Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4268

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
C/08/144318 / FA RK 13-1805 en C/08/144321/FA RK 13-1806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank wijst af het verzoek van de vader om hem alleen met het gezag te belasten en laat de voogdij over de minderjarige bij de grootouders (m.z.). Het kind woont bij de moeder die onder curatele staat. Niet gebleken is dat in die situatie het belang van het kind wordt verwaarloosd. De Rechtbank acht het aannemelijk dat de vader indien hij het gezag over de minderjarige heeft de verblijfplaats van dit kind ter discussie zal stellen. Dan valt te voorzien dat kind klem komt te zitten tussen de ouders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats [woonplaats]

Team jeugdrecht

zaaknummers: C/08/144318 / FA RK 13-1805 (gezag)

en C/08/144321/FA RK 13-1806 (omgang)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 23 december 2013 (HA)

op de verzoeken van

[verzoeker],

verder ook de man of de vader (zonder gezag) te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres]

verzoeker,

advocaat: mr. L.V.S. Cassese, kantoorhoudende [woonplaats].

De verzoeken zijn gericht tegen:

[belanghebbende 1],

verder ook de voogdes of de grootmoeder te noemen,

en haar echtgenoot

[belanghebbende 1],

verder ook de voogd of de grootvader te noemen,

beiden wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbenden en samen ook de grootouders te noemen of de ouders van de vrouw,

advocaat: mr. C.C. Janssens, kantoorhoudende te Huizen.

Als belanghebbende is in beide verzoeken aangemerkt

[belanghebbende 2],

verder ook de vrouw moeder (zonder gezag) te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres].

De verzoeken betreffen telkens de minderjarige:

[T], [geboorteplaats] op [geboortedatum].

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennis genomen van de inhoud van de navolgende stukken:

 een op 11 september 2013 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man, strekkende tot benoeming in het gezag ex artikel 1:253 c lid 4 van het Burgerlijk Wetboek, ingeschreven onder zaaknummer C/08/144318/ FA RK 13-1805;

 een op 30 oktober 2013 ter griffie ontvangen verweerschrift met bijlagen, tevens houdend zelfstandig verzoek, van de grootouders op dat verzoek;

 een op 11 september 2013 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man, strekkende tot het vaststellen van een omgangsregeling, ingeschreven onder zaaknummer C/08/144321/FA RK 13-1806;

 een op 30 oktober 2013 ter griffie ontvangen verweerschrift met bijlagen, tevens houdend zelfstandig verzoek, van de grootouders.

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft gezamenlijk plaatsgevonden ter zitting met gesloten deuren op 11 november 2013.

Ter zitting zijn verschenen en gehoord:

 de vader, bijgestaan door mr. Cassese,

 de grootouders, bijgestaan door mr. Janssens,

 de moeder,

 mevrouw [M] als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming te [woonplaats] (verder: de Raad)

Enkele vaststaande feiten

  • -

    [T] is geboren uit een affectieve relatie van de man en de vrouw.

  • -

    De man heeft [T] erkend. [T] verblijft bij de vrouw.

  • -

    Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 10 september 2002 is de vrouw onder curatele gesteld, waarbij haar ouders tot curator zijn benoemd.

  • -

    Bij beschikking van de rechtbank [woonplaats] van 3 oktober 2012 zijn de grootouders benoemd tot voogden over [T].

De standpunten

vader

Vader verzoekt om hem met het eenhoofdig gezag over [T] te belasten. Hij stelt dat, indien de grootouders niet tot voogden waren benoemd, [T] onder voogdij van de William Schrikker Stichting was gekomen omdat de Raad de voorkeur aan die instelling gaf. Ten tijde van de beschikking van 3 oktober 2012 heeft de man niet zelf, en heeft evenmin de Raad, een verzoek ingediend om hem met het gezag te belasten. Volgens de man zijn de voogden niet in de buurt van [T] woonachtig wat het nemen van beslissingen over [T] bemoeilijkt. De man stelt voorts dat er geen gegronde vrees bestaat voor de belangen van [T] indien zijn verzoek wordt toegewezen.

De man verzoekt een omgangsregeling tussen hem en [T] vast te leggen, een en ander conform zijn verzoek. De man stelt dat de grootouders hem slechts toestaan om gedurende drie uur per maand, en onder begeleiding, omgang met [T] te hebben. Hierdoor is hij niet in staat om een band met [T] op te bouwen.

Ter zitting stelt vader dat moeder voornemens is om vanuit [woonplaats] naar [H] te verhuizen. Vader is het niet eens met die verhuizing en het feit dat hij geen gezag heeft staat in de weg dat hij ingevolge artikel 1:253a een verhuizing kan tegenhouden. Ter zitting is door vader verzocht om een beslissing te nemen over het verhuisplan van moeder.

Vader is toegelaten tot de WSNP en vanwege zijn financiële situatie zal hij niet in staat zijn om regelmatig vanuit [woonplaats] naar [H] te reizen en dan contact met [T] te hebben.

Ter zitting heeft vader voorts opgemerkt dat hij niet zo goed overweg kan met de ouders van moeder en dat zij niet weten dat moeder en hij elkaar twee dagen in de week zien en dat [T] dan ook bij hen is.

grootouders

De grootouders zijn van mening dat het niet in het belang van [T] is indien de man met het gezag wordt belast. Volgens hen is het risico aanwezig dat [T] alsdan de inzet zal worden van de relatieproblemen tussen de ouders. Zij vrezen dat bij inwilliging de belangen van [T] zullen worden verwaarloosd. Een wijziging van het gezag betekent dat vader alleen beslissingen zal kunnen nemen over [T], zo ook over de hoofdverblijfplaats van [T]. Sinds zijn geboorte woont [T] bij moeder maar moeder heeft, gezien de curatele, geen gezag over [T]. Voor [T] is eerder een ondertoezichtstelling uitgesproken. Die onder-toezichtstelling is niet langer noodzakelijk geacht omdat het goed gaat met [T] bij moeder.

De grootouders verzoeken het omgangsverzoek van vader af te wijzen. De grootouders staan zeker open voor een omgangsregeling voor [T] met zijn vader voor maar dan wel een andere dan door vader wordt verzocht. De grootouders hebben een voorstel, onder voorwaarden, gedaan om de omgangsregeling op te bouwen, die zij in het belang van [T] achten en zij hebben verzocht om die (opbouw)omgangsregeling vast te stellen.

Ter zitting hebben de grootouders weersproken dat er sprake is van een verhuizing van moeder en [T] naar [H], zoals dat door vader wordt gezegd. Moeder wordt thans begeleid door het orthopedisch centrum Ambiq en zij woont thans via Ambiq in [woonplaats] omdat Ambiq niet in de provincie Gelderland gevestigd is. Er is in Nederland een beperkt aantal instellingen waar moeder zelfstandig kan wonen. Via BMO [H] (begeleid maatschappelijke ondersteuning) krijgt moeder binnenkort een mooi en ruim appartement in [H] waar 24-uurs begeleiding zal zijn. [T] zal ook dan bij moeder wonen en hij krijgt dan een eigen kamertje. Voor de grootouders is het belangrijk dat Ambiq van oordeel is dat het voor moeder mogelijk moet zijn om een zekere mate van zelfstandigheid te hebben en de grootouders ondersteunen dit. Volgens de grootouders is vader nadat hij was ontslagen in [woonplaats] gaan wonen omdat moeder daar woonde. Vader wist dat het wonen van moeder in [woonplaats] tijdelijk zou zijn in afwachting van een woonplek die thans voor haar in [H] beschikbaar is.

De grootouders vrezen dat indien de curatele van moeder wordt beëindigd, vader er alles aan zal doen om aan de financiële middelen van moeder te komen.

moeder

Moeder is het niet eens met de verzoeken van vader. Ze is daarover boos. Zij zou het liefst zelf het gezag over [T] hebben maar de curatele staat daarbij in de weg. Volgens moeder is het juist dat zij en vader elkaar twee dagen in de week zien en dat [T] daarbij is. Wat moeder betreft blijft de bezoekregeling staan als ze straks met [T] in [H] woont. Volgens moeder heeft vader juist tegen haar gezegd dat hij geen bezwaar heeft wanneer zij en [T] in [H] gaan wonen omdat dat in het belang van [T] is. Moeder heeft voorts te kennen gegeven dat zij vader iedere keer een kans geeft maar daarna ook weer de grond in wordt gestampt.

de Raad

De Raad is van oordeel dat het verzoek ten aanzien van het gezag van vader moet worden afgewezen. In het kader van de voogdij is door de Raad Utrecht onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat vader niet in aanmerking komt als gezaghebbende ouder. Moeder zit in een traject en blijkbaar is het wonen in [H] de volgende stap waartoe moeder de vrijheid en mogelijkheden zal moeten hebben. Voor wat betreft de omgang heeft de Raad geen rol omdat vader geen gezag heeft. De Raad acht het voorstel van de grootouders met betrekking tot de omgang een reëel voorstel.

Op de overige standpunten van de betrokkenen gaat de kinderrechter hierna -indien relevant- nader in.

De beoordeling

De kinderrechter dient thans een beslissing te geven op de verzoeken van de man en op het zelfstandig verzoek van de grootouders.

Eenhoofdig ouderlijk gezag, zoals door vader verzocht, dient naar het oordeel van de kinderrechter in het belang van [T] te zijn en moet een meerwaarde voor hem hebben ten opzichte van de huidige situatie waarin sprake is van voogdij door de grootouders.

Een wijziging van het gezag heeft tot gevolg dat vader alleen het gezag over [T] zal hebben, zonder moeder en zonder de grootouders.

De man stelt weliswaar dat het volgens de wet in beginsel de voorkeur geniet dat een biologische ouder het gezag heeft over een kind, maar gebleken is dat ten tijde van de voogdijbeschikking de Raad vader niet naar voren heeft geschoven als optie om het gezag over [T] te hebben. [T] woont bij moeder en niet is gesteld of gebleken dat in die situatie het belang van [T] wordt verwaarloosd. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de toekomstige woonsituatie van moeder en [T] in [H] hun belangen zal schaden.

In de context dat moeder een kwetsbare vrouw is acht de kinderrechter het aannemelijk dat vader indien hij het gezag heeft, het wonen van [T] bij moeder ter discussie zal stellen. In een dergelijke situatie valt te voorzien dat [T] klem komt te zitten tussen zijn ouders. Door vader is immers gesteld dat hij niet instemt met een verhuizing van [woonplaats] naar [H]. Dat vader en de grootouders, kort gezegd, niet meer door een deur kunnen mag zo zijn, maar daarmee is niet gezegd dat door de voogdijuitoefening door de grootouders de belangen van [T] worden geschaad. Grootouders staan immers een goed contact tussen [T] en vader voor, zoals hierna wordt besproken.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende is de kinderrechter van oordeel dat het gezagsverzoek van vader dient te worden afgewezen, nu het blijven uitoefenen van het gezag in de vorm van voogdij door de grootouders moederzijde het meest in het belang van [T] te achten is. Die situatie voorkomt dat het kind klem of verloren kan raken en dat de feitelijke positie van moeder in het gedrang komt.

Over de omgangsregeling overweegt en beslist de kinderrechter als volgt: Vader, die formeel geen ouderlijk gezag heeft, heeft om een (opbouw)omgangsregeling verzocht en de grootouders hebben een (opbouw)omgangsregeling voorgesteld. Niet is gebleken dat de grootouders contacten tussen vader en [T] tegenhouden of vader belemmeren in zijn contact met [T]. Bovendien is gebleken dat de grootouders en moeder de positie van de man als vader van [T] erkennen en dat zij het belangrijk vinden dat [T] een band met zijn vader opbouwt. Nu moeder binnenkort naar [H] verhuist, of inmiddels is verhuisd, niet of nauwelijks over financiële middelen beschikt en vader te kennen heeft gegeven dat hij evenmin over financiële middelen beschikt om reiskosten te dragen, en wederom alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, zal de kinderrechter weliswaar als regeling bepalen de regeling die de grootouders hebben voorgesteld, nu deze regeling (met een opbouw) in beginsel het meest in het belang van [T] is, maar de kinderrechter realiseert zich dat vader aan die regeling vanwege zijn financiële situatie mogelijk niet altijd invulling kan geven zolang hij nog in [woonplaats] woont en moeder met [T] al in [H] zou wonen. De regeling zal dus mogelijk met enige soepelheid en met begrip voor vaders situatie uitgevoerd moeten worden.

De kinderrechter gaat er van uit dat iedere vorm van contact tussen vader [T] in overleg met moeder, de grootouders en de in [H] voor moeder aanwezige hulpverlening zal plaatsvinden. Het is met name aan vader om te werken aan verbetering van zijn contacten met de grootouders, in het belang van [T], om er daarna samen iets moois voor hem van te maken.

De beslissing

in de zaken met de nummers 144318 FA RK 13-1805 en 144321/FA RK 13-1806

De kinderrechter:

1.

Wijst af het verzoek van vader om belast te worden met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.

2.

Treft inzake het recht op omgang tussen vader en [T] als regeling de opbouw-regeling zoals voorgesteld in het zelfstandig verzoek van de grootouders van
30 oktober 2013, te weten:

  1. Gedurende de eerste maand van de omgangsregeling bezoekt vader [T] bij moeder en [T] alwaar zij wonen. Vader komt tijdens die eerste maand de oneven weken op zondag van 14.00 uur tot 19.30 uur en in de even weken tijdens een doordeweeks dagdeel in overleg, afhankelijk van het werk van de vader en het activiteitenrooster van de moeder en [T].

  2. In de tweede maand van de omgangsregeling verblijft [T] tijdens de oneven weken op zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij vader en tijdens de even weken tijdens een doordeweeks dagdeel in overleg.

  3. Vanaf de derde maand tot en met de elfde maand van de omgangsregeling verblijft [T] tijdens de oneven weken op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij vader en tijdens de even weken tijdens een doordeweeks dagdeel in overleg.

  4. Vanaf twaalfde maand van de omgangsregeling tot [T]’ derde verjaardag verblijft [T] tijdens de oneven weken op zaterdag van 10.00 uur tot zondag 16.00 uur bij vader en een doordeweeks dagdeel in overleg.

  5. Vanaf het moment dat [T] drie jaar is -en mits de omgangsregeling goed verloopt- zal [T] tijdens de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij vader verblijvend en daarnaast een doordeweeks dagdeel in overleg.
    Vanaf dat moment zal [T] ook de helft van de feestdagen en schoolvakanties bij vader verblijven.

  6. Vader dient zorg te dragen voor het ophalen en thuisbrengen van [T].

3.

Verklaart deze beschikking met betrekking tot onderdeel 2. uitvoerbaar bij voorraad.

4.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van H.E. Abbink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2013.