Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:4138

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
R 21/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling afgewezen. Verlenging schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Zwolle

insolventienummer: R 21/13

uitspraakdatum: 21 oktober 2013

tussentijdse beëindiging schuldsanering

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:

[Schuldenaar],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te[woonplaats],[adres],

verder te noemen: [Schuldenaar].

In deze schuldsaneringsregeling is mr. J.J.G. Hartholt, kantoorhoudende te Heino, tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

De bewindvoerder heeft bij brief van 5 juli 2013 verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Op 22 augustus 2013 is een brief bijlagen van de bewindvoerder ontvangen.

Op 11 oktober 2013 is een brief met bijlagen van de bewindvoerder ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 oktober 2013. Ter zitting zijn [Schuldenaar], samen met mevrouw [M], beschermingsbewindvoerder, en mevrouw [S], namens de bewindvoerder, verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

Het verzoek van de bewindvoerder:

Het verzoek van de bewindvoerder wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Kort weergegeven heeft de bewindvoerder verzocht de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, omdat [Schuldenaar] niet voldoet aan haar informatie- en sollicitatieplicht en heeft getracht haar schuldeisers te benadelen. De bewindvoerder heeft via de postblokkade geconstateerd dat [Schuldenaar] een schadevergoeding van € 614,75 heeft ontvangen en twee bromfietsen op haar naam heeft laten zetten. Voorts heeft [Schuldenaar], ondanks het feit dat zij hierover vanaf februari 2013 maandelijks door de bewindvoerder is aangeschreven, tot op heden geen enkele sollicitatie aan de bewindvoerder overgelegd. Door de bewindvoerder niet te informeren over de schadevergoeding en het aanschaffen van twee bromfietsen, alsmede geen sollicitaties over te leggen, heeft [Schuldenaar] getracht haar schuldeisers te benadelen.

De verklaring van en namens [Schuldenaar]:

[Schuldenaar] heeft ter zitting verklaard dat zij dacht dat zij de bromfietsen op naam mocht hebben. Zij heeft een goedkope bromfiets gekocht van haar vakantiegeld, en deze bromfiets geruild voor het frame van een andere bromfiets. De ingeruilde bromfiets staat nog wel op naam van [Schuldenaar]. De man waar zij de bromfiets heeft ingeruild is vorige week overleden. Één van de bromfietsen is gestolen en daar moet [Schuldenaar] mogen voor voorkomen. [Schuldenaar] weet alleen dat de man waar zij haar bromfiets heeft ingeruild ‘[H]’ heet, dat hij [getal]jaar was, dat hij drugs gebruikte en goed scooters kon maken. [Schuldenaar] heeft verklaard dat zij de bromfiets, bestaande uit een frame, die zij door inruil heeft verkregen uiteraard niet heeft gestolen. De beschermingsbewindvoerder heeft de door [Schuldenaar] verrichte sollicitaties meegenomen naar de zitting. [Schuldenaar] heeft wel gesolliciteerd, maar wist niet hoe zij dat moest bewijzen. [Schuldenaar] heeft verklaard dat zij hierin laks is geweest. [Schuldenaar] heeft verklaard dat de politie haar wil verhoren over winkeldiefstal in Dedemsvaart, maar dat zij zelf niet heeft gestolen. [Schuldenaar] bespreekt alles met de beschermingsbewindvoerder en vergeet het dan om informatie ook door te geven aan de bewindvoerder. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat [Schuldenaar] thuisbegeleiding moet krijgen en dat zij [Schuldenaar] wil bijstaan om dit te gaan regelen. [Schuldenaar] gaat proberen hulp te krijgen van Zwerfjongerenhulp.

De toelichting namens de bewindvoerder:

Ter zitting heeft mevrouw [S] namens de bewindvoerder verklaard dat zij geen sollicitatiebewijzen van [Schuldenaar] heeft ontvangen. [Schuldenaar] is tijdens het huisbezoek heel duidelijk op haar verplichtingen gewezen. Er is toen ook gezegd dat [Schuldenaar] moet solliciteren en geen kentekens op naam mag hebben. De bewindvoerder handhaaft het verzoek tot tussentijdse beëindiging.

De motivering van de beslissing:

De rechtbank stelt vast dat [Schuldenaar] haar informatie- en sollicitatieplicht niet naar behoren is nagekomen. [Schuldenaar] heeft geen melding gemaakt van de door haar ontvangen schadevergoeding en de twee bromfietsen die zij op haar naam heeft laten zetten. Voorts heeft [Schuldenaar] tot op heden geen sollicitatiebewijzen aan de bewindvoerder overgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank zou het vorenstaande grond kunnen zijn deze schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van [Schuldenaar] is de rechtbank echter van oordeel dat [Schuldenaar] nog een laatste kans moet worden geboden. De rechtbank gaat hierbij uit van de juistheid van de verklaring van [Schuldenaar] dat zij niet schuldig is aan winkeldiefstal en/of diefstal van een (frame van een) bromfiets. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat, indien later zal blijken dat de verklaringen van [Schuldenaar] niet op waarheid berusten, de schuldsaneringsregeling alsnog tussentijds kan worden beëindigd. Vooralsnog zal de rechtbank [Schuldenaar] echter het voordeel van de twijfel geven.

Ter zitting is duidelijk geworden dat [Schuldenaar], alsmede de beschermingsbewindvoerder niet heeft begrepen dat zij de ontvangst van de (materiële) schadevergoeding had moeten melden aan de bewindvoerder. Nu [Schuldenaar] de volledige schadevergoeding mag behouden, heeft de boedel geen nadeel ondervonden van het niet melden van de ontvangst daarvan. De rechtbank zal derhalve geen gevolgen verbinden aan het niet melden van de ontvangst van de schadevergoeding, maar wijst [Schuldenaar] er hierbij nogmaals uitdrukkelijk op dat zij de ontvangst van alle geldbedragen aan de bewindvoerder dient te melden.

Nu [Schuldenaar], althans de beschermingsbewindvoerder, ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen vanaf heden wel naar behoren zullen worden nagekomen, zal de rechtbank de voordracht van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van deze schuldsaneringsregeling afwijzen.

Nu [Schuldenaar] haar verplichtingen gedurende de periode van tien maanden niet naar behoren is nagekomen, zal de rechtbank deze schuldsaneringsregeling verlengen met de duur van tien maanden, in die zin dat deze schuldsaneringsregeling niet eerder regulier zal eindigen dan op 1 november 2016.

De rechtbank wijst [Schuldenaar] er nog uitdrukkelijk op dat zij zich gedurende de resterende looptijd van de schuldsaneringsregeling stipt dient te houden aan alle verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsanering. [Schuldenaar] dient de bewindvoerder zowel gevraagd als ongevraagd te informeren over alle (mogelijk) van belang zijnde zaken betreffende haar persoonlijke- en financiële situatie. Hierbij merkt de rechtbank ook nog uitdrukkelijk op dat [Schuldenaar] vanaf heden maandelijks bewijsstukken van schriftelijke sollicitaties op vacatures aan de bewindvoerder dient over te leggen.

Het niet of niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan ertoe leiden dat de schuldsaneringsregeling zal worden beëindigd.

De beslissing

De rechtbank:

- weigert de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- verlengt de termijn gedurende welke de wettelijke schuldsaneringsregeling op de schuldenares van toepassing is met de duur van tien maanden, zodat deze niet eerder regulier zal eindigen dan op 1 november 2016.

Gewezen door mr. M.C. Bosch, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen. (Art. 351 jo 361 Fw)