Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4266

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
C/08/130834 / FA RK 12-951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Rechtbank beeindigt, mede gelet op de wens van de minderjarige, bestaande co-ouderschapssituatie en bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder. De Rechtbank overweegt dat het belang van de minderjarige prevaleert boven de wens van de vader om co-ouderschap te handhaven of verblijfplaats te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/130834 / FA RK 12-951 (KH)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 11 december 2013

inzake

[verzoeker],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam,

en

[belanghebbende],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. R.M. Hendriksen te Almelo.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 26 juli 2012, ingekomen op 1 augustus 2012,

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 1 augustus 2012; en

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 2 oktober 2012.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 oktober 2012. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder ook de Raad te noemen, is verschenen de heer. [G].

Op 30 januari 2013 is een rapport van de Raad ingekomen. Nadien is op 13 september 2013 een aangepast rapport alsmede de klachtbeslissing van de Raad ingekomen.

De kinderrechter heeft voorts kennis genomen van een brief met bijlagen van mr. Van der Stroom-Willemsen, ingekomen per fax op 18 oktober 2013.

De behandeling van de zaak is voortgezet op 29 oktober 2013. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Namens de Raad is verschenen de heer

[B].

De feiten

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren het minderjarige kind:

[X], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum].

De man heeft de minderjarige erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 15 november 2005 is een omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de minderjarige van eenmaal per veertien dagen van donderdag 18.00 uur tot zondag 18.30 uur alsmede in de week dat er geen weekeind-omgang is op vrijdag van 09.00 uur tot 15.00 uur.

Nadien is de zorgregeling in onderling overleg gewijzigd/uitgebreid naar elke donderdag (uit school) tot maandagochtend (in school) en de andere week donderdag (uit school) tot vrijdag 19.00 uur. Deze regeling heeft geduurd vanaf 2007 tot het voorjaar 2010.

Vanaf het voorjaar 2010 tot medio april 2012 heeft een co-ouderschapsregeling gefunctioneerd, inhoudende “een week op, een week af” regeling, afwisselend bij vader en moeder.

Op dit moment wordt de zorgregeling uitgevoerd conform de regeling die partijen gedurende de periode 2007-2010 waren overeengekomen. De minderjarige verblijft op dit moment bij moeder.

Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank thans de beschikking van 15 november 2005 te wijzigen in die zin dat de hoofdverblijfplaats van [X] bij de man wordt vastgesteld onder vaststelling van een zorgregeling tussen de vrouw en [X] zoals omschreven in het verzoekschrift. Subsidiair wordt verzocht de zorgregeling te wijzigen naar een co-ouderschapsregeling (een week op, een week af) met verdeling van de zorgtijd in de vakanties bij helften, zomede Vaderdag bij vader en Moederdag bij moeder en de overige bijzondere dagen in overleg, althans een zorgregeling welke de rechtbank in het belang van [X] acht.

De man stelt dat de verzochte wijziging in het belang van [X] moet worden geacht, gezien de aanhoudende zorgen rondom de leef- en opvoedsetting bij moeder, mede als gevolg van een bij de moeder aanwezige borderline persoonlijkheidsproblematiek. De man stelt voorts dat [X] baat heeft bij een rustige en stabiele thuissituatie, welke situatie hij met het onderhavige verzoek beoogt te creëren.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw voert daartegen verweer. Zij verzoekt op haar beurt het door de man verzochte af te wijzen en primair een onderzoek door de Raad te gelasten. Hierbij zal moeten worden onderzocht welke zorgregeling in het belang van [X] is te achten dan wel subsidiair een zorgregeling vast te stellen waarbij [X] gedurende een weekend per veertien dagen bij zijn vader verblijft alsmede de helft van de vakanties waarbij de verdeling van de vakanties ieder jaar wordt gewisseld tussen de ouders en [X] op Vaderdag bij zijn vader verblijft en op Moederdag bij zijn moeder ongeacht de weekregeling, met compensatie van kosten.

Zij stelt dat er op dit moment geen enkele reden is om de hoofdverblijfplaats van [X] te wijzigen, aangezien de door de man gestelde zorgsignalen uit het verre verleden stammen. Voorts acht zij een co-ouderschapsregeling te onrustig voor [X], en derhalve niet in zijn belang.

De beoordeling

1.

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [X] en de zorgregeling met betrekking tot die minderjarige.

2.

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

3.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dat het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

4.

Nu de moeder eenzijdig de tussen partijen overeengekomen co-ouderschapsregeling heeft beëindigd, waardoor thans sprake is van een beperkte zorgregeling tussen de vader en de minderjarige, is sprake van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de kinderrechter een beslissing dient te nemen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige alsmede over de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

5.

Tijdens de mondelinge behandeling op 2 oktober 2012 is de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en de kinderrechter te rapporteren en te adviseren over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De Raad heeft vervolgens in zijn rapport, ingekomen op 30 januari 2013, geadviseerd om de verblijfplaats van de minderjarige te handhaven bij moeder en de bestaande zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de minderjarige een weekend per veertien dagen vanaf donderdagmiddag tot maandagochtend contact heeft met vader, en ten aanzien van de schoolvakanties de bestaande regeling te volgen.

Volgens de Raad is een wijziging van de hoofdverblijfplaats op dit moment niet in het belang van [X]. Voor hem is het van belang dat hij zich verder kan ontwikkelen op sociaal gebied in de voor hem bekende omgeving waar hij nu is. Voorts acht de Raad de huidige omgangsregeling niet passend voor [X]. [X] ervaart dit als onrustig. De Raad meent dat hij, gezien zijn kwetsbaarheid, duidelijkheid en structuur nodig heeft. Hij zal daarom baat hebben bij een ruime weekendregeling met zijn vader van eens per veertien dagen. Deze regeling heeft een vaste structuur, waardoor [X] duidelijkheid heeft en hij goed contact kan blijven houden met vader. Bovendien is hij dan in staat om zijn sociale leven in de omgeving van moeder verder op te bouwen, aldus de Raad.

6.

De man is naar aanleiding van voormelde rapportage een klachtprocedure gestart. De klachten van de man zijn door de regiodirecteur deels gegrond, deels ongegrond verklaard. Voor zover de klachten gegrond zijn gebleken, heeft de Raad zijn rapport naar aanleiding daarvan aangepast. Deze aanpassingen hebben er echter niet toe geleid dat het advies van de Raad gewijzigd is ten opzichte van het eerder gegeven advies.

7.

De man stelt zich op het standpunt dat de conclusies van de regiodirecteur niet, althans niet adequaat, in het advies zijn verwerkt, terwijl van ‘het opnieuw maken van een weging’ zoals opgedragen in de klachtbeslissing geen sprake lijkt te zijn geweest. Als het rapport van de Raad binnen de voorgeschreven termijn zou zijn aangepast, zou hij de mogelijkheid hebben gehad de zaak aan te brengen bij de externe klachtencommissie van de Raad voor de Kinderbescherming. De man heeft, uit efficiency overweging, er echter voor gekozen de rechtbank daarover te laten oordelen, los van het feit dat door trage afdoening een beroep bij de externe commissie waarschijnlijk niet ontvankelijk was verklaard. In zijn visie ligt er nog altijd geen duidelijk antwoord van de Raad op de cruciale vraag waarom de al twee jaar lang bestaande co-ouderschapsregeling niet (meer) in het belang van [X] zou zijn, en wat er precies is gewijzigd qua omstandigheden ten opzichte van wat Mediant destijds adviseerde en concludeerde, dat de Raad nu anders heeft geconcludeerd.

Hoewel de man uit het raadsrapport begrijpt dat een wijziging hoofdverblijfplaats niet aan de orde is, blijft hij bij zijn standpunt dat het hoofdverblijf van [X] bij hem zou moeten zijn, onder vaststelling van een zorgregeling met moeder gelijk aan de regeling zoals hij die op dit moment met [X] heeft. Hij acht het voorts in strijd met het belang van [X] om een zo beperkte regeling als de Raad adviseert te gaan uitvoeren. Behalve het feit dat moeder dat veel werk vindt, is onvoldoende komen vast te staan dat de co-ouderschapsregeling niet werkt, aldus de man. Hij verzoekt dan ook subsidiair herstel van die regeling.

8.

Volgens de man is de beslissing van de Raad onvoldoende gemotiveerd, en wordt het advies onvoldoende gedragen door feiten en argumenten. De vraag die de kinderrechter thans mede voorligt is of de conclusies in het rapport en het advies worden gedragen door feiten en goed onderbouwde argumenten.

Voor klachten over de wijze waarop een raadsonderzoek is uitgevoerd dan wel de wijze waarop een rapport tot stand is gekomen, geldt de interne klachtenregeling van de Raad. Klager kan zijn klacht binnen zes weken nadat de Raad zijn beslissing heeft genomen of had behoren te nemen, aan een onafhankelijke externe klachtencommissie voorleggen, die gespecialiseerd is in deze zaken. Deze commissie is aangewezen bij Besluit externe klachtencommissie Raad voor de Kinderbescherming, welk besluit bepalingen bevat die zijn ingegeven door het eigen karakter van de klachtprocedure. Hierbij merkt de kinderrechter op dat deze klachtprocedure een beperkt karakter kent. Klachtwaardig zijn vooral de wijze waarop de klager zich bejegend heeft gevoeld tijdens het onderzoek, alsmede de wijze waarop het onderzoeksrapport tot stand is gekomen.

Wanneer er inhoudelijke verschillen van inzicht zijn tussen klager en Raad (of onderzoeker), zal daarover niet geklaagd kunnen worden. Het is dan ook niet aan de kinderrechter om de klachten van de man naar aanleiding van het aangepaste rapport te beoordelen. Bovendien is het de vraag of de man niet ontvankelijk zou zijn verklaard, omdat ingevolge artikel 4 van genoemd besluit een klacht die na afloop van de termijn van zes weken is ingediend, alsnog in behandeling kan worden genomen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

9.

Aan de rechter kan wel worden voorgelegd het feit dat men het niet eens is met de inhoud van het advies of verzoek van de Raad, zijnde de rechter de persoon of instantie aan wie dat advies of verzoek gericht is.

De vader heeft zijn bezwaren met betrekking tot dat rapport onder de aandacht van de kinderrechter gebracht, waarvan de kinderrechter genoegzaam kennis heeft genomen. De kinderrechter neemt daarbij voorts in aanmerking het feit dat de regiodirecteur van de Raad de klachten van de man gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, voor zover het zijn bezwaren betreft dat het raadsrapport qua verslaglegging, argumentatie en conclusies op bepaalde onderdelen gebrekkig is, en dat aldus mogelijk sprake kan zijn van een onvolledig beeld, doordat de rapportage onjuistheden bevat en onvolledig is.

De kinderrechter acht zich op grond van de stukken, de klachtprocedure en de beslissing van de regiodirecteur en de mondelinge behandeling echter voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen.

10.

Uit het raadsonderzoek, de overige stukken en de toelichting van de ouders en de Raad ter mondelinge behandeling is in ieder geval duidelijk geworden dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die hebben gemaakt dat de zorgregeling zoals de ouders die aanvankelijk hadden getroffen dient te worden gewijzigd.

De ouders zijn in eerste instantie een weekendregeling overeengekomen. De vader is nadien zelfs vanuit het westen naar Enschede verhuisd om in de buurt van zijn zoon te gaan wonen en deel uit te maken van zijn leven. Op een gegeven moment is die weekendregeling door omstandigheden gewijzigd in een co-ouderschapsregeling, waarbij de minderjarige de ene week bij zijn moeder was en de andere week bij zijn vader. Na een periode van twee jaar heeft moeder deze regeling eenzijdig weer gewijzigd in een weekendregeling.

De man staat nog immer de week om week regeling/co-ouderschap voor ogen, omdat de minderjarige [X] met deze regeling het beste van twee werelden meekrijgt. Deze regeling kent ook minder wisselmomenten dan de huidige weekendregeling en heeft als voordeel dat [X] zijn sociale contacten in zowel Enschede als Borne kan onderhouden. Vader is betrokken op [X] en kan hem stabiliteit, structuur en rust bieden.

In de opvoedsituatie bij moeder is naar voren gekomen dat weliswaar hulp nodig is, maar dat moeder [X] een adequate opvoedingssituatie biedt. Er is voldoende basale zorg van moeder voor [X] en het is belangrijk voor het veiligheidsgevoel van [X] dat hij continuïteit geboden krijgt.

11.

Voorop staat dat zowel vader als moeder in staat zijn om [X] een veilige en gestructureerde opvoedingssituatie te bieden hetgeen hij nodig heeft, zij het dat de opvoedingsomgeving- en stijl van ouders verschillen. De vraag die nu dan ook voorligt en wat vader graag beantwoord ziet, is wat de - gewijzigde - omstandigheden zijn waardoor een co-ouderschapsregeling thans niet meer kan functioneren zoals dat in het verleden wel gefunctioneerd heeft.

12.

Allereerst vereist co-ouderschap een stabiele basis. Het is belangrijk dat ouders met elkaar kunnen praten, dat ouders dicht bij elkaar wonen, en goede afspraken kunnen maken waarbij het belang van het kind vooropgesteld wordt. De allerbelangrijkste voorwaarde is echter of kinderen het aankunnen om in twee huizen te leven, te meer in het geval er sprake is van verschillende opvoedingsomgevingen en opvoedingsstijlen, zoals bij ouders thans het geval is.

Co-ouderschap stelt dus stevige eisen aan ouders én kinderen. Omdat het kind in twee huizen woont heeft dat vaak tot gevolg dat, naast een gesleep met spullen, sprake is van steeds omschakelen, en een onthecht gevoel. Anders dan bij jonge kinderen, zal dit een steeds grotere rol gaan spelen naar mate kinderen ouder worden. Op dat moment worden immers ook andere zaken belangrijk(er) in hun leven. Dan willen zij niet meer telkens ‘moeten verhuizen’, maar willen zij op een gegeven moment in hun eigen vertrouwde omgeving blijven, bij welke ouder dat dan ook mag zijn. Om die reden zullen zij er dus vaker voor kiezen om op één adres te willen blijven.

13.

Voor [X] wordt het lastiger om in zijn eigen sociale omgeving te blijven, omdat ouders niet dicht (op loopafstand) bij elkaar wonen, wat ook zij van het feit dat vader hem vanuit Enschede naar school in Borne wil brengen. [X] heeft onder meer te kennen gegeven dat hij bij moeder zijn vriendjes heeft, evenals [R] en [S]. Ook wil hij graag samen met zijn vriendjes naar school fietsen.

Hoewel de mening van een 10-jarige niet altijd van doorslaggevende betekenis behoeft te zijn, is het wel raadzaam om daar enigszins acht op te slaan. Het is belangrijk dat ouders goed naar hun wat ouder wordende kind luisteren en het accepteren als een kind niet meer bij een van de ouders wil wonen. Dat heeft niets met de ouder te maken, maar alles met het kind: Permanent bij een van de ouders blijven wonen, creëert meer stabiliteit. Als een kind aangeeft te willen verhuizen, moeten ouders bereid zijn het naar de ander te laten gaan. Als iedereen het daarover eens is, is het geen probleem om de zorgverdeling aan te passen.

14.

De minderjarige heeft in zijn gesprek met de raadsmedewerker aangegeven dat hij graag bij moeder wil wonen en om de week gedurende het weekend omgang met vader wil hebben. Hieruit, alsmede uit het feit dat het de laatste tijd met [X] weer goed gaat op school, leidt de kinderrechter af dat [X] het in de huidige situatie bij moeder naar zijn zin heeft en goed in zijn vel zit. Naar het oordeel van de kinderrechter bestaat er dan ook alle reden om deze (basis)situatie te continueren, hoewel de kinderrechter beseft dat de rol die vader in het leven van de minderjarige kan spelen daardoor wordt ingeperkt. Het belang van de minderjarige dient echter prioriteit te genieten boven het belang van vader bij co-ouderschap of wijziging van het hoofdverblijf. Hoewel dat laatste in de procedure wat ondergesneeuwd lijkt, zou een wijziging in de hoofdverblijfplaats een nog grotere verandering brengen in het leven van [X], hetgeen naar het oordeel van de kinderrechter niet wenselijk moet worden geacht. De kinderrechter zal dat verzoek dan ook afwijzen, evenals de verzochte co-ouderschapsregeling.

15.

Met de Raad voor de Kinderbescherming is de kinderrechter van oordeel dat de geadviseerde zorgregeling, ook qua lengte, in het belang van de minderjarige moet worden geacht. [X] wil graag contact met zijn vader, maar ook minder wisselingen. Door de tijd samen in het weekend iets langer te maken, wordt aan die wens wellicht enigszins tegemoet gekomen. De kinderrechter zal dienovereenkomstig beslissen.

16.

Omdat partijen een relatie hebben gehad, bestaat er aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren.

De beslissing

De kinderrechter:

I. Wijst af het verzoek van de man tot vaststelling hoofdverblijf.

II. Wijzigt de tussen partijen overeengekomen co-ouderschapsregeling en stelt inzake het recht van de ouders op een evenredige verzorging en opvoeding met de minderjarige de navolgende regeling vast:

De minderjarige zal een weekend per veertien dagen vanaf donderdagmiddag tot maandagochtend contact hebben met de vader, onder handhaving van de bestaande regeling met betrekking tot de schoolvakanties.

III. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

V. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D. Blomhert, in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.