Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3571

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
2038038 CV 13-1932
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever vordert terugbetaling van restant aan vergoede studiekosten na eerdere inhouding op eindafrekening. Samenloop van studiekostenregeling in CAO en in arbeidsovereenkomst. Uitleg leidt ertoe dat de regeling in de CAO heeft te prevaleren en de regeling in de arbeidsovereenkomst moet toegepast conform de regeling uit de CAO. Aan de vereisten uit de CAO voor terugbetaling van vergoede studiekosten is niet voldaan nu het werkgever is geweest die de tijdelijke aanstelling van werknemer niet heeft willen verlengen of heeft willen omzetten in vast dienstverband. Volgt afwijzing van de vordering van werkgever en toewijzing van wat aan eindafrekening is ingehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0057

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelszaken

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer : 2038038 CV 13-1932

datum : 3 december 2013

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap GEBO TOURS B.V.,

gevestigd te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie, hierna: ‘Gebo’,

gemachtigde Smit & Legebeke gerechtsdeurwaarders te Ommen,

tegen

[A],

wonende te [plaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie, hierna: ‘[A]’,

gemachtigde mr. J.C.F. Kooijmans, advocaat te Zwolle.

1 Het verdere verloop van de procedure

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen dat op 16 juli 2013 is uitgesproken.

Ingevolge dat tussenvonnis heeft Gebo op de rolzitting van 13 augustus 2013 geconcludeerd voor antwoord in reconventie. Vervolgens heeft op 30 oktober 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. De voorafgaande aan deze comparitie van de zijde van Gebo nader toegezonden producties zijn aan de gedingstukken toegevoegd.

2 Het geschil

in conventie:

De vordering van Gebo strekt ertoe dat [A] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.596,74, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.351,66 vanaf 9 april 2013, kosten rechtens.

[A] heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

in reconventie:

De vordering van [A] strekt ertoe dat Gebo wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.925,60 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad € 1.659,81 bruto en de wettelijke rente over € 4.979,43 vanaf 1 april 2012, onder veroordeling van Gebo in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond

van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. Gebo exploiteert een onderneming gericht op busvervoer.

b. [A], geboren op 27 augustus 1986, is per 1 januari 2010 bij Gebo in dienst getreden in de functie van leerling in het kader van de opleiding Chauffeur Touringcar / Reisleider (CTR) voor een gemiddelde arbeidsduur van 69,32 uur per maand, onder bepaling dat de uren zullen worden uitgebreid naar 40 uur per week indien [A] in het bezit is van het rijbewijs D en het chauffeursdiploma. In artikel 7 van de daartoe opgemaakte arbeidsovereenkomst is een regeling neergelegd omtrent terugbetaling van opleidingskosten, terwijl in artikel 2 is bepaald dat van toepassing is ‘de Collectieve Arbeidsovereenkomst, als bedoeld voor leerlingen in het kader van de opleiding CTR’.

c. Per 1 april 2010 hebben Gebo en [A] een arbeidsovereenkomst gesloten voor de bepaalde duur van één jaar, eindigende op 31 maart 2011, op basis waarvan [A] is aangesteld als Chauffeur Touringcar voor 40 uur per week. In de daarvan tussen partijen opgemaakte arbeidsovereenkomst is onder meer opgenomen dat van toepassing is de cao Besloten Busvervoer en voorts de bepaling dat alle vorige arbeidsovereenkomsten tussen Gebo en [A] door ondertekening van deze overeenkomst zijn vervallen. Gebo en [A] hebben deze arbeidsovereenkomst ondertekend.

d. Op 1 april 2010 hebben Gebo en [A] een studie-/opleidingsovereenkomst gesloten waarin is opgenomen dat Gebo 100% van de studiekosten vergoedt en voorts:

TERUGBETALINGSTERMIJN

Op bovengenoemde kosten is een terugbetalingstermijn van 4 jaar van toepassing. Per jaar vervalt 25% van de kosten na het afronden van de opleiding danwel het behalen van het rijbewijs of diploma.

VOLLEDIGE TERUGBETALING

Volledige terugbetaling van de te vergoeden kosten geschiedt indien door de werknemer:

a. de studie niet behaald wordt.

b. op eigen verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten of omstandigheden wordt ontslagen voor het einde van de studie of behalen van het rijbewijs of diploma, of binnen een termijn van vier jaar na in dienst te zijn getreden van Gebo Tours.

GEDEELTELIJKE TERUGBETALING

De werkgever zal een gedeeltelijke terugbetaling eisen op het moment dat:

De werknemer op eigen verzoek de arbeidsovereenkomst beëindigd dan wel dat er geen verwijtbare redenen zijn bij het beëindigen van het arbeidscontract.

(…)

OPLEIDINGSUREN

De tijd, die de medewerker nodig heeft voor het met goed gevolg afleggen van de opleiding, komen in zijn geheel voor rekening van de medewerker. Dit betreffen zowel de uren voor het verzorgen van de benodigde onderliggende documenten, theorie- en praktijklessen en de te volgen examen.

TERUGBETALING

De terugbetaling van de gehele- of de gedeeltelijke kosten van de bedrijfsgerichte opleiding zal in mindering worden gebracht met het nog te ontvangen salaris- en/of vakantiegeld.

(…)

e. Op 14 april 2010 heeft [A] na daartoe strekkende rijopleiding het rijbewijs D (bus) behaald, voorzien van de code 95. Deze code houdt in dat de rijbewijshouder vakbekwaam is en gerechtigd is tot het beroepsmatig besturen van een bus. In december 2010 heeft [A] zijn via het Verkeerscollege Twente en de Stichting ROC van Twente gevolgde opleiding tot touringcarchauffeur/reisleider met succes afgerond. Gebo heeft aan kosten van (rij)opleiding van [A] een bedrag van € 4.764,05 betaald.

f. Per 1 april 2011 is de arbeidsovereenkomst tussen Gebo en [A] voor de bepaalde duur van één jaar verlengd, waartoe zij een overeenkomst hebben ondertekend, die voor het overige gelijk is aan die ondertekend per 1 april 2010.

g. Voorafgaande aan de afloop van de laatste arbeidsovereenkomst per 31 maart 2012 heeft Gebo [A] medegedeeld dat die arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd omdat zij haar personeel in vaste dienst niet wil uitbreiden. Gebo heeft in dat kader [A] aangeboden te bewerkstelligen dat hij werkzaam wordt voor de touringcarbedrijf Betuwe Express B.V. te Herveld (hierna: Betuwe Express), waarmee Gebo samenwerkt. Betuwe Express heeft daarop per brief van 21 maart 2012 aan [A] een arbeidsovereenkomst voorgesteld voor de bepaalde duur van drie maanden, ingaande 1 april 2012, waarbij een proeftijd geldt voor één maand. [A] heeft Betuwe Expresse en Gebo laten weten niet te zullen ingaan op dat aanbod.

h. Per brief van 30 maart 2012 heeft Gebo, voor zover relevant, aan [A] medegedeeld:

‘(…) Ik heb begrepen dat je bij Connexxion gaat werken en geen gebruik maakt van de detachering naar Betuwe Express.

Incidenteel mag je bij ons nog wel op de zaterdagen werken, (…).

Ook heb ik de kosten van de opleiding uitgezocht. Het bedrag van de opleidingskosten wat dient terugbetaald te worden is: € 3.225,66. En de digitale tachograaf is nog een aantal jaar geldig, de kosten naar rato hiervan zijn: € 51,60. Totaal is het bedrag dat je dient terug te betalen aan ons: € 3.277,26. (…)

De factuur hiervoor stel ik binnenkort op. (…)

Wij vinden het jammer dat je vertrekt naar een collega-bedrijf, omdat wij jou hebben opgeleid tot chauffeur. Wij begrijpen echter de keuze die je hebt gemaakt. Onze intentie van het opleiden van chauffeurs is niet nadat de opleiding is behaald, men te zien vertrekken naar collega-bedrijven. (…)’

i. Per brief van 18 april 2012 heeft [A] bezwaar gemaakt tegen het voornemen van Gebo om een bedrag aan opleidingskosten op hem te verhalen, onder mededeling dat de arbeidsovereenkomst met Gebo niet werd verlengd, dat het contract bij Betuwe Express maar voor drie maanden was, dat hij daarna werkloos zou worden en dat hij van Gebo niet de mogelijkheid heeft gekregen de door haar gemaakte opleidingskosten terug te verdienen door in dienstverband te blijven.

j. Op 19 april 2012 heeft Gebo een eindafrekening opgesteld, waaruit blijkt zij aan [A] is verschuldigd een bedrag van € 1.925,60 netto aan loon, toeslagen, vakantietoeslag, verlofuren, overwerkuren en kostenvergoedingen. Dit bedrag is onbetaald gelaten. Het laatst door [A] verdiende basissalaris bedraagt € 1.994,45 bruto per maand.

k. In antwoord op [A's] brief van 18 april 2012 heeft Gebo per brief van 9 mei 2012 onder meer medegedeeld dat het haar bedoeling was om [A] drie maanden bij een collega-bedrijf te laten werken en dat hij daarna weer bij Gebo had kunnen terugkomen.

l. Gebo heeft per factuur van 11 mei 2012 een bedrag van € 3.277,26 aan opleidingskosten en digitale tachograaf bij [A] in rekening gebracht.

m. De cao Besloten Busvervoer 2009-2011 is algemeen verbindend verklaard voor de periode van 23 oktober 2009 tot en met 31 december 2011. De cao Besloten Busvervoer 2012 is algemeen verbindend verklaard voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 maart 2012. De cao’s hebben een minimumkarakter.

n. In artikel 35 van de cao Besloten Busvervoer is steeds omtrent ‘Vergoeding bij opleiding’ bepaald, voor zover relevant:

Voor alle opleidingen en cursussen die de werknemer op verzoek van de werkgever volgt komen de kosten voor rekening van de werkgever. (…)

Wanneer de werknemer binnen twee jaar na beëindiging van de cursus en/of opleiding vrijwillig het bedrijf verlaat dient hij de kosten van de cursus en/of opleiding van 1000 euro of meer, exclusief subsidie, terug te betalen. Per maand dat de werknemer niet meer in dienst is moet hij 1/24 deel van de kosten terugbetalen (exclusief subsidie). De wettelijk verplichte opleidingen in het kader van 35 uur in vijf jaar, dient de werkgever voor zijn rekening te nemen.

4 De standpunten van partijen

in conventie en in reconventie

Op wat Gebo aan haar vordering in conventie en haar verweer in reconventie dan wel [A] aan zijn verweer in conventie en zijn vordering in reconventie ten grondslag heeft gelegd, zal, voor zover relevant, in het navolgende worden ingegaan.

5 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1

Gelet op de samenhang van de vordering in reconventie met de vordering in conventie, zullen de geschillen samen worden beoordeeld.

5.2

Kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of [A] gehouden is de door Gebo voor haar rekening genomen opleidingskosten gedeeltelijk te vergoeden, zoals Gebo stelt en [A] bestrijdt.

5.3.1

Gebo heeft ter onderbouwing van haar vordering verwezen naar de inhoud van de met [A] gesloten studie-/opleidingsovereenkomst waaruit volgens haar volgt dat [A] naar rato dergelijke kosten dient te vergoeden indien de arbeidsovereenkomst binnen vier jaar na het eindigen van de bekostigde opleiding eindigt.

5.3.2

[A] heeft meerdere verweren gevoerd tegen deze vordering en de daarvoor gegeven onderbouwing. In dat kader heeft [A] onder meer aangevoerd dat de door Gebo aangehaalde terugbetalingsregeling niet geldig is omdat deze regeling niet voldoet aan de door Hoge Raad in het arrest Muller / Van Opzeeland1 neergelegde criteria en voorts omdat deze regeling in ongunstige zin afwijkt van wat in artikel 35 van de cao Besloten Busvervoer (hierna: de cao) is bepaald. [A] heeft daarnaast aangevoerd dat niet is voldaan aan de criteria voor terugbetaling, zoals neergelegd in de studie-/opleidingsovereenkomst, omdat de arbeidsovereenkomst door toedoen van Gebo is geëindigd, zodat hij niet hoeft terug te betalen.

5.4

Omdat gesteld noch gebleken is dat Gebo en/of [A] lid is/zijn van één van de cao-sluitende partijen zal de kantonrechter, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, het op toepassing van artikel 12 Wet CAO gebaseerde verweer niet verder onderzoeken.

5.5

Gelet op wat hierna wordt overwogen zal voorts in het midden worden gelaten het antwoord op de vraag of de in de studie-/opleidingsovereenkomst opgenomen terugbetalings-regeling de toets uit voormeld arrest niet kan doorstaan, zoals [A] stelt en Gebo bestrijdt.

5.6

Indien veronderstellenderwijs van de geldigheid van bedoelde contractuele terugbetalingsregeling wordt gegaan, geldt het volgende.

5.6.1

Gebo stelt op basis van die regeling dat [A] tot gedeeltelijke terugbetaling van de gemaakte opleidingskosten is gehouden, terwijl [A] op basis daarvan concludeert dat hij niet hoeft te terugbetalen.

5.6.2

Anders dan Gebo meent, is ook de in artikel 35 van de cao neergelegde regeling over terugbetaling van opleidingskosten op hun verhouding van toepassing. Immers, in de per 1 april 2010 gesloten arbeidsovereenkomst is de cao zonder enig voorbehoud of uitzondering van toepassing verklaard en is daarenboven verklaard dat door het ondertekenen van die arbeidsovereenkomst de voorafgaande arbeidsovereenkomst is vervallen. Om die reden is de verwijzing, waarnaar Gebo verwijst, in de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2010 naar ‘de collectieve arbeidsovereenkomst, als bedoeld voor leerlingen in het kader van de opleiding CTR’ thans zonder effect. Gesteld noch gebleken is dat het beding in de arbeidsovereenkomst waarmee de cao van toepassing is verklaard, anders moet worden opgevat dan een incorporatiebeding met een dynamisch karakter. Dit brengt mee dat artikel 35 van de cao onderdeel is gaan uitmaken van de contractuele verhouding van partijen. Nu de tekst van artikel 35 van de cao 2009-2011 en van de cao 2012 identiek is, zal steeds van artikel 35 van de cao worden gesproken.

5.6.3

Artikel 35 van de cao bepaalt dat de werknemer in één situatie opleidingskosten dient terug te betalen, te weten indien hij ‘binnen twee jaar na beëindiging van de cursus en/of opleiding vrijwillig het bedrijf verlaat’. Deze regeling ziet daarbij alleen op opleidingskosten van € 1.000,00 of meer en kent een tijdsevenredige vermindering per maand van de verplichting tot terugbetaling over die periode van twee jaar. Deze regeling beperkt een terugbetaling niet alleen in duur en daardoor naar omvang, maar ook tot enkel de situatie dat de werknemer het bedrijf vrijwillig verlaat. Hoewel dit ‘vrijwillig verlaten’ niet is toegelicht en er twijfel kan ontstaan of daaronder alleen verstaan dient te worden de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer of ook de situatie dat een werknemer weigert in te gaan op een aangeboden verlenging van de arbeidsovereenkomst, is wel afdoende duidelijk dat daaronder niet valt de situatie dat de werkgever het initiatief heeft genomen tot het beëindigen van de arbeidsrelatie dan wel die relatie niet wil voortzetten.

5.6.4

Hoewel gesteld noch gebleken is dat Gebo vanwege haar lidmaatschap met een cao-sluitende partij aan werkgeverszijde gebonden is aan de cao, zijn de feitelijkheden dat daarover tussen de werkgevers en de vakbonden in de branche van het besloten busvervoer overeenstemming is bereikt en Gebo in ieder geval die cao op de door haar gesloten arbeidsovereenkomsten van toepassing verklaart, wel zwaarwegende aanwijzingen, dat met de in die cao neergelegde regeling van opleidingskosten een aanvaardbaar evenwicht is bereikt tussen de mogelijkheden van een werkgever als Gebo en de belangen van de werknemers en dat die cao-regeling in beginsel ook als toereikend kan gelden. Als zodanig heeft de cao met de daarin opgenomen terugbetalingsregeling ook voor Gebo als referentiekader te fungeren. Het is dan aan Gebo om te stellen en zo nodig aan te tonen dat in haar geval sprake is van zodanig bijzondere factoren, dat de terugbetalingsregeling in het cao niet als toereikend kan worden aangemerkt en dat haar contractuele regeling ter zake heeft te prevaleren, indien en voor zover deze laatste regeling ten nadele van de werknemer afwijkt.

5.6.5

Gebo heeft echter niet meer aangevoerd dan dat zij expliciet met [A] heeft besproken dat ‘hij moest terugbetalen als de arbeidsovereenkomst eerder zou eindigen dan vier jaar na het voltooien van de opleiding’, maar die stelling is door [A] weersproken. Een concreet bewijsaanbod ter zake heeft Gebo niet gedaan. Deze stelling is ook bezwaarlijk te rijmen met de inhoud van de regeling tot terugbetaling in de studie-/opleidingsovereenkomst, nu die stelling nog ruimhartiger is. Deze stelling verdraagt zich evenmin met de regeling in de cao. Indien Gebo daarmee betoogt dat partijen expliciet - en dus bewust - zijn overeengekomen dat de regeling in de studie-/opleidingsovereenkomst zou prevaleren boven die in de cao, had het voor de hand gelegen dat zij zulks in de studie-/opleidingsovereenkomst of in de arbeidsovereenkomst tot uiting had gebracht. Dit is echter niet gedaan. Deze stelling van Gebo levert daardoor geen zodanig bijzondere factor op, op grond waarvan de regeling tot terug-betaling uit de studie-/opleidingsovereenkomst moeten worden gesteld boven die uit de cao.

5.6.6

In de tekst van de in de studie-/opleidingsovereenkomst neergelegde regeling kan, gelet op de hierna te maken kanttekeningen, evenmin een zodanig bijzondere factor worden ontdekt.

a. In deze regeling wordt allereerst geen aandacht geschonken aan het ook toepasselijk zijn van de terugbetalingsregeling uit de cao. Hoe de contractuele regeling bezien moet tegen de achtergrond van die cao-regeling is daardoor onbehandeld gelaten.

b. In die regeling is bepaald dat een terugbetalingstermijn geld van vier jaren, waarbij onduidelijk is gelaten wat als startdatum heeft te gelden. In regeling is daaromtrent opgenomen ‘het afronden van de opleiding danwel het behalen van het rijbewijs of diploma’. Dit komt belang toe omdat [A] zijn rijbewijs D met code 95 al op 14 april 2010 heeft behaald, terwijl hij zijn diploma CTR in december 2010 heeft behaald. De ene startdatum zou leiden tot een einddatum van 14 april 2014, de andere tot een einddatum voor verhaal van december 2014.

c. Vervolgens bepaalt de regeling dat de werknemer de volledige kosten, kennelijk ongeacht de daarvoor genoemde termijn van vier jaren als hiervoor genoemd, dient vergoeden indien hij op eigen verzoek of verwijtbaar wordt ontslagen ‘binnen een termijn van vier jaar na in dienst te zijn getreden’. Kennelijk geldt dan niet wat daarvoor is bepaald, te weten dat ‘per jaar 25% van de kosten vervalt’ doch hoe dat zich kan verhouden tot een verval van een aanspraak is niet gedefinieerd of toegelicht.

d. Voormelde termijn van vier jaar na indiensttreding leidt in het geval van [A] tot een einddatum van 1 januari 2014, gelet op de datum van indiensttreding van 1 januari 2010. Hierbij geldt dat niet is gedefinieerd of is toegelicht wat dient te worden verstaan onder ‘op eigen verzoek (…) wordt ontslagen’. Dit is van belang omdat vervolgens is bepaald dat ‘de werkgever gedeeltelijke terugbetaling zal eisen op het moment dat de werknemer op eigen verzoek de arbeidsovereenkomst beëindigt’.

e. Wat dan zo’n gedeeltelijke terugbetaling inhoudt, is niet expliciet bepaald, terwijl in dat geval niet wordt aangesloten bij een termijn die ingaat op het moment van indiensttreding. Kennelijk beoogt Gebo daarvoor aan te sluiten bij wat daarvoor is bepaald onder ‘terugbetalingstermijn’, maar duidelijk is dat niet. Indien daarvan moet worden uitgegaan leidt dat er toe dat werknemers die zelf ontslag nemen, anders worden behandeld en een langere termijn krijgen tegengeworpen dan werknemers die door Gebo worden ontslagen, al dan niet op ‘eigen verzoek’, als het gaat om de termijn waarbinnen een terugbetaling aan de orde kan komen. Hoe zich dat verhoudt met het door Gebo gestelde belang, te weten dat zij gedurende een bepaalde periode baat wil hebben van de door haar bekostigde opleiding, laat zich niet inzien.

f. Wat er verstaan dient te worden onder ‘dat er geen verwijtbare redenen zijn bij het beëindigen van het arbeidscontract’ is evenmin verduidelijkt of toegelicht, anders dan dat daaronder niet valt ‘het eigen verzoek beëindigen van de arbeidsovereenkomst door de werknemer’. Zo laat deze zin geheel onduidelijk aan wier zijde geen verwijt valt te maken, wil een gedeeltelijke terugbetaling aan de orde komen. Indien daaronder valt een beëindiging van het arbeidscontract door de werkgever zonder dat de reden daarvoor aan de werknemer kan worden verweten of voor diens risico komt, valt niet zonder meer te begrijpen dat de werknemer desondanks tot vergoeding aan de werkgever van opleidingskosten is gehouden. Aan werknemer kan immers in zo’n situatie niet worden verweten dat de werkgever een te korte periode baat zou trekken van de bekostigde opleiding van de werknemer.

g. De alinea betreffende gedeeltelijke terugbetaling ziet op het ‘beëindigen van het arbeidscontract’. Dat daaronder begrepen dient te worden ‘het eindigen van het arbeidscontract’ ligt niet zonder meer voor de hand, gelet op relevantie in het arbeidsrecht van het verschil tussen een arbeidscontract voor bepaalde tijd en één voor onbepaalde tijd.

5.6.7

Volgens artikel 7:655 BW rust op de werkgever de verplichting de werknemer tijdig, volledig, begrijpelijk en correct te informeren over de wezenlijke elementen van de arbeidsverhouding. Bij twijfel over de betekenis van een contractuele bepaling in een arbeidsrechtelijke overeenkomst heeft dan de voor de werknemer meest gunstige uitleg te prevaleren2. In dit geval moet worden vastgesteld dat de terugbetalingsregeling in de cao een wezenlijke andere, voor de werknemer veel gunstiger inhoud kent dan die opgenomen in de studie-/opleidingsovereenkomst, alleen al omdat deze laatste regeling een kortere terugverdien- en daardoor een kortere terugbetaalperiode kent dan de door Gebo gepresenteerde afspraak. Voorts is de contractuele regeling bepaald minder duidelijk en begrijpelijk dan de in de cao gegeven regeling. Ook hierin schuilt daardoor geen zodanig bijzondere factor als hiervoor bedoeld.

5.6.8

Voor zover Gebo aanvoert dat zij haar chauffeurs alleen voor haarzelf wil opleiden en niet voor een concurrent, is dat naar het oordeel van de kantonrechter evenmin een zodanig bijzondere factor. Daarbij komt dat Gebo in haar eigen regeling weinig eenduidig optreedt als het gaat om de periode waarbinnen zij baat wil trekken van haar bekostiging van opleidingskosten. Zoals hiervoor in overweging 5.6.6 al is uiteengezet, varieert dat immers al naar gelang wie de arbeidsovereenkomst doet eindigen om welke reden. Dat zulks in verband staat met die baattrekking laat zich niet inzien.

5.6.9

De uit het voorgaande te trekken conclusie is dan ook het volgende. Daar waar de werkgever het initiatief neemt tot het eindigen van de arbeidsrelatie, daaronder begrepen het niet (verder) verlengen van een tijdelijk contract of het omzetten daarvan in een vast contract, is de werknemer volgens de regeling uit de cao niet tot terugbetaling van opleidingskosten gehouden. De regeling uit de studie-/opleidingsovereenkomst wijkt daarvan om niet duidelijk geworden redenen op bepaald onduidelijke wijze af. Het ligt dan in de rede om bij samenloop van beide regelingen als in dit geval aan de orde, die laatste regeling toe te passen conform wat daaromtrent in de cao is bepaald en aldus deze cao-regeling te laten prevaleren.

5.7

In dit geval staat vast dat niet [A] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd of niet is willen ingaan op een aanbod tot verlenging van het arbeidscontract of tot aanstelling in vaste dient. Het is Gebo geweest die de tijdelijke aanstelling van [A] niet heeft willen verlengen of heeft willen omzetten in een vast dienstverband. Dat is aan Gebo doch dit betekent dat daardoor niet is voldaan aan de vereisten voor terugbetaling van opleidingskosten. De vordering van Gebo tot terugbetaling van voor [A] gemaakte opleidingskosten kan derhalve niet op de gestelde grondslag worden toegewezen.

5.8

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Gebo dient te worden afgewezen.

5.9

Tevens vloeit uit een en ander voort dat Gebo zonder dat zij daartoe grond had, het aan [A] toekomende bedrag ad € 1.925,60 netto als bedoeld in sub j. van de vaststaande feiten heeft teruggehouden en zich ter zake ten onrechte op verrekening heeft beroepen met wat Gebo aan opleidingskosten van [A] vorderde. De reconventionele vordering van [A] tot betaling van voormeld bedrag van € 1.925,60 netto is dan ook toewijsbaar.


5.10 [A] heeft voorts de toewijzing gevorderd van de maximale wettelijke verhoging. In de omstandigheden van dit geval ligt voldoende grond voor toewijzing van een wettelijke verhoging, zij het tot een bedrag van € 1.000,00. Een hoger bedrag acht de kantonrechter niet passend of geboden.

5.11

De wettelijke rente is als niet afzonderlijk weersproken toewijsbaar als nader te melden.

5.12

Gebo zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden verwezen als hierna te melden. De proceskosten in reconventie zullen worden gecompenseerd nu het in reconventie gevoerde debat identiek is geweest aan dat in conventie.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

- wijst de vordering van Gebo af;

- veroordeelt Gebo in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [A] begroot op:

 € 400,00 voor salaris gemachtigde (2,0 punten × tarief € 200,00)

 € 100,00 voor nakosten

een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag der algehele betaling;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- veroordeelt Gebo tegen bewijs van kwijting aan [A] te betalen een bedrag van € 1.925,60 aan ingehouden eindafrekening en een bedrag van € 1.000,00 aan wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen van € 1.925,60 netto en € 1.000,00 bruto vanaf 1 mei 2012 tot de dag van algehele voldoening;

- compenseert de kosten van dit geding aldus dat elke partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen kosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 3 december 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 HR 10 juni 1983, NJ 1983, 796 (ECLI:NL:HR:1983:AC2816)

2 de zgn. contra proferentem-regel