Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4634

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
2239771 WM VERZ 13-1060
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een opgelegde verkeerssanctie. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Kantonnr.: 2239771 WM VERZ 13-1060

CJIBnr.: 162531887

De kantonrechter;

gezien het door

F. Eggink BC,

wonende te [adres], [woonplaats],

namens

[betrokkene]

hierna te noemen betrokkene,

ingediende beroepschrift dat zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Almelo van 3 oktober 2012 op het door betrokkene ingestelde beroep tegen de op 2 juli 2012 opgelegde sanctie ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV);

gezien voormelde beslissing van de officier van justitie, alsmede de overige op de zaak betrekking hebbende stukken;

Gehoord T. Bontekoe namens de officier van justitie ter openbare zitting van 13 november 2013 op welke zitting betrokkene niet is verschenen.

Overweegt:

Het beroep is tijdig ingesteld en betrokkene heeft binnen de bij de WAHV bepaalde termijn zekerheid gesteld, zodat het beroep ontvankelijk is.

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 88,--, vermeerderd met € 6,-- administratiekosten, terzake van een bij de WAHV omschreven gedraging die in strijd is met een op het verkeer betrekking hebbend voorschrift, te weten: “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”, gepleegd op 25 juni 2012 in de gemeente Hoge Hexel.

De kantonrechter begrijpt het “bezwaarschrift” van 11 juli 2012 en het “aanvullend bezwaarschrift” van gemachtigde van 8-8-2012 zo dat deze ondanks de gebruikte “ik-vorm” kennelijk bedoelt te zeggen dat niet hijzelf maar betrokkene in het voertuig van betrokkene reed en daarmee toen niet de bewuste gedraging heeft gepleegd.

Betrokkene bestrijdt dat er sprake is van een betrouwbare meting en verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad. Betrokkene vraagt om toezending van het zaakoverzicht alsmede om het inzagerecht bij de Officier van Justitie te Almelo te laten plaatsvinden. Tenslotte maakt betrokkene bezwaar tegen de administratiekosten.

De officier van justitie heeft dat beroep ongegrond verklaard omdat er zich in het dossier een ambtsedige verklaring van de verbalisant waarin is gesteld dat de gebruikte apparatuur getest, geijkt en volgens de voorgeschreven wijze is gebruikt. Wat betrokkene naar voren brengt roept onvoldoende twijfel op over de juistheid van de verklaring van de verbalisant.de bedienaar. Gezien de uitspraak van het Hof te Leeuwarden d.d. 15 juni 2012 zijn de administratiekosten terecht opgelegd. Voor het verkrijgen van nadere informatie omtrent de overtreding verwijst de officier van justitie naar de achterzijde van de reeds door betrokkene ontvangen beschikking.

In het beroep tegen die beslissing heeft betrokkene het eerdere standpunt herhaald. Hij geeft verder aan dat de beslissing van de officier van justitie onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op zijn betoog over de betrouwbaarheid van de meting. Betrokkene brengt verder naar voren dat niet is voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij voert ten aanzien van de ijking van de apparatuur aan dat “blijkt dat er geen controle is dat de apparatuur geijkt is” en hij brengt stellingen naar voren ter onderbouwing hiervan. Hij voert aan dat op de foto meerdere auto’s zijn te zien. Tenslotte herhaalt hij dat het heffen van administratiekosten volgens een recente uitspraak van een rechter niet is toegestaan.

De officier van justitie heeft ter zitting voorgesteld het beroep ongegrond te verklaren aangezien er een ambtsedig proces-verbaal van de overtreding is opgesteld en de officier van justitie geen reden tot twijfel heeft over de juistheid daarvan en de waarneming door de verbalisant.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie als volgt.

Ten aanzien van de schending van de motiveringsplicht overweegt de kantonrechter dat in de eerdere schrifturen slechts niet onderbouwde stellingen naar voren zijn gebracht over de onbetrouwbaarheid van de meting en de verklaring daaromtrent van de verbalisant. De motivering waarmee de officier van justitie die heeft verworpen zijn voldoende redengevend.

De in het beroep naar voren gebrachte stelling dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden is voor de kantonrechter onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor de beweerdelijke schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Wat betreft de betrouwbaarheid van de meting wordt thans wel een onderbouwing gegeven van de stelling dat deze onvoldoende is geweest.

De kantonrechter stelt vast dat dit beroepschrift, afgezien van de daarin genoemde data en nummers, in het bijzonder ook op dit punt kennelijk op hoofdlijnen overeenkomt met een beroepschrift van dezelfde gemachtigde dat geleid heeft tot het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 20 maart 2012, WAHV 200.087.495 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BZ6620)

In het dossier bevindt zich een foto van de betreffende gedraging en door betrokkene is ook een ijkrapport overgelegd. Beide met betrekking tot setnummer 60005 en Antenne-eenheid Multaradar C, nummer 590-107/60005.

Op de foto is alleen heel erg in de verte nog een deel van een auto te zien die in dezelfde rijrichting aan komt rijden. Er is geen enkele reden naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan het feit dat de verbalisant de sanctie heeft opgelegd aan betrokkene voor een gedraging van een ander voertuig dan de prominent op de foto zichtbare foto van betrokkene.

Betrokkene klaagt over de standaardteksten van de officier van justitie maar hij gebruikt deze zelf kennelijk ook. Het gerechtshof te Leeuwarden is in het zojuist genoemde arrest ingegaan op deze zelfde kennelijk ook in die zaak naar voren gebrachte grond en op basis van nader ingewonnen informatie, tot de conclusie gekomen dat de stellingen over de betrouwbaarheid van de meting op overtuigende wijze zijn weerlegd. De gemachtigde van betrokkene voert als de kantonrechter het goed ziet, helemaal niets nieuws toe. Hij klaagt nu voor deze betrokkene over een punt waarover hij reeds het oordeel van de hoogste rechter kent.

De kantonrechter valt op dat in de zaak die door het Gerechtshof is beoordeeld zelfs sprake is geweest van dezelfde antenne-eenheid als in de onderhavige zaak. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van de rapportage die in het arrest besproken wordt en waarmee betrokkene’s gemachtigde bekend verondersteld mag worden (-hij heeft zelfs weer correspondentie uit die zaak aan zijn stukken toegevoegd), geen grond meer bestaat voor twijfel over de juistheid van de meting en de betrouwbaarheid van de verklaring van de verbalisant. Ook voor het overige is onvoldoende naar voren gebracht dat de kantonrechter tot het oordeel kan brengen dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant.

De verwijzing naar een tweetal uitspraken van de kantonrechter te Enschede (ECLI:NL:RBALM:2011:BV1324) en die te ’s Gravenhage van 2011, zijn onvoldoende om de kantonrechter tot een ander oordeel te brengen, al is het maar omdat het oordeel van het gerechtshof dateert van na de aangehaalde uitspraken van de kantonrechters.

Voor wat betreft de grond met betrekking tot de administratiekosten merkt de kantonrechter op dat betrokkene kennelijk niet ingaat op de motivering van de officier van justitie dat de door hem bedoelde “recente uitspraak van een kantonrechter” inmiddels was vernietigd door het gerechtshof. Hij kan wel blijven herhalen dat die recente uitspraak van een kantonrechter er is, maar de kantonrechter stelt vast dat het hof het niet met betrokkene en de aangehaalde “recent oordelende kantonrechter” eens is.

Ten aanzien van de administratiekosten verwijst de kantonrechter in de eerste plaats naar het arrest van het Gerechtshof (Hof) te Leeuwarden van 15 juni 2012 (LJN BW 8480). De kantonrechter neemt daaruit de volgende motivering over en maakt deze tot de zijne.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de WAHV worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven omtrent de inning van de administratieve sanctie en hebben deze voorschriften in ieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling van de administratieve sanctie, de administratiekosten, de verantwoording van de ontvangen geldbedragen, alsmede op de kosten van verhaal, de invorderingskosten daaronder begrepen.

Onder artikel 22 tweede lid, van de WAHV aan de lagere regelgever gegeven opdracht tot het geven van voorschriften omtrent de inning van sancties, vallen ook voorschriften die betrekking hebben op de administratiekosten.

Artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 luidt als volgt: “Degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd, is administratie-kosten verschuldigd. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. De administratiekosten worden samen met de administratieve sanctie in rekening gebracht.

Artikel 1 van de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 2009, nr. 5600438, houdende vaststelling van de administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (Regeling), luidt als volgt:

“De administratiekosten, bedoeld in artikel 11a van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994, bedragen per administratieve sanctie € 6,--.

De kantonrechter concludeert dat het samen met de administratieve sanctie in rekening brengen van administratiekosten op een deugdelijke wettelijke grondslag berust. Niet is gebleken dat de Regeling de door de wet gestelde grenzen overschrijdt.

Geheel ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat het naar zijn smaak getuigt van een gebrek aan maatschappelijk bewustzijn bij de gemachtigde ten aanzien van de besteding van belastinggeld om in beroepschriften met grote herhaling eerder bewezen nergens toe leidende standpunten in te nemen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de meting, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de administratiekosten, enzovoort, en daarmee de officier van justitie en de kantonrechter te belasten. Dit is eens te meer zo doordat in bijna alle zaken een serie identieke WOB-verzoeken wordt gedaan, die werk veroorzaken voor velen, terwijl de informatie die dat oplevert voor deze kantonrechter nog nooit relevant is geweest nu deze telkens dient ter ondersteuning van dezelfde, ook in de onderhavige zaak gevoerde, argumenten die in elk geval telkens door deze kantonrechter wordt verworpen onder verwijzing naar dezelfde arresten, onder meer gewezen in een zaak van deze zelfde gemachtigde.

De conclusie is dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslist:

Verklaart het beroep tegen de beschikking van de officier van justitie ongegrond.

Aldus gegeven te Almelo door mr. F.C. Berg, kantonrechter, en in tegenwoordigheid van Veldscholte, griffier, uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2013.

De griffier is buiten staat om

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift toegezonden aan betrokkene en de officier van justitie op:

Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen zes weken vanaf bovengenoemde datum van toezending hoger beroep instellen bij het gerechtshof te

Arnhem-Leeuwarden, doch alleen indien:

a. a) de bij deze beslissing opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of

b) het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld of omdat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de indiener wat dat betreft redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

Het beroepschrift moet tijdig worden ingediend bij de rechtbank, sector straf, locatie Almelo (postadres: postbus 323, 7600 AH Almelo) en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift om een zitting wordt gevraagd om uw standpunt mondeling toe te lichten.