Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4561

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
25-03-2014
Zaaknummer
C 08/146204 FT RK 1595/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening in het kader van verzoek wettelijke schuldsanering bestaande uit een verbod tot het gijzelen van verzoeker op grond van artikel 28 WAHV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C 08/146204 FT RK 1595/13

datum beschikking: 18 november 2013

beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te[woonplaats], [adres],

verzoeker,

verder ook te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: Slinkman De Graaf advocaten te Hoogezand,

verder ook te noemen: Slinkman

tegen

de Officier van Justitie in het arrondissement Noord-Nederland (voorheen genaamd de Officier van Justitie in het arrondissement Leeuwarden)

gevestigd te Leeuwarden,

verder te noemen: de Officier van Justitie,

verweerder,

Het procesverloop

[verzoeker] heeft bij verzoek van 17 oktober 2013 verzocht de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. Bij dit verzoek is een verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet (Fw.) gevoegd.

[verzoeker] verzoekt in deze procedure de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen op grond van artikel 287 lid 4 Fw.. [verzoeker] heeft bij verzoek van 18 oktober 2013 verzocht om totdat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal zijn beslist, bij voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, de Officier van Justitie te verbieden over te gaan tot gijzeling van [verzoeker] op grond van een achttal opgelegde sancties.

Op 11 november 2013 is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ter zitting behandeld. [verzoeker] is vergezeld door mr. G.B. de Jong verschenen. Aangezien niet duidelijk was of de Officier van Justitie was opgeroepen, is deze bij fax van 11 november 2013 (nogmaals) opgeroepen voor de zitting van 18 november 2013. Inmiddels heeft de Officier van Justitie bericht niet te zullen verschijnen op de zitting van 18 november 2013. Dientengevolge heeft de (voortgezette) behandeling op 18 november 2013 geen doorgang gevonden.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De feiten

[verzoeker] heeft acht afzonderlijke aankondigen van gijzeling door de politie (Arrestantenzorg & Justitiële Ondersteuning) bij niet betaling van sancties voor ‘gedragingen’, zoals overschrijding van de maximum snelheid, het verliezen van de geldigheid van het keuringsbewijs voor een motorrijtuig en het onverzekerd zijn van een motorvoertuig, ontvangen. De aankondigingen zijn allen gedateerd op 23 juli 2013. Het totale sanctiebedrag, inclusief verhogingen, bedroeg op 23 juli 2013 volgens de aankondigingen van de gijzeling

€ 3.890,25. De sancties zijn veroorzaakt in 2011 en in 2012, tot en met april. De gijzeling vindt plaats op grond van artikel 28 Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV).

Er is sprake van problematische schulden. [verzoeker] heeft zich tot Slinkman gewend om te proberen op minnelijke wijze een schuldsaneringsregeling met zijn schuldeisers overeen te komen. Dit is niet gelukt, zodat Slinkman voor [verzoeker] een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft ingediend en tegelijkertijd heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de aangekondigde gijzeling. Volgens een bijlage bij de verzoeken bedraagt de totale schuldenlast € 18.277,03, waarin aan CJIB-schulden (sancties) een totaal bedrag van € 733,51 is opgenomen.

Volgens de verzoeken met bijlagen zijn de sancties veroorzaakt door de ex-partner van [verzoeker], mevrouw[J], verder te noemen: [J]. In de zomer van 2010 heeft [verzoeker] een relatie gekregen met [J] en kort daarna zijn ze gaan samenwonen. [verzoeker] was gedurende de relatie voor het merendeel fulltime aan het werk en [J] was thuis, alwaar ze onder andere de financiën beheerde. [verzoeker] heeft verklaard dat er tijdens de samenwoning kentekens van auto’s, met zijn instemming, op zijn naam zijn geregistreerd, van welke auto’s de broer van [J] gebruik heeft gemaakt. Nadat de relatie met [J] in oktober 2012 is geëindigd, is [verzoeker] er achter gekomen dat [J] vele rekeningen onbetaald heeft gelaten en dat de broer van [J] met de auto’s van [verzoeker] de oplegging van diverse sancties heeft veroorzaakt en deze sancties onbetaald heeft gelaten. [J] heeft de rekeningen en post betreffende de sancties tot aan het eind van hun relatie verstopt, zodat [verzoeker] er geen weet van had, aldus [verzoeker].

[verzoeker] is thans samenwonend met mevrouw [G]. Samen met zijn nieuwe partner probeert hij zijn financiën op orde te brengen.

Met ingang van 18 juli 2013 is [verzoeker] een arbeidsovereenkomst in de zin van een oproepcontract aangegaan. Het betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die eindigt op 20 december 2013. In de praktijk komt het er op neer dat [verzoeker] fulltime werkzaam is. [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift aangevoerd dat, indien hij wordt gegijzeld, zijn arbeidsovereenkomst naar alle waarschijnlijkheid op zo kort mogelijke termijn, wellicht zelfs op basis van ontslag op staande voet, wordt beëindigd. [verzoeker] heeft tevens aangevoerd dat behoud van zijn baan belangrijk is voor zijn kansen op toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

[verzoeker] heeft verzocht de beschikking op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De toelichting van [verzoeker] ter zitting:

[verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat de politie inmiddels zeven keer bij hem ‘aan de deur is geweest’ om hem te gijzelen, maar dat hij op die momenten niet thuis was in verband met zijn werk. Volgens [verzoeker] heeft hij geen oproep voor een zitting van de kantonrechter ontvangen, op welke zitting de machtiging van de Officier van Justitie door de kantonrechter tot gijzeling van [verzoeker] behandeld zou worden. [verzoeker] heeft verklaard evenmin ‘bewijzen’ van een dergelijke machtiging te hebben gezien.

Volgens [verzoeker] heeft hij de kentekens van de auto’s, waarmee de broer van zijn toenmalige vriendin de oplegging van de sancties heeft veroorzaakt, op zijn naam laten registreren, omdat die broer dat zelf niet meer ‘kon’. [verzoeker] heeft verklaard dat hij eerst vanaf het moment dat hij, na het eindigen van zijn relatie met [J], de post op zijn nieuwe adres ontving, heeft bemerkt dat er veel schulden, waaronder schulden bestaande uit onbetaalde sancties, waren ontstaan. Volgens [verzoeker] bedraagt zijn schuldenlast ongeveer

€ 22.000,--, inclusief circa € 4.000,-- aan CJIB-boetes. [verzoeker] heeft verklaard dat hij thans meer dan fulltime werkt en een gijzeling van enkele weken hem bij zijn werkgever in grote problemen zou brengen.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet tot doel heeft een spoedeisende beslissing in het kader van de toelating tot de schuldsaneringsregeling te geven. Tegelijkertijd met het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening is een volledig verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling overgelegd, dat op 25 november 2013 ter zitting zal worden behandeld. Ten aanzien van de gijzeling op grond van artikel 28 WAHV overweegt de rechtbank dat de Officier van Justitie op grond van voornoemd artikel bij de kantonrechter een vordering kan instellen om te worden gemachtigd om per gedraging waarvoor een administratieve sanctie is opgelegd, het dwangmiddel gijzeling toe te passen. Het is in het onderhavige geval niet vast komen te staan of een dergelijke machtiging of machtigingen door de kantonrechter is of zijn afgegeven, maar de rechtbank is op grond van het feit dat de politie zich reeds diverse keren voor het in gijzeling nemen van [verzoeker] op zijn woonadres heeft gemeld, van oordeel dat aannemelijk is geworden dat een machtiging of machtigingen tot gijzeling is of zijn verstrekt. De rechtbank is voorts van oordeel dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat de politie (zeer) binnenkort opnieuw zal proberen [verzoeker] in gijzeling te nemen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van spoedeisendheid. De rechtbank overweegt voorts dat er sprake moet zijn van een bedreigende situatie, in die zin dat deze de kans op of de uitvoering van een mogelijke wettelijke schuldsaneringsregeling zal verkleinen. De rechtbank is van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van een bedreigende situatie, omdat het aannemelijk is dat [verzoeker] zijn baan kwijtraakt, indien hij wordt gegijzeld en het verlies van die baan zijn kansen op toelating tot de schuldsaneringsregeling verminderen. De rechtbank concludeert dat in het geval van [verzoeker] een spoedeisende beslissing wegens het aanwezig zijn van een bedreigende situatie in het kader van toelating tot de schuldsaneringsregeling geboden is.

De rechtbank overweegt dat bij een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet het belang van de schuldenaar om een zo groot mogelijke kans te hebben op het welslagen van de schuldsaneringsregeling voorop staat, tenzij dit in strijd is met het belang van de schuldeiser. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [verzoeker] om zijn baan te houden, daardoor zijn kansen op toelating tot de schuldsaneringsregeling te vergroten en wellicht in een schuldsaneringsregeling te sparen voor zijn schuldeisers, waaronder de Officier van Justitie, groter is dan het belang van de Officier van Justitie om [verzoeker] te gijzelen voor boetes die reeds in 2011 en begin 2012 zijn opgelegd en welke gijzeling niet het verval van de sancties (boetes) tot gevolg zal hebben.

De rechtbank concludeert op grond van de ingediende verzoeken met bijlagen dat toelating tot de schuldsaneringsregeling van[verzoeker] op voorhand niet onaannemelijk is. De rechtbank overweegt op grond van artikel 302 Faillissementswet dat, nu de gijzeling plaats zou vinden op grond van schulden, die onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen, gijzeling tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet mogelijk is, zodat de voorlopige voorziening belangen beschermd, die tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling blijven bestaan.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen in die zin dat het de Officier van Justitie wordt verboden over te gaan tot gijzeling van [verzoeker] op grond van artikel 28 WAHV.

De beslissing

De rechtbank:

I. verbiedt de Officier van Justitie over te gaan tot gijzeling van [verzoeker] op grond van artikel 28 WAHV voor de duur van deze voorlopige voorziening;

II. bepaalt dat deze voorlopige voorziening geldt tot acht dagen nadat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist, dan wel totdat dit verzoek door [verzoeker] wordt ingetrokken;

III. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Bosch, op 18 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier1.

1 Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen (art. 287 lid 4 Fw.)