Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3736

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
C/08/ 136542 HA ZA 13-97
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid curator. De curator heeft zich niet gehouden aan zijn toezegging om het gehuurde voor 1 april 2012 te (doen) ontruimen. De eventuele schadevergoeding leidt tot een vordering op de boedel.

Van zulke schade blijkt in dit geding echter niet. De gestelde huurderving is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht de curator niet persoonlijk aansprakelijk voor de gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/ 136542 HA ZA 13-97
datum vonnis: 18 december 2013

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GELPA ONROEREND GOED B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

verder te noemen Gelpa,

advocaat: mr. J.C.M. Bonnier te Wijchen,

tegen

G.W. WEENINK,

wonende te Rijssen,

gedaagde,

verder ook te noemen de curator,

advocaat: mr. J. van der Hel te Almelo.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de conclusie van repliek, met een productie,
- de conclusie van dupliek, met producties,
- een akte uitlating producties.

1.2. Partijen hebben vonnis gevraagd. De datum van de uitspraak is vastgesteld op vandaag.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten kunnen, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist en voor zover hier van belang, als vaststaand worden aangenomen.

2.2.

Gelpa heeft met ingang van 1 maart 2007 1100 vierkante meter bedrijfsruimte in een gebouw aan de Windmolen 5B in Almelo verhuurd aan [M], die handelde onder de naam Renocar. De huurprijs bedroeg € 3.182,37 exclusief BTW per maand.

2.3.

Op 26 januari 2012 heeft deze rechtbank [M] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van Weenink tot curator. [M] had toen een huurachterstand van
€ 67.644,40. De huurovereenkomst is niet opgezegd op de voet van artikel 39 Fw.

2.4.

Ten tijde van de faillietverklaring bevond zich in het gehuurde, naast verkoopbare en door de curator vervolgens verkochte voorraden, een grote hoeveelheid waardeloze rommel.

2.5.

Op 2 februari 2012 heeft de curator het gehuurde bezichtigd. Daarbij was ook aanwezig
[R], directeur /eigenaar van Gelpa Beheer B.V. Die vennootschap was aandeelhouder van Gelpa, de eisende partij in deze zaak. Ook was daar toen aanwezig
mr. Bonnier, de advocaat van Gelpa.

2.6.

Bij die bezichtiging heeft de curator toegezegd dat hij het gehuurde uiterlijk
1 april 2012 leeg zou opleveren. Op 9 februari 2012 heeft de curator deze toezegging schriftelijk bevestigd.

2.7.

Op 23 maart 2012 vond een bespreking plaats tussen de curator en [B]. Deze was toen bestuurder van de besloten vennootschap Packstar Nederland B.V. Die vennootschap en Gelpa Beheer B.V. waren de bestuurders van Packcenter B.V.

2.8.

Packcenter B.V. had in gebruik een gedeelte van hetzelfde gebouw aan de Windmolen 5B in Almelo, waarin zich de door [M] gehuurde ruimte bevond.

2.9.

[B] vroeg in de bespreking op 23 maart 2012 aan de curator of het mogelijk was om in het pand aan de Windmolen 5A nieuwe sloten te monteren. De curator stemde daarin toe per e-mail van 26 maart 2012. Hij heeft de enige bij hem in bezit zijnde sleutel van het gehuurde aan [B] gegeven. [B] heeft vervolgens de sloten veranderd. De curator kon toen niet meer rechtstreeks in het gehuurde komen.

2.10.

Op 4 mei 2012 vond een bespreking plaats tussen de curator, [R] en
[B]. Daar was toen ook een zekere [X] bij. Afgesproken werd dat [X] het gehuurde zou leegruimen. Daar waren containers voor nodig. Met toestemming van de rechter-commissaris heeft de curator vervolgens op kosten van de boedel twee containers gehuurd.

2.11.

Het eerste faillissementsverslag d.d. 22 februari 2012 vermeldt een vordering van
ING Bank ad € 49.992,29. Uit het op 7 juni 2012 door de curator ingediende tweede faillissementsverslag blijkt, dat bedrijfsmiddelen zijn verkocht voor € 8.240,75, dat de belastingdienst een vordering heeft ingediend van € 28.667,26, en dat er (ongeveer) twintig concurrente vorderingen zijn ad in totaal € 150.814,02.

2.12.

Op 11 juni 2012 was het gehuurde nog niet ontruimd. Op 4 juli 2012 heeft de curator aan Gelpa een gebruiksvergoeding van € 2.000,- aangeboden.

2.13.

Gelpa heeft de curator aansprakelijk gesteld voor de door Gelpa geleden en nog te lijden schade als gevolg van het uitblijven van de toegezegde ontruiming. De curator heeft vervolgens aan Gelpa doen weten dat, indien Gelpa vorderingen op de boedel heeft, deze ter verificatie dienen te worden ingediend.

2.14.

Op 7 augustus 2012 heeft Gelpa mr. Weenink persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de door Gelpa geleden en nog te lijden schade.

3 De vordering

3.1.

In aanvulling op de hiervoor opgesomde onbetwiste feiten heeft Gelpa het volgende gesteld.

3.2.

De curator heeft de belangen van Gelpa ernstig geschaad. Hij is de door hem herhaaldelijk gedane toezeggingen om het gehuurde te ontruimen niet nagekomen. Hij heeft de huurovereenkomst niet opgezegd en het gehuurde niet bezemschoon opgeleverd.

3.3.

De curator heeft aldus niet gehandeld zoals redelijkerwijs verwacht mocht worden van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Hij heeft aldus niet voldaan aan de (door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 juli 1996 geformuleerde) zorgvuldigheidsnorm voor faillissementscuratoren.

3.4.

Op grond van het voorgaande vordert Gelpa om voor recht te verklaren dat Weenink, in zijn hoedanigheid van curator, niet heeft gehandeld zoals in redelijkheid verlangd had mogen worden van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, met veroordeling van Weenink tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 19.094,22, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
1 juli 2012 en met een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 968,-, en met verwijzing van Weenink in de proceskosten.

4 Het verweer

4.1.

Weenink heeft de vordering betwist op de volgende gronden. Door het overhandigen van de sleutels op uitdrukkelijk verzoek van [B], waarna alle sloten van het gehuurde werden veranderd, is de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden geëindigd.

4.2.

Nadat de curator vervolgens op of omstreeks op 4 mei met [R], [B] en [X] had afgesproken dat op kosten van de boedel voor twee containers zou worden gezorgd, waarna [X] verder voor het opruimen zou zorgen, was zijn taak als curator met betrekking tot de bedrijfsruimte geëindigd.

4.3.

Het standpunt van Gelpa is ook niet redelijk. Zij heeft zelf niet vóór het faillissement tijdig ingegrepen of laten ingrijpen, toen de huurder zowel een zeer aanzienlijke huurachterstand als een geweldige rommel in het gehuurde liet ontstaan.

4.4.

Als, zoals Gelpa onder meer heeft gesteld, er op 1 oktober 2012 nog steeds een puincontainer stond en er vuil op de vloer lag, valt niet in te zien waarom Gelpa toen niet zelf contact heeft opgenomen met [X] om een en ander te laten opruimen.

4.5.

Nadat het gedeelte van de aanwezige voorraad, dat nog enige waarde vertegenwoordigde, was verkocht, heeft de curator zich tot het uiterste ingespannen om de restvoorraad opgeruimd te krijgen.

4.6.

Voor het aannemen van een persoonlijke aansprakelijkheid van een faillissementscurator past een hoge mate van terughoudendheid. Een curator heeft nu eenmaal een bijzondere en niet zelden moeilijke taak en, wil hij die naar behoren kunnen uitoefenen, dan moet hij niet gemakkelijk achtervolgd kunnen worden door een dreiging van persoonlijke aansprakelijkheid.

4.7.

Gezien het voorgaande, getoetst aan de inhoud en strekking van de door de Hoge Raad voor faillissementscuratoren gestelde zorgvuldigheidsnorm, bestaat in dit geval geen grond om hem een persoonlijk verwijt te maken.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat de curator inderdaad, zoals Gelpa heeft gesteld, zich niet heeft gehouden aan zijn toezegging aan Gelpa om het gehuurde vóór 1 april 2012 te (doen) ontruimen. Omdat hij dat niet heeft gedaan, heeft Gelpa een vordering op de boedel tot vergoeding van eventueel daardoor veroorzaakte schade.

5.2.

Van zulke schade blijkt in dit geding echter niet. Gelpa pretendeert huur te hebben gederfd, maar heeft niet of onvoldoende concreet onderbouwd, dat een bepaalde potentiële nieuwe huurder van plan was om de ruimte te huren, maar daarvan heeft afgezien omdat de ruimte nog niet leeg was. Er is dus geen causaal verband tussen de door Gelpa gestelde normoverschrijding en de door haar gepretendeerde schade.

5.3.

De rechtbank acht Weenink echter niet persoonlijk aansprakelijk voor zulke schade. Weenink heeft de toepasselijke zorgvuldigheidsnorm (nog) niet overtreden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van de curator pas sprake is als aan hem persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.

5.4.

Van zulke persoonlijke verwijtbaarheid is hier echter nauwelijks sprake. Aan de curator valt niet kwalijk te nemen dat hij meende dat de huurovereenkomst met stilzwijgende instemming van beide partijen eindigde, toen hij eind maart 2012 na verandering van de sloten door [B] het gehuurde niet (rechtstreeks) meer kon betreden.

5.5.

Aan Weenink valt wel tegen te werpen dat hij toen kennelijk niet heeft geverifieerd of [B] bevoegd was om namens verhuurder Gelpa op te treden, maar de rechtbank beschouwt deze omissie als van ondergeschikt belang, omdat niet is gesteld of gebleken dat de mededelingen van [B] afweken van het standpunt van Gelpa.

5.6.

De rechtbank neemt in aanmerking dat Weenink zich als curator ook daarna niet aan iedere verantwoordelijkheid voor een behoorlijke afwikkeling heeft onttrokken: hij heeft op kosten van de boedel twee containers ter beschikking gesteld, waarmee (zoals op 4 mei 2012 werd afgesproken) [X] het opruimwerk zou verrichten. De rechtbank ziet niet waarom de curator er toen niet op mocht vertrouwen dat [X] dat vervolgens ook daadwerkelijk zou doen.

5.7.

De vordering is met name ook niet toewijsbaar, omdat niet blijkt van enig causaal verband tussen enerzijds de niet-nakoming van de toezegging van de curator tot ontruiming, en anderzijds de gestelde schade.

5.8.

Immers, Gelpa vordert slechts vergoeding van gederfde huur. Uit de vaststaande en de in aanvulling daarop door Gelpa gestelde feiten niet valt af te leiden, dat Gelpa over die periode en voor die huurprijs een andere huurder zou hebben gevonden, als de curator zich zou hebben gehouden aan zijn toezegging tot ontruiming van het gehuurde vóór 1 april 2012.

5.9.

Weenink heeft dat gemotiveerd betwist, en tegenover die betwisting heeft Gelpa haar standpunt niet hard gemaakt. Met name is (zoals hiervoor al is overwogen in r.o. 5.2) niet of onvoldoende concreet onderbouwd, dat een bepaalde potentiële nieuwe huurder van plan was om de ruimte te huren, maar daarvan heeft afgezien, omdat de ruimte nog niet leeg was. Er is dus geen causaal verband tussen de door Gelpa gestelde normoverschrijding en de door haar gepretendeerde schade.

5.10.

De vordering tot schadevergoeding moet dus worden afgewezen. Gelpa dient te worden verwezen in de proceskosten, omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.


6. De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst de vordering af.

II. Veroordeelt Gelpa in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Weenink tot deze uitspraak begroot op € 274,- voor verschotten en op € 1.158,- voor salaris van zijn advocaat Tarief III, twee punten).

III. Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en is op 18 december 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.