Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3737

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
C/08/136214 / HA ZA 13-82
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voeging en tussenkomst. De vordering tot tussenkomst is voorwaardelijk gedaan. Voor zover hiermee is beoogd dat eerst op de vordering tot tussenkomst zal worden beslist nadat in hoofdzaak is vastgesteld of de vordering is overgegaan, overweegt de rechtbank dat dit tot een te grote vertraging van de hoofdzaak zou kunnen leiden. De rechtbank zal daarom de vordering tot tussenkomst in de hoofdzaak onvoorwaardelijk toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/136214 / HA ZA 13-82

datum vonnis: 11 december 2013

Vonnis in incident tot voeging, subsidiair tussenkomst van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROJEBO B.V.,

gevestigd te Enschede,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 4],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseressen in het incident,

advocaat mr. H.H. van Gaal te Arnhem.

in de hoofdzaak tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.H. van Gaal te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOWA WIES B.V.,

gevestigd te Geerdijk,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

eiseres in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H. Aarnink te Enschede.

Partijen zullen hierna afzonderlijk “Projebo”, “[eiseres sub 3]”, “[eiseres sub 4]”, “[eiseres sub 1]” en “Nowa Wies” worden genoemd. Eiseressen in het incident gezamenlijk zullen hierna “de BV’s” worden genoemd.

1. De procedure

In de hoofdzaak en in het incident

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie tevens houdende conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie,

  • -

    de conclusie van repliek tevens conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie tevens akte vermeerdering eis,

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging, subsidiair tussenkomst van de BV’s aan de zijde van [eiseres sub 1],

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van Nowa Wies in het incident tot voeging, subsidiair tussenkomst.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling

In de hoofdzaak

In conventie

2.1.

[eiseres sub 1] vordert in conventie na vermeerdering van eis -kort samengevat- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    primair Nowa Wies te veroordelen tot betaling aan [eiseres sub 1] van een bedrag van € 158.182,20, te vermeerderen met de overeengekomen jaarlijkse rente van 20% en de overeengekomen maandelijkse boete van 2% vanaf 1 augustus 2013 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    subsidiair Nowa Wies te veroordelen tot betaling aan [eiseres sub 1] van een in goede justitie te bepalen bedrag;

  • -

    primair en subsidiair Nowa Wies te veroordelen in de kosten van het kort geding, de kosten van de executie en de gemaakte buitengerechtelijke kosten.

2.2

[eiseres sub 1] stelt daartoe -kort gezegd- dat de BV’s geldleningen en/of kredieten in rekening-courant hebben verstrekt aan Nowa Wies. Tot zekerheid van betaling van al hetgeen de BV’s uit hoofde hiervan van Nowa Wies te vorderen hebben, is op 16 november 2005 aan de BV’s een recht van hypotheek verleend op een tweetal appartementsrechten van Nowa Wies tot een bedrag van € 67.500,00. Voorts zijn in een schuldbekentenis de voorwaarden vastgelegd waaronder de geldleningen en kredieten zijn verstrekt. Bij notariële akte van 1 december 2011 hebben de BV’s de vorderingen die zij hadden op Nowa Wies middels cessie overgedragen aan [eiseres sub 1]. Daarbij is ook voornoemd recht van hypotheek van de BV’s aan [eiseres sub 1] overgedragen. Nowa Wies is haar betalingsverplichtingen niet deugdelijk nagekomen. Op 1 juli 2013 was Nowa Wies aan [eiseres sub 1] een bedrag van € 158.182,20 verschuldigd.

2.3

Nowa Wies heeft de vorderingen van [eiseres sub 1] gemotiveerd betwist. Nowa Wies stelt daartoe -kort gezegd- dat de vorderingen van de BV’s niet op een rechtsgeldige wijze zijn gecedeerd aan [eiseres sub 1].

Er is volgens Nowa Wies sprake van één ondeelbaar, gemeenschappelijk vorderingsrecht en dat betekent dat instemming van alle BV’s nodig is. [eiseres sub 4] heeft de akte van 1 december 2011 niet mede-ondertekend en heeft daarom niet met de overdracht van het gemeenschappelijk vorderingsrecht ingestemd. Evenmin is het recht van hypotheek overgaan op [eiseres sub 1]. De vordering van de BV’s op Nowa Wies zijn immers niet rechtsgeldig gecedeerd. Bovendien geldt dat het recht van hypotheek niet kan zijn overgegaan op [eiseres sub 1] omdat sprake is van een bankhypotheek. Ook is de relatie tussen cedent en de schuldenaar niet beëindigd. Daarnaast zijn de voorwaarden van de overeenkomst van geldlening niet juist door [eiseres sub 1] weergegeven. Nowa Wies betwist de hoogte van de vordering, de opeisbaarheid van het bedrag en de door [eiseres sub 1] gevorderde kosten.

In reconventie

2.4

Nowa Wies vordert in reconventie -kort samengevat- om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat door het leggen van executoriaal beslag onder de heer [C] d.d. 21 december 2012 ten laste van Nowa Wies [eiseres sub 1] jegens Nowa Wies een onrechtmatige daad heeft gepleegd als gevolg waarvan [eiseres sub 1] jegens Nowa Wies aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade;

- [eiseres sub 1] te veroordelen aan Nowa Wies te betalen een bedrag van € 2.000,00 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- voor recht te verklaren dat [eiseres sub 1] geen bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de grosse van de hypotheekakte d.d. 16 november 2005 toekomt;

- [eiseres sub 1] te verbieden tot tenuitvoerlegging van de grosse van de hypotheekakte d.d. 16 november 2005 en executie van twee appartementsrechten van Nowa Wies over te gaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- voor recht te verklaren dat door de tenuitvoerlegging van de grosse van de hypotheekakte [eiseres sub 1] jegens Nowa Wies een onrechtmatige daad heeft gepleegd als gevolg waarvan [eiseres sub 1] aansprakelijk is voor de door Nowa Wies geleden en nog te lijden schade;

- [eiseres sub 1] te veroordelen tot betaling aan Nowa Wies van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2013;

- [eiseres sub 1] te veroordelen in de proceskosten van dit geding en de nakosten.

2.5

Nowa Wies stelt daartoe -kort gezegd- dat [eiseres sub 1] op 21 december 2012 op basis van een grosse van de hypotheekakte d.d. 16 november 2005 ten laste van Nowa Wies derdenbeslag heeft gelegd onder de heer [C], huurder van Nowa Wies. Afgezien van het feit dat de bankhypotheek niet is overgegaan op [eiseres sub 1], dat [eiseres sub 1] geen vordering op Nowa Wies heeft en dat Nowa Wies op moment van de beslaglegging niet eens in verzuim was, volgt uit vaste jurisprudentie dat een grosse van een hypotheekakte geen executoriale titel ex artikel 430 Rv kan opleveren om executoriaal verhaalsbeslag te leggen op andere vermogensbestanden van de hypotheekgever. [eiseres sub 1] heeft derhalve onrechtmatig beslag gelegd onder de heer [C] en wenst de hierdoor geleden en nog te lijden schade vergoed te krijgen.

2.6

[eiseres sub 1] heeft de vordering van Nowa Wies gemotiveerd betwist.

[eiseres sub 1] stelt dat het derdenbeslag dat gelegd is op grond van de grosse van de hypotheekakte weliswaar onrechtmatig was, maar dat dit derdenbeslag onverwijld is opgeheven toen daar door de gemachtigde van Nowa Wies om werd gevraagd. Er is geen sprake van schade. Bovendien worden de door Nowa Wies geclaimde schadeposten niet onderbouwd. [eiseres sub 1] komt wel een bevoegdheid toe tot tenuitvoerlegging van de grosse van de hypotheekakte en executie van de appartementsrechten.

In voorwaardelijke reconventie

2.7

Nowa Wies vordert in voorwaardelijke reconventie -kort samengevat- om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- [eiseres sub 1] te veroordelen het ten laste van Nova Wies gelegde conservatoir verhaalsbeslag op de twee appartementsrechten van Nova Wies op te heffen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- te verklaren voor recht dat [eiseres sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van Nowa Wies conservatoir verhaalsbeslag te laten leggen op deze appartementsrechten;

- [eiseres sub 1] te veroordelen tot betaling aan Nowa Wies van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der beslaglegging;

- [eiseres sub 1] te veroordelen in de proceskosten van dit geding en de nakosten.

2.8

Nowa Wies stelt daartoe dat uit kracht van de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 21 juni 2013 [eiseres sub 1] conservatoir verhaalsbeslag heeft doen leggen op de twee appartementsrechten van Nowa Wies. Indien en voor zover de rechtbank de door [eiseres sub 1] ingestelde vorderingen afwijst, heeft Nowa Wies belang bij en recht op toewijzing van de eis in voorwaardelijke reconventie. Het door [eiseres sub 1] gelegde beslag is zonder rechtsgrond gelegd en moet derhalve als onrechtmatig gekwalificeerd worden.

2.9

[eiseres sub 1] heeft de vorderingen van Nowa Wies gemotiveerd betwist en gesteld dat het gelegde conservatoir beslag op de appartementsrechten wel rechtmatig is.

In het incident

2.10

De BV’s vorderen primair dat zij worden toegelaten in de hoofdzaak als gevoegde partij aan de zijde van [eiseres sub 1], teneinde de door [eiseres sub 1] ingestelde eis te ondersteunen, met veroordeling van Nowa Wies in de kosten. Subsidiair vorderen de BV’s -voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de vordering op Nowa Wies niet is overgegaan op [eiseres sub 1] en derhalve nog berust bij de BV’s- de BV’s toe te laten als tussenkomende partijen, met veroordeling van Nowa Wies in de kosten. De BV’s hebben voor het geval de rechtbank tussenkomst toestaat reeds een conclusie van eis bij tussenkomst ingediend.

2.11

De BV’s stellen daartoe dat van belang is dat zij duidelijkheid krijgen over de vraag welke vennootschap(pen) -[eiseres sub 1] of de BV’s- de betreffende vordering op Nowa Wies hebben. Primair zijn de BV’s van mening dat de betreffende vordering op Nowa Wies en het daarmee samenhangende hypotheekrecht is overgegaan op [eiseres sub 1]. Zij wensen zich dan ook in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [eiseres sub 1].

Enkel en alleen wanneer de rechtbank van oordeel is dat de vordering op Nowa Wies niet is overgegaan op [eiseres sub 1] en derhalve nog berust bij de BV’s, zijn de BV’s van mening dat zij een zelfstandig vorderingsrecht jegens Nowa Wies hebben. In dat geval wensen zij in de onderhavige procedure tussen te komen. De BV’s hebben derhalve recht en belang bij voeging en subsidiair tussenkomst in de onderhavige procedure. Dit zal niet leiden tot onnodige vertraging van de procedure aangezien de BV’s het standpunt van [eiseres sub 1] onderschrijven.

2.12

Nowa Wies heeft de incidentele vorderingen van de BV’s gemotiveerd betwist. Nowa Wies stelt dat de BV’s hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd voor toewijzing van de incidentele vorderingen. Voorts stelt Nowa Wies dat de BV’s geen belang hebben bij de incidentele vorderingen. Ten aanzien van de gevorderde voeging stelt Nowa Wies dat de BV’s gesteld noch bewezen hebben welk belang zij hebben bij de gevorderde voeging. Uit de stellingen van de BV’s volgt geenszins dat een ongunstige uitkomst in de hoofdzaak, de rechtspositie van de BV’s nadelig kan beïnvloeden. Evenmin hebben de BV’s gesteld welk verweer zij zullen voeren en welke bewijsmiddelen zij zullen gaan overleggen, die dienen ter onderbouwing van de stellingen en vorderingen van [eiseres sub 1] tegen Nowa Wies in de hoofdzaak. Ten aanzien van de gevorderde tussenkomst stelt Nowa Wies dat een nadere onderbouwing van de BV’s ontbreekt op grond waarvan zij menen een zelfstandig vorderingsrecht op Nowa Wies te hebben. Bovendien betekent een afwijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] niet dat de rechtbank moet verklaren dat de pretense vordering dan bij de BV’s ligt. Een dergelijke verklaring voor recht is in de hoofdzaak ook niet gevorderd. Voorts ziet Nowa Wies niet in welk nadeel de BV’s lijden of dreigen te lijden, zodra de rechtbank beslist dat de vordering op Nowa Wies niet is overgegaan op [eiseres sub 1] en derhalve nog berust bij de BV’s. Evenmin kan de vordering tot tussenkomst worden toegewezen op louter proceseconomische gronden.

2.13

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of de vordering van de BV’s op Nowa Wies is overgegaan op [eiseres sub 1] een vraag is die in de hoofdzaak dient te worden beoordeeld. De BV’s stellen zich op het standpunt dat deze vordering rechtsgeldig is overgegaan op [eiseres sub 1]. Via voeging wensen zij de vorderingen van [eiseres sub 1] jegens Nowa Wies te ondersteunen. Daarnaast leidt de rechtbank uit de standpunten van de BV’s af dat zij een soort voorwaardelijke tussenkomst beogen voor het geval de rechtbank zal oordelen dat de vordering op Nowa Wies niet is overgegaan op [eiseres sub 1]. De rechtbank zal hieronder zowel op de vordering tot voeging als op de vordering tot tussenkomst ingaan.

Voeging

2.14

Ingevolge artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een ieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. In HR 3 mei 1957, NJ 1959/62 is als maatstaf voor toelating als gevoegde partij geformuleerd dat de voeging strekt ter voorkoming van benadeling van de rechten of de rechtspositie van de verzoeker welke een beslissing ten nadele van de te onderscheiden partij dreigt ten gevolge te zullen hebben. In latere arresten (onder meer HR 15 november 1996, NJ 1997/482, HR 8 december 2000, NJ 2001/55 en HR 14 maart 2003, NJ 2003/313) heeft de HR afstand genomen van deze restrictieve benadering. Tot uitgangspunt kan worden genomen dat voldoende is dat de derde belang heeft bij de uitkomst van de procedure omdat deze rechtens of feitelijk gevolgen voor hem kan hebben.

De rechtbank is van oordeel dat de BV’s als cedent een dergelijk belang hebben omdat de beoordeling in de hoofdzaak van de vraag of vordering van de BV’s op Nowa Wies is overgegaan op [eiseres sub 1] gevolgen voor hen kan hebben. De vordering tot voeging zal dan ook worden toegewezen.

Tussenkomst

2.15

Voor toewijzing van een vordering tot tussenkomst moet blijken van een belang van de verzoeker om benadeling of verlies van hem toekomende rechten te voorkomen. Dat belang is ook aanwezig wanneer degene, die volgens de tussenkomst vorderende partij zijn schuldenaar is, door een derde wordt aangesproken tot voldoening van de desbetreffende vordering (HR 14 maart 2003, NJ 2003, 313). Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank in casu voor nu de BV’s een vordering tot betaling tegen Nowa Wies willen instellen, terwijl Nowa Wies door [eiseres sub 1] wordt aangesproken tot voldoening van de desbetreffende vordering. De vordering tot tussenkomst kan in beginsel dan ook worden toegewezen.

2.16

Zoals hiervoor onder 2.13 is overwogen, hebben de BV’s de vordering tot tussenkomst voorwaardelijk gedaan, in die zin dat voor het geval de rechtbank zal oordelen dat de vordering op Nowa Wies niet is overgegaan op [eiseres sub 1] en derhalve nog berust bij de BV’s tussenkomst wordt gevorderd. Voor zover de BV’s hiermee beogen dat eerst op de vordering tot tussenkomst zal worden beslist nadat in de hoofdzaak is vastgesteld of de vordering op Nowa Wies is overgegaan, overweegt de rechtbank dat dit tot een te grote vertraging van de hoofdzaak zou kunnen leiden, omdat de BV’s dan mogelijk eerst aan de procedure in de hoofdzaak gaan deelnemen nadat in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk is beslist. Het risico op grote vertraging staat er ook aan in de weg de vordering tot tussenkomst reeds thans doch voorwaardelijk toe te wijzen. Ook in dat geval zou het immers pas tot deelnemen van de BV’s aan de procedure in de hoofdzaak kunnen komen, nadat de voorwaarde in vervulling is gegaan. De rechtbank zal daarom in navolging van de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX5151 de vordering tot tussenkomst in de hoofdzaak onvoorwaardelijk toewijzen. De BV’s hebben reeds een conclusie van eis bij tussenkomst ingediend, hetgeen een voorwaardelijke -voor het geval de rechtbank zal oordelen dat de vordering niet is overgegaan op [eiseres sub 1] en derhalve nog berust bij de BV’s- vordering betreft. Voor het overige hebben de BV’s verzocht om al hetgeen door [eiseres sub 1] in haar dagvaarding en conclusie van repliek is gesteld als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank zal de hoofdzaak dan ook naar de rol verwijzen voor een conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie en conclusie van repliek in (voorwaardelijke) reconventie.

Tussentijds appel

2.17

Nowa Wies heeft de rechtbank verzocht om bij toewijzing van de incidentele vordering tussentijds appel van het tussenvonnis toe te staan. De rechtbank neemt bij het nemen van een beslissing op dit verzoek in aanmerking dat het verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis.

Uit de wetsgeschiedenis van vorenbedoelde bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds beroep een grote mate van terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze bijzondere omstandigheden gesteld noch gebleken. Het verzoek van Nowa Wies wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten

2.18

Nowa Wies zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1

staat de BV’s toe zich in de hoofdzaak aan de zijde [eiseres sub 1] te voegen,

3.2

staat de BV’s toe in de hoofdzaak tussen te komen,

3.3

veroordeelt Nowa Wies in de kosten van het incident, aan de zijde van de BV’s tot op heden begroot op € 452,00,

in de hoofdzaak

3.4

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 januari 2014 voor het nemen van de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie door Nowa Wies.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: coll: