woning te worden gesloopt en weer te worden herbouwd. Ter onderbouwing van het causaal verband zijn door [eiser] diverse stukken van deskundigen in het geding gebracht.

4.3.

De Gemeente bestrijdt dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. In het algemeen is niet duidelijk welke norm de Gemeente heeft geschonden en in het bijzonder is niet duidelijk welk onderzoek de Gemeente had moeten laten doen. Het feit dat de vooropname zich heeft beperkt tot een straal van 30 meter rondom het nieuw te bouwen gemeentehuis is niet relevant aangezien het nalaten van het uitvoeren van een vooropname bij [eiser] geen schade heeft veroorzaakt, aldus de Gemeente. De Gemeente betwist voorts het causaal verband. [eiser] heeft niet aangetoond dat de schade is ontstaan nadat de werkzaamheden waren gestart en dat het geen “oude” schade betreft. De Gemeente verwijst naar het ingebrachte rapport van ALC-Groep B.V. en het rapport van Hektec waarin staat dat tijdens de werkzaamheden, behoudens enkele kortstondige overschrijdingen, de grenswaarden van de SBR-A niet zijn overschreden. Door de Gemeente wordt ook verwezen naar de eigen stukken van [eiser] waaruit geen duidelijk verband volgt aangezien daarin staat te lezen dat de uitgevoerde werkzaamheden inderdaad trillingen kunnen veroorzaken en dat door trillingen inderdaad scheuren kunnen ontstaan.

4.4.

[eiser] legt aan zijn vordering onrechtmatig handelen van de Gemeente ten grondslag. Voor aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW dient te zijn voldaan aan een vijftal vereisten, te weten: (1) onrechtmatige daad, (2) toerekenbaarheid van de daad aan de dader, (3) schade, (4) causaal verband tussen daad en schade en (5) relativiteit. De Gemeente betwist dat er sprake is van een onrechtmatige daad en van een causaal verband tussen daad en schade. Het dispuut tussen partijen is dan ook beperkt tot die twee elementen van het onrechtmatige daadsbegrip.

4.5.

Nog los van de vraag of de Gemeente onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het causaal verband tussen daad en schade zodat er reeds om die reden geen aansprakelijkheid van de Gemeente jegens [eiser] bestaat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.6.

Begrijpt de rechtbank de stellingen van [eiser] goed, dan is de door hem gestelde schade aan zijn woning veroorzaakt doordat de Gemeente onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de bodemgesteldheid (normschending) als gevolg waarvan de werkzaamheden (het slopen van de klokkentoren, het intrillen van de damwanden en bronbemaling) zijn uitgevoerd zonder rekening te houden met de gevolgen daarvan voor [eiser] waardoor [eiser] schade heeft geleden aan diens woning. Ter onderbouwing beroept [eiser] zich op het rapport van de Hanselmangroep d.d. 8 juni 2010, de notitie d.d. 17 december 2010 van Alferink-Van Schieveen, de brief van architect Lamberts d.d. 10 februari 2011 alsmede de e-mail d.d. 24 april 2012 van G. Tempert van Oude Lenferink Bouw die schrijft: “In de praktijk zijn we vaker tegen gekomen dat er schade ontstaat tijdens het aanbrengen of verwijderen van heiwerk / damwanden.”.

4.7.

Nog daargelaten dat, zoals de Gemeente terecht aanvoert, in de door [eiser] overgelegde stukken niet wordt ingegaan op de vraag hoe oud de scheuren in de woning van [eiser] precies zijn, wordt in geen van de rapporten onomwonden gesteld dat de scheurvorming door de werkzaamheden is ontstaan. Er wordt slechts gesproken over “is het mogelijk dat gebreken, (…), ontstaan” en “sluiten wij niet uit dat er sprake is van een causaal verband”(Hanselmangroep) of “het is zeer goed mogelijk dat” en “Om te kunnen stellen dat deze scheurvorming volledig te wijten is aan de trillingen zal er verder onderzoek plaats moeten vinden.”(Alferink-Van Schieveen). Uit de door [eiser] overgelegde stukken volgt derhalve slechts dat er weliswaar een kans / een mogelijkheid bestaat dat de scheurvorming en het gaan werken van het huis door de werkzaamheden is veroorzaakt, maar zeker is dat allerminst. De rapporten zijn op zichzelf dan ook onvoldoende om een c.s.q.n.-verband aan te nemen. Het c.s.q.n.-verband is aanwezig als gesproken kan worden van een redelijke mate van zekerheid. De door [eiser] overgelegde stukken geven die redelijke mate van zekerheid niet. Daar komt bij dat de door de Gemeente bij antwoord overgelegde stukken het gestelde verband tussen de werkzaamheden en de schade uitdrukkelijk weerspreken. Nadere bewijslevering is dan ook noodzakelijk. Echter, om tot bewijslevering te worden toegelaten dient aan de stelplicht te zijn voldaan. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van het causaal verband tussen daad en schade rusten op grond van artikel 150 Rv op [eiser]. Naar het oordeel van de rechtbank had van [eiser] in het licht van de door de Gemeente overgelegde stukken, waaruit onbestreden blijkt dat de trillingswaarden de norm slechts licht hebben overschreden, een nadere invulling van zijn stelplicht verwacht mogen worden. [eiser] kon, gelet op de door de Gemeente overgelegde rapportage bij antwoord, niet volstaan met de zeer summiere en in algemene termen (dat trillingen mogelijk scheuren veroorzaken) gestelde rapportage zoals door hem in het geding gebracht. Hieraan doet niet af dat [eiser] bij repliek nadere stukken heeft overgelegd, zoals het rapport van Alferink-Van Schieveen, nu dit laatste rapport vermeldt dat nader onderzoek moet plaatsvinden en gelet op de inhoud zo mogelijk nog minder redengevend is dan het rapport van de Hanselmangroep. Nu [eiser] niet aan de op hem rustende stelplicht heeft voldaan komt de rechtbank aan bewijslevering niet toe en is het causaal verband niet komen vast te staan.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de stelling dat de woning herbouwd dient te worden in verband met de scheurvorming, door geen enkele deskundige wordt onderschreven; Alferink-Van Schieveen geeft nota bene aan dat de schade niet constructief van aard is.

4.8.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van [eiser] worden afgewezen. De overige verweren van de Gemeente behoeven dan ook geen nadere bespreking.

4.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht 575,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.479,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.479,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2013.