Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4269

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
C/08/148210 / KG ZA 13-428
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter spreekt de voorlopige OTS uit, zodat de ouders met behulp van de voogd weer uitvoering kunnen geven aan de omgang en om hen beter met elkaar te laten communiceren. De man wordt daarnaast veroordeeld mee te werken aan de (erkenning van) de echtscheiding in Iran via de ambassade in Den Haag. Dit alles onder verbeurte van een dwangsom. Niet gebleken is dat één van partijen in Iran een echtscheidingsprocedure is gestart, zodat de erkenning van de (mede op verzoek van de man) in Nederland uitgesproken echtscheiding via de ambassade mogelijk zou moeten zijn. Dat de man bepaalde bevoegdheden ten aan zien van de kinderen daardoor zou verliezen is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

Kort Geding

zaaknummer: C/08/148210 / KG ZA 13-428

vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, tevens kinderrechter, rechtdoende in kort geding d.d. 24 december 2013

inzake

[eiseres],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende op een geheim adres,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat: mr. T.H. Dijkstra,

tegen

[gedaagde],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat: mr. M.O. Wattilete.

Het procesverloop

De vrouw heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De man heeft verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 december 2013. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. K.M. ten Voorde, kantoorgenoot van mr. Dijkstra, de man, bijgestaan door mr. Wattilete en mevrouw A. Pilon-Owliaee, tolk. De Raad voor de Kinderbescherming te Almelo is vertegenwoordigd door de heer A.A.H. Pots.

Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Het vonnis is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Partijen zijn op 18 augustus 2003 te Iran gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2005],

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2005],

- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [2005].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de vrouw.

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 18 juni 2009 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 20 oktober 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 9 september 2009 is een omgangsregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 13 juli 2011 zijn de kinderen onder toezicht gesteld voor de duur van twee maanden. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking van 29 augustus 2011 door de kinderrechter verlengd tot 13 juli 2012.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 6 juni 2012 is het verzoek van de vrouw tot beëindiging van de omgangsregeling afgewezen en is een gewijzigde omgangsregeling vastgesteld. Daarbij is verstaan dat de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling invulling zal geven aan die regeling.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 18 december 2012 is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Ten aanzien van de omgangsregeling

De vrouw heeft gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, dat de omgang tussen de man en de kinderen zoals vastgesteld bij voormelde beschikking van 6 juni 2012, met onmiddellijke ingang wordt opgeschort.

Zij stelt - kort en zakelijk weergegeven - dat de omgangsregeling al jaren voor problemen zorgt. De situatie rond de omgang wordt gekenmerkt door dreigementen van de zijde van de man. De vrouw vreest dat de ontwikkeling van de kinderen door de omgang ernstig wordt bedreigd. Tijdens de ondertoezichtstelling van de kinderen werd de omgang begeleid door de gezinsvoogd. Nadat de ondertoezichtstelling was beëindigd, begonnen de problemen rond de omgang opnieuw. [minderjarige 2] is weer gaan bedplassen. De kinderen hebben verklaard dat de man drugs gebruikt en dat hij de kinderen bij de keel heeft gepakt en tegen de muur gedrukt. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn hierdoor angstig geworden. De vrouw vreest voor de veiligheid van de kinderen. De man heeft eenmaal de vagina van [minderjarige 1] aangeraakt. [minderjarige 1] vond dat niet prettig. Zij heeft moeite met slapen. De vrouw heeft contact opgenomen met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. De vrouw heeft de man er al meerdere keren op aangesproken dat hij thuis in het bijzijn van de kinderen niet moet roken. De man trekt zich hier niets van aan. Telkens wanneer de man de kinderen haalt of brengt ontstaat er ruzie tussen de ouders. De man bedreigt de vrouw dan in het Farsi. Zij heeft een spoedeisend belang bij opschorting van de omgangsregeling. Zij heeft bij de kinderrechter een afzonderlijk verzoekschrift ingediend tot beëindiging van de omgangsregeling en tot wijziging van het gezag.

De man heeft verweer gevoerd. Hij erkent dat de communicatie tussen partijen niet goed is. Hij betwist de stellingen van de vrouw voor het overige. Hij betwist de gestelde spoedeisendheid. Hij ziet de kinderen regelmatig en zij hebben het naar hun zijn bij hem. De gronden die de vrouw aanvoert zijn dezelfde gronden die zij aanvoerde tijdens de vorige procedure over de beëindiging van de omgangsregeling.

Het verzoek van de vrouw is toen afgewezen. Hij ontkent dat hij de vrouw bedreigt.

Tijdens de ondertoezichtstelling verliep de omgangsregeling zonder problemen omdat de gezinsvoogd toezicht hield. De vrouw gebruikt de omgangsregeling als drukmiddel om de man te laten meewerken aan de inschrijving van de echtscheiding op de Iraanse ambassade. Het bedplassen van [minderjarige 2] speelt al langer. De man betwist dat hij drugs gebruikt en dat hij de kinderen bij de keel heeft gepakt en tegen de muur gedrukt. Hij rookt thuis niet. Hij betwist met klem dat hij de vagina van [minderjarige 1] heeft aangeraakt. De vrouw heeft hiervan ook geen aangifte gedaan bij de politie.

De man vordert in reconventie een verklaring voor recht dat de vrouw de omgangsregeling dient na te komen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per dag.

De voorzieningenrechter wijst de vordering in conventie van de vrouw en de vordering in reconventie van de man af. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het mondelinge verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van maximaal drie maanden. Tijdens de vorige ondertoezichtstelling verliep de omgang tussen de man en de kinderen zonder al te veel problemen door de bemoeienissen van en het toezicht door de gezinsvoogd. De ondertoezichtstelling is destijds niet verlengd, omdat de kinderrechter de ouders in staat achtte om zonder tussenkomst van de gezinsvoogd uitvoering te geven aan de omgangsregeling. Dit is de ouders blijkbaar niet gelukt. De voorzieningenrechter verwacht dat de ouders ook nu in staat zijn om met begeleiding van een gezinsvoogd uitvoering te geven aan de omgangsregeling. Wellicht lukt het de gezinsvoogd voorts om ouders beter met elkaar te laten communiceren. Tijdens de vorige ondertoezichtstelling sprak de gezinsvoogd de verwachting uit dat hierin nog verbetering viel te behalen.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft aangeboden om in de bodemprocedure onderzoek te doen naar en de rechtbank van advies te dienen over de omgang en het gezag.

Ten aanzien van de inschrijving van de echtscheiding

De vrouw heeft ook gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de echtscheiding in Iran, in die zin dat de man zich binnen drie dagen na de datum van dit vonnis dient te melden bij de Iraanse ambassade te Den Haag op een door de vrouw nader aan te geven tijdstip, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag.

Zij stelt hiertoe dat partijen in Iran nog geregistreerd staan als gehuwd. De (erkenning van de) echtscheiding in Iran dient te geschieden via de Iraanse ambassade in Nederland. De vrouw heeft hiervoor de medewerking van de man nodig. De man weigert hieraan mee te werken. Het is voor de vrouw niet mogelijk om naar Iran te reizen, zolang de echtscheiding niet naar Iraans recht is geregeld. De vrouw vreest dat haar kinderen haar zullen worden afgenomen wanneer zij Iran bezoekt. De vrouw wenst op korte termijn Iran te bezoeken, omdat haar moeder een zware operatie heeft ondergaan. Zij wil graag haar moeder en haar overige familie in Iran bezoeken. De weigering van de man acht de vrouw in strijd met de artikelen 6 en 8 van het EVRM.

De man stelt dat de vrouw geen (spoedeisend) belang heeft bij haar vordering. Hij stelt hiertoe dat hij al eerder op de Iraanse ambassade in Nederland is geweest om zijn medewerking te verlenen aan de afwikkeling van de echtscheiding in Iran. Toen bleek dat het niet meer mogelijk was om de echtscheiding op de Iraanse ambassade te regelen, omdat de vrouw in Iran al een echtscheidingsprocedure is begonnen. De man wenst bovendien niet mee te werken, omdat hij hierdoor afstand doet van al zijn toekomende rechten in Iran.

Hij kan bovendien niet worden gedwongen, naar Nederlands recht, om zijn rechten als Iraans burger onverkort prijs te geven. Voor een echtscheiding naar Iraans recht is een bodem-procedure in Iran noodzakelijk. De Nederlandse rechter heeft geen rechtsmacht om de echtscheiding naar Iraans recht te regelen.

De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw geen (spoedeisend) belang heeft bij haar vordering. Op 20 oktober 2009, dus ruim vier jaar geleden, heeft de rechtbank op verzoek van de man naar Nederlands recht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De vrouw probeert al geruime tijd de (erkenning van de) echtscheiding In Iran geregeld te krijgen via de Iraanse ambassade, zodat het voor haar mogelijk is om haar zieke moeder en haar overige familieleden te bezoeken zonder dat zij bang hoeft te zijn dat zij de kinderen moet afstaan aan de man of zijn familie. Tot op heden is dit niet gelukt. De voorzieningenrechter begrijpt dat de man zijn medewerking wel heeft willen verlenen aan de (erkenning van de) echtscheiding via de ambassade. Hij heeft ter zitting immers verklaard dat hij daarvoor samen met de vrouw op de ambassade is geweest. Hij stelt dat de (erkenning van de) echtscheiding via de ambassade echter niet meer mogelijk is, omdat de vrouw in Iran inmiddels een procedure tot echtscheiding is gestart.

De voorzieningenrechter gaat aan die stelling voorbij. De vrouw heeft immers gemotiveerd betwist dat zij een dergelijke procedure is gestart. De man heeft voorts verklaard dat hij zelf nog geen advocaat in Iran heeft ingeschakeld. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat ook de man nog geen echtscheidingsprocedure in Iran is gestart. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is (erkenning van de) echtscheiding via de Iraanse ambassade dus nog steeds mogelijk. Dat de man door hieraan mee te werken afstand doet van al zijn toekomende rechten in Iran acht de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk gemaakt. De man heeft, hoewel de voorzieningenrechter de man tijdens de mondelinge behandeling expliciet heeft gevraagd van welke rechten hij door medewerking afstand zou doen, hierover geen duidelijkheid verschaft. Indien en voor zover de man bedoelt te stellen dat hij bepaalde bevoegdheden met betrekking tot zijn kinderen zou verliezen, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij. De man heeft destijds zelf uitdrukkelijk gekozen voor toepassing van Nederlands recht op zijn verzoek tot echtscheiding en partijen zijn naar Nederlands recht gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. Door de erkenning in Iran van de Nederlandse echtscheiding en de nevenvoorzieningen blijven die beslissingen in stand en behoudt de man samen met de vrouw het gezag over zijn kinderen. Indien de man het niet eens was met de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijf-plaats van de kinderen vast te stellen bij de vrouw, had hij een rechtsmiddel kunnen aanwenden tegen die beslissing. De voorzieningenrechter begrijpt dat hij dit niet heeft gedaan.

De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw dan ook toewijzen indien en voor zover het voor de man mogelijk is aan die vordering mee te werken. Indien mocht blijken dat de (erkenning van de) echtscheiding in Iran niet via de ambassade kan worden gerealiseerd, dan zal de man niet aan de veroordeling kunnen worden gehouden. Het opleggen van een dwangsom is noodzakelijk als prikkel tot nakoming. Wel dient deze te worden gematigd en dient hieraan een maximum te worden verbonden, een en ander zoals hierna vermeld.

Ten aanzien van de kosten van deze procedure.

Omdat partijen voormalig echtelieden zijn, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

1.

Wijst af de vordering van de vrouw tot opschorting van de omgangsregeling.

2.

Veroordeelt de man om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de echtscheiding in Iran via de Iraanse ambassade in Den Haag op een door de vrouw nader te bepalen datum en tijdstip, indien en voor zover zijn medewerking hiervoor noodzakelijk is, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 500,- voor iedere dag dan wel gedeelte van een dag dat de man na betekening van dit vonnis zijn medewerking weigert, zulks tot een maximum van € 10.000,-.

3.

Verklaart onderdeel 2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

4.

Wijst af de vordering van de man.

In conventie en in reconventie

4.

Compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. Olthof, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van G.M. Keupink als griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.