Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3542

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
08/996024-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het valselijk opmaken van PGB-formulieren, facturen en kasadministratie, witwassen en het verduisteren van geldbedragen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/996024-10

Datum vonnis: 23 december 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] (Turkije),

wonende in [woonplaats], [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 juni 2011, 10 december 2012 en 9 december 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Bollen en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 al dan niet met anderen te Enschede en Almelo verantwoordigingsformulieren Persoons Gebonden Budget Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (PGB-ABWZ) valselijk heeft opgemaakt;

feit 2: in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 al dan niet met anderen te Enschede en Almelo en zestal facturen valselijk heeft opgemaakt;

feit 3: in de periode van 16 mei 2008 tot en met 26 mei 2010 al dan niet met anderen te Enschede en Almelo de kasadministratie en/of het kasboek van [bedrijf verdachten] valselijk heeft opgemaakt;

feit 4: in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 samen met anderen te Enschede en Almelo meerdere geldbedragen heeft verduisterd;

feit 5: in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 zich samen met anderen te Enschede schuldig heeft gemaakt aan het verhullen van de herkomst van crimineel verkregen geldbedragen (het zogeheten witwassen).

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juni 2008

tot en met 26 mei 2010,

in de gemeente(n) Enschede en/of Almelo en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen

(telkens) één of meer verantwoordingsformulier(en) Persoons Gebonden Budget -

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (PGB-AWBZ), in gebruik bij de Stichting

Zorgkantoor Menzis,

waaronder:

a. a) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 1] over de periode 01-01-2009 tot

en met 30-06-2009 voor een bedrag van EUR 11.536,75 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

(dossierpagina 143/144)

en/of

b) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 2] over de periode

11-08-2008 tot en met 31-12-2008 voor een bedrag van EUR 3.417,34 was betaald

aan [bedrijf verdachten];

(dossierpagina 272/273)

en/of

c) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 3] over de periode 01-01-2009 tot en

met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 7.011,18 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

(dossierpagina 823/824)

en/of

d) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 4] over de periode 01-01-2009 tot en

met 30-06-2009 voor een bedrag van EUR 4.807,53 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

(dossierpagina 1143/1144)

en/of

e) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 5] over de periode 01-07-2009 tot

en met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 5.093, 90 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

(dossierpagina 1270/1271)

en/of

f) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 6] over de periode 29-06-2009 tot en

met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 11.589,86 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten]

(elk) zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin

gestelde, althans van enig feit,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst

met het oogmerk om dat/die formulier(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende bedoeld valselijk opmaken en/of dat vervalsen (telkens) hierin

bestaan,

dat op bovengenoemde verantwoordingsformulier(en)

- ( een) ander(e) bedrag(en) was/waren vermeld dan waarvoor in werkelijkheid

zorg was verleend; en/of

- ( een) ander(e) zorgvorm(en) was/waren vermeld en/of aangekruist dan in

werkelijkheid was verleend; en/of

- ( een) valse en/of vervalste handtekening(en) was/waren gezet en/of

geplaatst, althans een ondertekening(en) was/waren geplaatst die door moesten

gaan voor die van de budgethouder(s);

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juni 2008

tot en met 26 mei 2010,

in de gemeente(n) Enschede en/of Almelo en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen

(telkens) één of meer factu(ur)e(en)

Waaronder:

- een factuur d.d. 19-03-2009 voor cliënt [cliënt 3] (dossierpagina 849) en/of

- een factuur d.d. 18-03-2009 voor cliënt [cliënt 7] (dossierpagina 1019) en/of

- een factuur d.d. 18-04-2009 voor cliënt [cliënt 1] (dossierpagina 154)

en/of

- een factuur d.d. 09-07-2009 voor cliënt [cliënt 6] (dossierpagina

1790) en/of

- een factuur d.d. 09-10-2010 voor cliënt [cliënt 6] (dossierpagina

1791) en/of

- een factuur d.d. 05-1-2010 voor cliënt [cliënt 6] (dossierpagina1597)

(elk) zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin

gestelde, althans van enig feit,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst

met het oogmerk om dat/die formulier(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken,

hebbende bedoeld valselijk opmaken en/of dat vervalsen (telkens) hierin

bestaan,

dat op bovengenoemde factu(u)r(en)

- ( een) ander(e) bedrag(en) was/waren vermeld dan waarvoor in werkelijkheid

zorg was verleend; en/of

- ( een) ander(e) zorgvorm(en) was/waren vermeld en/of aangekruist dan in

werkelijkheid was verleend; en/of

- ( een) ander(e) aantal(len) uren verleende zorg was/waren vermeld dan in

werkelijkheid was verleend;

3.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 mei 2008

tot en met 26 mei 20010 te Enschede en/of Almelo en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) de kasadministratie en/of het kasboek van [bedrijf verdachten])

(zie dossierpagina's 3299 e.v.)

zijnde die kasadministratie en/of dat kasboek een samenstel van geschriften,

welke in onderlinge samenhang bestemd was/waren om te dienen tot bewijs van

het daarop gestelde, althans zijnde (een) geschrift(en) bestemd om tot bewijs

van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst met het oogmerk om die

kasadministratie en/of dat kasboek als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken,

door daarin

-niet alle inkomsten te vermelden en/of te boeken

en/of

-uitgave(n) te vermelden en/of te boeken die in werkelijkheid niet (ten

behoeve van de bedrijfsvoering van [bedrijf verdachten])

heeft/had/hebben/hadden plaatsgevonden;

4.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juni 2008

tot en met 26 mei 2010

in de gemeente Enschede en/of Almelo en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen

(telkens) opzettelijk één of meerdere geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag

gelegen tussen Euro 371.708,- en Euro 682.609,- of daaromtrent), in elk geval

enig goed,

geheel of ten dele toebehorende(n) aan (stichting) Zorgkantoor (Menzis) en/of

Menzis Zorg en Inkomen en/of de gemeente Enschede en/of de gemeente Almelo

en/of

één of meerder budgethouder(s) van PGB-AWBZ en/of PGB-WMO gelden in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s)

en welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) als een voorschot

(afkomstig van een PGB-AWBZ budget en/of een PGB-WMO budget) en/of als

gemachtigde en/of beheerder en/of vertegenwoordiger en/of budgethouder onder

zich had(den)

in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens)

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 juni 2008

tot en met 26 mei 2010 te Almelo en/of Enschede en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen

voorwerpen, te weten

- één of meer geldbedrag(en) (in totaal maximaal EUR 682.609,-) en/of

- één of meer woning(en) (gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te

Almelo),

althans één of meer goed(eren)

(telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen

en/of omgezet

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans moest(en)

vermoeden, dat bovenomschreven voorwerpen en/of geldbedragen(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e)

misdrijf/misdrijven;

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 De voorvragen

4.1

De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voor zover deze ziet op de feiten 4 en 5 nietig verklaard moet worden. De raadsman is van mening dat, gelet op de bedragen die in de tenlastlegging genoemd worden, met in het achterhoofd het onderliggende dossier, redelijkerwijs geen verdediging gevoerd kan worden. Volgens de raadsman is er geen keuze gemaakt in het bedrag en is er voorts een berekenmethode gebruikt die gebaseerd is op 18 dossiers.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en dat de in tenlastlegging genoemde bedragen zorgvuldig zijn berekend en dat de verdediging in staat geacht moet worden zich adequaat te kunnen verdedigen.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling moet men voortdurend in het oog houden dat centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.

Uit de jurisprudentie volgt dat bij de beoordeling van een nietigheidsverweer ten aanzien van de dagvaarding een aantal factoren dient te worden meegewogen. Eén van die factoren is de vraag of er bij verdachte bij kennisneming van het strafdossier redelijkerwijs twijfel kan bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Een andere factor die moet worden meegewogen is dat in de bewoordingen van de tenlastelegging besloten kan liggen wat het voorwerp van het strafrechtelijk onderzoek vormt. Ook de inhoud van de door de verdediging overlegde pleitnota mag in de beoordeling van het nietigheidsverweer worden meegenomen, net als de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat voldoende duidelijk is omschreven wat verdachte wordt verweten en voorts dat de dagvaarding voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 Sv. Op basis van het onderliggende proces-verbaal van de SIOD en de in de tenlastelegging opgenomen periode kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden vastgesteld op welke feiten of gedragingen de officier van justitie bij het opstellen van de dagvaarding het oog heeft gehad. Bovendien heeft de rechtbank tijdens het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat het de verdachte op basis van die dagvaarding en de inhoud van het dossier duidelijk is welke feiten haar verweten worden en waartegen zij zich dient te verdedigen.

Het verweer van de verdediging dat de dagvaarding ten aanzien van de feiten 4 en 5 (partieel) nietig moet worden verklaard wordt dan ook verworpen.

4.2

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie m.b.t. de redelijke termijn

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in zijn strafvervolging. Hij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de redelijke termijn waarbinnen de vervolging van een strafbaar feit dient te zijn afgerond met bijna 1 jaar en

7 maanden is overschreden. Het uitgangspunt van de Hoge Raad dat termijnoverschrijding ook in uitzonderlijke gevallen niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan leiden, is volgens de raadsman niet langer houdbaar.

De officier van justitie heeft gesteld dat er weliswaar sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, maar dat zij wel ontvankelijk is in haar strafvervolging. Zij heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN BD 2578) waarin duidelijk is bepaald dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bij een termijnoverschrijding niet aan de orde is, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Het standpunt van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer het volgende.

De vervolging van verdachte heeft een aanvang genomen op 27 mei 2010. Op die dag heeft in de woning van verdachte en in de bedrijfspanden van [bedrijf verdachten] een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden. Na verder onderzoek is het eind proces-verbaal op 11 april 2011 bij het parket van de officier van justitie ingeleverd. Op 11 juni 2011 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daar heeft de raadsman verzocht om een aantal getuigen te doen horen door de rechter-commissaris. In december 2011 heeft de rechter-commissaris de getuigenverhoren afgerond. Op 12 december 2012 heeft een tweede regiezitting plaatsgevonden. Daar heeft de raadsman wederom verzocht om een aantal getuigen te laten horen door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft deze getuigenverhoren afgerond in maart 2013. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 december 2013 en de uitspraak is bepaald op 23 december 2013.

De rechtbank dient te onderzoeken of in deze procedure inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, zoals gewaarborgd in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en zo ja, of aan die overschrijding de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verbonden moet worden. Genoemd voorschrift beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder dreiging van (verdere) strafvervolging moet leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na het moment dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aanvangt. De strafzaak tegen verdachte heeft uiteindelijk een duur gehad van drie jaren en zeven maanden, nl. van 27 mei 2010 tot de datum van het vonnis 23 december 2013.

De rechtbank stelt vast dat het eindproces-verbaal binnen 13 maanden na de aanhouding van verdachte bij het parket van de officier van justitie is ingeleverd. De rechtbank houdt rekening met het feit dat de onderzoekswensen van de verdediging de afdoening van de zaak met negen maanden hebben vertraagd. Dit betekent dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met negen maanden. Deze overschrijding is geheel toe te schrijven aan het Openbaar Ministerie.

Deze overschrijding leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad heeft immers in zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN BD2578) beslist dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen.

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie m.b.t. de behoorlijke procesorde

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Volgens de raadsman is er – samengevat – door de verhoorders ontoelaatbare druk uitgeoefend op de getuigen en is het onderzoek eenzijdig ingestoken zonder dat er oog is geweest voor eventueel ontlastend materiaal. Ook is volgens de verdediging de verbalisering van de verhoren van de getuigen niet op de juiste wijze geschied, hadden de verbalisanten zich onvoldoende voorbereid op het onderzoek en was er onvoldoende kennis van de materie. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van het uitoefenen van ontoelaatbare druk op de getuigen door de verbalisanten. In dit verband heeft de officier van justitie opgemerkt dat de verbalisanten op dit punt bij het verhoor de rechter-commissaris niet door de verdediging bevraagd zijn. Ook is er volgens de officier van justitie geen sprake geweest van een eenzijdig insteek van het onderzoek. In dit verband heeft de officier van justitie ook verwezen naar een door verdediging ter zitting ingebracht dossier afkomstig uit de administratie van verdachte waaruit volgens de officier van justitie kan worden afgeleid dat ook uit dit dossier blijkt dat er gebreken kleven aan de wijze waarop verdachte de verleende zorg administratief heeft verantwoord. Volgens de officier van justitie is er geen sprake van dat er inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het oordeel van de rechtbank

In geval van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv moet de rechtbank beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten (1) het belang dat het geschonden voorschrift dient, (2) de ernst van het verzuim (waarbij de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang zijn, evenals de mate van verwijtbaarheid van het verzuim) en (3) het nadeel dat door het vormverzuim wordt veroorzaakt (waarbij onder meer van belang is of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad)1. Voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging is buiten de in de wet geregelde gevallen slechts plaats in uitzonderlijke situaties. Zo’n uitzonderlijk geval kan zich voordoen indien door met opsporing of vervolging belaste ambtenaren in de loop van het vooronderzoek een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, en daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak2.

De rechtbank is van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende processen-verbaal, die betrekking hebben op de verhoren van de getuigen, niet kan worden afgeleid dat er door de verbalisanten ontoelaatbare druk is uitgeoefend op de getuigen en die verklaringen niet in vrijheid zouden zijn afgelegd. Ook overigens is de juistheid van die stelling niet aannemelijk geworden. Voor zover door de verdediging overigens gesteld is dat het onderzoek om verschillende redenen feitelijk niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden leidt dit naar het oordeel van de rechtbank zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien niet tot het oordeel dat van de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken.

Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat alle door verdachte bij de SIOD afgelegde verklaringen van het bewijs en van mogelijke berekeningen moeten worden uitgesloten, omdat bij de verhoren verdachte’s advocaat niet aanwezig is geweest. Dit recht volgt volgens de verdediging onder meer uit de recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak [naam] tegen Monaco (EHRM 24 oktober 2013, [naam] e.a. v. Monaco, nrs. 62880/11, 62892/11 en 62899/11) en uit de Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2013, die in artikel 3 lid 3b uitdrukkelijk voorziet in een recht op aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor.

De officier van justitie is van mening dat dit verweer gepasseerd moet worden omdat de Richtlijn betreffende het recht op toegang van een advocaat tot een politieverhoor pas uiterlijk 27 november 2016 dient te zijn omgezet in nationale regelgeving.

De rechtbank laat dit verweer, uitmondend in bewijsuitsluiting, onbesproken nu de rechtbank geen gebruik zal maken van de door verdachte afgelegde verklaringen.

De officier van justitie heeft verder geconcludeerd dat, op grond van de in het strafdossier opgenomen bewijsmiddelen, de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft gesteld dat verdachte de zogenoemde verantwoordigingsformulieren steeds correct heeft ingevuld. In die formulieren wordt immers gevraagd naar de gedeclareerde zorg en niet naar de verleende zorg. Op de formulieren zijn de bedragen en zorgsoorten ingevuld en aangekruist die corresponderen met de onderliggende declaraties, zodat van enige valsheid geen sprake is. Over de ten laste gelegde verduistering stelt de raadsman dat de opzet van verdachte niet gericht was op de wederrechtelijke toe-eigening, omdat zij in de veronderstelling verkeerde en mocht verkeren dat alle gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk was verleend.

De raadsman heeft tevens aangevoerd dat verdachte geen specifieke verhullingshandelingen heeft verricht waarbij is geprobeerd geldbedragen uit het zicht te brengen of te houden, zodat van witwassen geen sprake is geweest. Ook voor dat onderdeel dient daarom vrijspraak te volgen.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende met betrekking tot het verweer dat wegens de hiervoor genoemde vormverzuimen, behoudens de overschrijding van de redelijke termijn, zijnde:

  • -

    eenzijdige insteek onderzoek;

  • -

    onvoldoende voorbereiding onderzoek en onvoldoende kennis materie bij de verbalisanten;

  • -

    ontoelaatbare druk op de verdachten/getuigen;

  • -

    tolken door een onbeëdigde tolk;

  • -

    gehandeld in strijd met de verbaliseringsplicht;

  • -

    eenzijdig onderzoek;

  • -

    handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel,

alle SIOD-verklaringen van de Thuiszorg-cliënten van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Bewijsuitsluiting kan, als op grond van art. 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg, uitsluitend aan de orde komen, indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden3.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier niet een situatie voor dat het bewijsmateriaal door enig verzuim is verkregen. Voor de onderbouwing van dit standpunt verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor in paragraaf vier is overwogen. Het verweer wordt verworpen.

Het PersoonsGebondenBudget (PGB) is een regeling die valt onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ is in Nederland een verplichte, collectieve ziektekostenverzekering voor niet individueel verzekerbare ziektekostenrisico's. Verzekerd voor de AWBZ zijn alle ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AWBZ is één van de zogenoemde volksverzekeringen.

De AWBZ kent in het kader van het PGB zogenoemde functiegerichte aanspraken namelijk;

• Huishoudelijke verzorging (in dit dossier ook afgekort als H en HH);

• Persoonlijke verzorging (P en PV);

• Verpleging (V en VP);

• Ondersteunende begeleiding (O, OB en OU als ondersteunende begeleiding in uren en VV, hetgeen ondersteunende begeleiding met vervoer inhoudt);

• Activerende begeleiding;

• Behandeling en

• (kortdurend) verblijf.

Op 1 januari 2007 werd de zorgfunctie huishoudelijke verzorging ondergebracht in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en vanaf die datum beslissen de gemeenten over deze vorm van zorg.

De cliënt, in het kader van het PGB “budgethouder” genoemd, dient een aanvraag in bij het Centrum voor Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het CIZ oordeelt of de cliënt de aangevraagde zorg nodig heeft en in welke mate. Hierbij specificeert het CIZ welke typen zorg er nodig zijn, de klasse en het aantal uren. De cliënt ontvangt de indicatiestelling in de vorm van een schriftelijk besluit en elektronisch wordt het (Regionale) Zorgkantoor op de hoogte gesteld van dit besluit.

Aan de hand van de indicatiestelling wordt door het Zorgkantoor vastgesteld wat het bruto PGB is waar de cliënt recht op heeft. Hierop wordt de verschuldigde eigen bijdrage in mindering gebracht. Het zo berekende netto PGB wordt door het Zorgkantoor uitbetaald aan de cliënt. De eigen bijdrage wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor bijzondere ziektekosten (CAK). Het CAK doet dit op basis van de geïndiceerde zorg en de inkomensgegevens van de cliënt. Het CAK heeft daarvoor toegang tot de gegevens van de Belastingdienst.

De cliënt/budgethouder sluit overeenkomsten af met mensen en/of instellingen die de zorg gaan leveren en betaalt hen vanuit het PGB. Periodiek moet de cliënt verantwoording afleggen over de besteding van het PGB.

Wanneer iemand een indicatie heeft, kan het toegekende PGB, in plaats van de soort van zorg waarvoor dat budget is toegekend, ook voor andere vormen van zorg worden ingezet. Dit betekent dat iemand die bijvoorbeeld een indicatie voor ondersteunende begeleiding heeft zijn budget desgewenst ook kan inzetten voor persoonlijke verzorging. Door de budgethouder dient echter steeds de daadwerkelijk genoten zorg verantwoord te worden.

Door verdachte werd in de tenlastegelegde periode gebruik gemaakt van de eenmanszaak “[bedrijf verdachten]”. Van deze onderneming was verdachte volgens de Kamer van Koophandel niet de eigenaar of de bestuurder, maar haar zoon, de medeverdachte [medeverdachte 1]. Uit verklaringen van diverse werknemers en de klanten van de thuiszorgorganisatie [medeverdachte 1] blijkt dat verdachte en haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte 2], de feitelijke leiding hadden in deze onderneming.

Uit het dossier leidt de rechtbank voorts af dat de bedrijfsadministratie – voor wat betreft het opstellen van de verantwoordingsformulieren - in de ten laste gelegde periode grotendeels door de medewerkers van thuiszorgorganisatie [medeverdachte 1] werd uitgevoerd.

Uit het dossier blijkt tevens dat 178 mensen uit Enschede en Almelo, na aanvraag en toekenning van een PGB, enige vorm van zorg kregen van [bedrijf verdachten]. Deze mensen hadden overwegend een Turkse achtergrond en waren de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig.

Door het verlenen/ondertekenen van machtigingen gaven cliënten verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] het beheer en de beschikking over het PGB dat werd gestort op de bedrijfsrekening van de thuiszorgorganisatie. Tevens werd door het opgeven van het bedrijfsadres van verdachte aan het Zorgkantoor en/of de gemeente Enschede of Almelo alle correspondentie naar verdachte verstuurd.

Door deze werkwijze werd naast het PGB tevens alle correspondentie met betrekking tot het PGB buiten het zicht van de cliënt gehouden. De cliënt had daardoor geen goed inzicht in het recht op en de hoogte van het PGB.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het ten laste gelegde feit bewezen worden nu verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging achterwege hebben gelaten, hoewel zij daartoe wel bevoegd en gehouden waren.

Verdachte beheerde en administreerde bedrijfsmatig PGB’s. Naar het oordeel van de rechtbank is een uitvoerende verantwoordelijk voor wat betreft de juiste kennis van toepasselijke regelingen en de daarmee samenhangende verplichtingen. Het was dus verdachte’s verantwoordelijkheid dat de voor de cliënten ingevulde verantwoordigingsformulieren werden gebaseerd op de juiste onderliggende gegevens. Dit betekent dat zij (mede) verantwoordelijk was voor de inhoud van die formulieren.

Dit houdt onder meer in dat de budgethouder moet kunnen beschikken over ondertekende facturen van de verleende zorg. Daarin moeten onder meer zijn opgenomen het aantal gewerkte- en betaalde uren, de tijden waarop is gewerkt, het uurtarief, de naam en het adres van de zorgverlener. De basis voor die facturen vormt de zorgovereenkomst waarin staat welke zorg op welke dagen voor hoeveel uur tegen welk tarief verricht wordt. In de onderhavige zaak zijn vrijwel geen zorgovereenkomsten aangetroffen en als deze al werden aangetroffen, dan waren ze onvolledig. De rechtbank houdt verdachte hiervoor mede verantwoordelijk.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn stelling dat van valsheid geen sprake was, omdat op de verantwoordigingsformulieren desgevraagd steeds correct de gedeclareerde zorg is ingevuld. De raadsman gaat er ten onrechte aan voorbij dat de facturen zelf al vals zijn ingevuld.

Op de facturen diende immers te worden aangegeven of daadwerkelijk zorg was verleend, op welke dagen en tegen welk tarief. Hieruit volgt al dat alleen de daadwerkelijk verleende zorguren konden worden gedeclareerd en verantwoord.

Uit de verklaringen van de aangevers/getuigen komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat:

- andere bedragen waren vermeld dan waarvoor in werkelijkheid

zorg was verleend en

- andere (duurdere) zorgvorm(en) was/waren vermeld en/of aangekruist dan in

werkelijkheid was/waren verleend.

Daarmee staat de valsheid van de facturen vast. Omdat alleen deze valse facturen de basis vormden voor de verantwoordingsformulieren, staat daarmee ook vast dat laatstgenoemde formulieren vals zijn.

Daarnaast heeft de raadsman in zijn algemeenheid nog gesteld dat verdachte in werkelijkheid veel meer uren zorg heeft verleend dan uit de verklaringen van de aangevers/getuigen blijkt. Ook uit de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd bij de rechter-commissaris blijkt dat meer zorg is verleend door verdachte dan uit administratieve bescheiden naar voren komt. De raadsman heeft gesteld dat de hoeveelheid geld die wél is ontvangen en waarvoor geen zorg is geleverd niet van die omvang is geweest zoals door de opsporingsambtenaren van de SIOD is berekend.

De rechtbank volgt die redenering niet, omdat de SIOD in zijn berekeningen, met de door de raadsman genoemde zorguren voor zover deze aannemelijk zijn geworden, rekening heeft gehouden en deze heeft verdisconteerd. Ook dan resteert evenwel een substantieel verschil tussen de gedeclareerde zorguren en de daadwerkelijk verleende zorguren.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat verdachte in de ten laste gelegde periode meermalen valsheid in geschrift heeft (mede)gepleegd.

Verduistering:

De raadsman heeft gesteld dat de opzet van zijn cliënt niet gericht was op de wederrechtelijke toe-eigening, nu zij in de veronderstelling verkeerde en mocht verkeren dat alle zorg wel degelijk was verleend.

De rechtbank is van oordeel dat van verduistering sprake is als zodanig over het geld wordt beschikt dat duidelijk is dat het geld tegen de gemaakte afspraken in wordt beheerd, teruggave onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.

In het onderhavig geval werd, met behulp van vals opgemaakte verantwoordingsformulieren PGB, bij de budgetverlener de indruk gewekt dat het hele budget daadwerkelijk voor zorg was aangewend, terwijl het juiste bedrag aan verstrekte hulp, het juiste aantal verleende zorguren en de soort zorghulp niet valt te achterhalen doordat verdachte verzuimde (op een juiste wijze) een deugdelijke administratie te voeren. Verdachte heeft vervolgens eigenmachtig over deze gelden, die nadrukkelijk voor zorg bedoeld waren, beschikt door er andere zaken en diensten van te betalen. Aldus heeft verdachte over geldbedragen beschikt waarop zij geen recht had, waardoor er naar het oordeel van de rechtbank ook sprake is van verduistering.

Witwassen

De raadsman heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van verhullingshandelingen omdat via bankafschriften of verklaringen van verdachte nagegaan kan worden waaraan de verschillende bedragen zijn besteed.

De rechtbank merkt in dit verband op dat voor bewezenverklaring van witwassen sprake moet zijn van gedragingen die meer omvatten dan het enkele voorhanden hebben van die gelden en die gericht zijn op of het karakter hebben van een daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die gelden (Hoge Raad 8 januari 2013, LJN BX6910).

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte door het plegen van valsheid in geschrift en verduistering in het bezit is gekomen van aanzienlijke geldbedragen waarover zij alleen kon beschikken. Verdachte heeft, zo blijkt uit het dossier, samen met haar medeverdachte partner, onder meer een appartement in Turkije en twee woningen in Almelo gekocht, waarbij (deels) contant is betaald. Daarnaast is gebleken dat er aanzienlijke geldbedragen contant zijn opgenomen van de bedrijfsrekening, terwijl die opnames niet zijn verantwoord in de kasadministratie. Door aldus te handelen heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank, samen met haar medeverdachte [medeverdachte 2], schuldig gemaakt aan het witwassen van aanzienlijke geldbedragen, nu de gedragingen mede gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Niet alleen heeft zij het doen voorkomen dat legaal verdiende winsten werden geïnvesteerd in onroerende zaken, maar ook moet bedacht worden dat het lastiger wordt de herkomst van het geld te traceren, indien en zodra de aangekochte onroerende zaken (inclusief waardestijging) weer worden verkocht.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, verantwoordingsformulieren Persoons Gebonden Budget - Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (PGB-AWBZ), in gebruik bij de Stichting Zorgkantoor Menzis,

waaronder:

a. a) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 1] over de periode 01-01-2009 tot

en met 30-06-2009 voor een bedrag van EUR 11.536,75 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

en

b) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 2] over de periode

11-08-2008 tot en met 31-12-2008 voor een bedrag van EUR 3.417,34 was betaald

aan [bedrijf verdachten];

en

c) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 3] over de periode 01-01-2009 tot en

met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 7.011,18 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

en

d) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 4] over de periode 01-01-2009 tot en

met 30-06-2009 voor een bedrag van EUR 4.807,53 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

en

e) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 5] over de periode 01-07-2009 tot

en met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 5.093, 90 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten];

en

f) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven)

dat door of namens budgethouder [cliënt 6] over de periode 29-06-2009 tot en

met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 11.589,86 was betaald aan [bedrijf verdachten]

[bedrijf verdachten],

elk zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin

gestelde valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die

formulieren als echt en onvervalst te gebruiken,

hebbende bedoeld valselijk opmaken hierin bestaan, dat op die formulieren

- andere bedragen waren vermeld dan waarvoor in werkelijkheid

zorg was verleend; en

- andere zorgvormen waren vermeld en aangekruist dan in

werkelijkheid waren verleend;

2.

zij in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander facturen waaronder:

- een factuur d.d. 19-03-2009 voor cliënt [cliënt 3] en

- een factuur d.d. 18-03-2009 voor cliënt [cliënt 7] en

- een factuur d.d. 18-04-2009 voor cliënt [cliënt 1] en

- een factuur d.d. 09-07-2009 voor cliënt [cliënt 6] en

- een factuur d.d. 09-10-2010 voor cliënt [cliënt 6] en

- een factuur d.d. 05-1-2010 voor cliënt [cliënt 6],

elk zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin

gestelde valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die formulieren als echt en onvervalst te gebruiken,

hebbende bedoeld valselijk opmaken hierin bestaan, dat op bovengenoemde facturen

- andere bedragen waren vermeld dan waarvoor in werkelijkheid zorg was verleend; en

- andere zorgvormen waren vermeld en aangekruist dan in werkelijkheid was verleend; en/of

- andere aantallen uren verleende zorg waren vermeld dan in werkelijkheid was verleend;

3.

zij in de periode van 16 mei 2008 tot en met 26 mei 2010 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

de kasadministratie en/of het kasboek van [bedrijf verdachten],

zijnde die kasadministratie en/of dat kasboek een samenstel van geschriften,

welke in onderlinge samenhang bestemd waren om te dienen tot bewijs van

het daarop gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die

kasadministratie en/of dat kasboek als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken,

door daarin

-niet alle inkomsten te vermelden en/of te boeken

en

-uitgaven te vermelden en/of te boeken

die in werkelijkheid niet ten behoeve van de bedrijfsvoering van [bedrijf verdachten] hebben/hadden plaatsgevonden;

4.

zij in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk geldbedragen tot een totaalbedrag

gelegen tussen Euro 371.708,- en Euro 682.609,-, toebehorende aan stichting Zorgkantoor (Menzis) en Menzis Zorg en Inkomen en de gemeente Enschede en de gemeente Almelo en meerdere budgethouders van PGB-AWBZ en PGB-WMO gelden,

welke goederen verdachte als een voorschot afkomstig van een PGB-AWBZ budget en een PGB-WMO budget en als gemachtigde en beheerder en vertegenwoordiger en budgethouder onder zich had in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

zij in de periode van 17 juni 2008 tot en met 26 mei 2010 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten

- geldbedragen (in totaal maximaal EUR 682.609,-) en

- woningen gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] te

Almelo) heeft verworven,voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet

terwijl zij, verdachte en haar mededader moesten vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen en/of geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig

misdrijf

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 225, 321 en art 420bis lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, feit 2 en feit 3:

telkens het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft, met behulp van haar mededader, bijna twee jaar lang zorguren gedeclareerd waarop zij geen recht had. Deze gelden heeft zij vervolgens verduisterd en geprobeerd de criminele herkomst ervan te verhullen. Door zo te handelen hebben verdachte en haar mededader misbruik gemaakt van zorgafhankelijke mensen die vertrouwen hadden in haar en haar thuiszorginstelling. Deze personen hebben niet de zorg ontvangen die ze nodig hadden. Daarnaast zijn zij ook blootgesteld aan een financieel risico omdat de budgetverlener, het geld dat niet is besteed aan daadwerkelijke zorg, in beginsel van hen kan terugvorderen. Voorts is er sprake van misbruik van gemeenschapsgeld waarbij verdachten geen oog hebben gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de regeling van de PGB’s en de mensen die met behulp daarvan juist op een adequate manier in hun zorgbehoefte konden voorzien. Fraude met sociale voorzieningen kan uiteindelijk gevolgen hebben voor het op hetzelfde niveau voorbestaan van dergelijke voorzieningen. Gelet hierop, en gelet op de omvang van het fraudebedrag, is een vrijheidsstraf, zoals die is gevorderd door de officier van justitie in beginsel op zijn plaats.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Zij heeft daarbij rekening gehouden met:

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen € 250.000,=

en € 1.000.000,= een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vermelden van 18 tot 24 maanden;

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de grove wijze waarop het noodzakelijk vertrouwen in het handelsverkeer in het algemeen door verdachte is geschaad;

- het stelselmatige karakter van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat echter ook rekening met het tijdsverloop in deze zaak, zoals hierboven onder punt 4 al is overwogen.

De rechtbank zal, rekening houdend met die overschrijding een strafvermindering toepassen.

9 De schade van benadeelden

De heer [aangever 1], als gemachtigde optredende voor de gemeente Enschede, gevestigd te 7500 AA Enschede, Postbus 20, heeft zich, voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De gestelde schade is door de benadeelde partij niet onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De heer [aangever 2], als gemachtigde optredende voor de gemeente Almelo, gevestigd te 7607 EK Almelo, Stadhuisplein 1, heeft zich, voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De gestelde schade is door de benadeelde partij niet onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, feit 2 en feit 3

telkens het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1, sub 2, sub 3, sub 4 en sub 5 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht,

schadevergoeding

- bepaalt dat de voornoemde benadeelde partijen in het geheel niet-ontvankelijk zijn in hun vordering en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en

mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2013.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

A.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Sociale Inlichtingen- en opsporingsdienst nr. 66402010000077. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

B.

1.

Een proces-verbaal van verhoor van 3 februari 2011 (pag. 2221 t/m 2226 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van de aangever [aangever 3], zakelijk weergegeven:

Ik ben werkzaam bij Menzis, op de afdeling Fraudebeheersing Menzis. Mijn functie is coördinator Fraudebeheersing en als zodanig ben ik bevoegd tot het doen van aangifte.

Menzis is als concessiehouder aangewezen door het ministerie van VWS voor de uitvoering van de zorgkantoortaken die zijn vastgelegd in een mandaat tussen het ministerie van VWS en de zorgverzekeraars. De Stichting Zorgkantoor Menzis is concessiehouder voor de zorgkantoorregio's Arnhem, Groningen en Twente.

Ik doe namens Menzis aangifte van valsheid in geschrift gepleegd door: [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] door middel van de onderneming “[bedrijf verdachten]”, gevestigd [adres 3] te [plaats 1]. In de periode van 17 juni 2008 tot en met

1 april 2010 zijn er door hun onderneming namens de cliënten verantwoordingen gedaan bij ons Zorgkantoor die niet juist waren. Op deze verantwoordingen werden hogere bedragen aan verleende zorg vermeld dan feitelijk was verricht. Ook werden vormen van zorg verantwoord die in zijn geheel niet, dan wel deels plaats hebben gevonden. Wij zijn dit te weten gekomen door nader onderzoek nadat anonieme meldingen hierover waren ontvangen.

Indien [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2], op de verantwoordingsformulieren en de bij de intensieve controle verstrekte declaraties, de juiste gegevens hadden vermeld, dan hadden de bedragen die wij hebben vastgesteld op de eindafrekening aanzienlijk lager uitgevallen. De verantwoordingsformulieren worden door Menzis gebruikt om het recht en/of de hoogte van het PGB vast te stellen. De betaalde voorschotten die niet aan zorg worden verleend dienen op basis van beoordelingen van deze verantwoordingsformulieren terugbetaald te worden. Op de toekenningbeschikking is zichtbaar, welke bedragen als voorschot zijn uitbetaald. Op de eindafrekening van het betreffende jaar wordt dit bedrag in het overzicht als "toegekend PGB" benoemd. In dit overzicht is ook het totaal "verantwoorde bedrag" zichtbaar. Indien er in de loop van het jaar, om wat voor reden dan ook, door de budgethouder of de zorgverlener PGB-gelden worden terugbetaald is dit op het overzicht vermeld. In sommige gevallen is de originele eindafrekening van het zorgkantoor niet meer in ons bezit. In die gevallen hebben wij een print uit ons digitale bestand uitgedraaid, waarop de oorspronkelijke gegevens vermeld op de eindafrekening, zijn weergegeven.

Voor wat betreft "het vrij besteedbaar bedrag" kan ik nogmaals zeggen dat 1.5% van het budget als vrij besteedbaar bedrag aangemerkt kan worden met een minimum van € 250,- en een maximum van € 1.250,- . Hierover hoeft geen verantwoording te worden afgelegd. Indien een budgethouder echter het (nagenoeg) volledige bedrag verantwoord, dan heeft de budgethouder kennelijk het vrij besteedbaar bedrag niet gebruikt en volgens opgave kennelijk in zijn geheel aan zorg besteed.

Wij stellen [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] aansprakelijk voor de teveel uitbetaalde PGB-gelden. Op grond van het verstrekken van onjuiste verantwoordingen doe ik namens Menzis aangifte van valsheid in geschrift. De teveel uitbetaalde voorschotten werden uitbetaald op de bedrijfsrekening van [bedrijf verdachten] dan wel op rekening van budgethouders (na 01-01-2009) en dienen aan het Zorgkantoor te worden terugbetaald.

2.

Een proces-verbaal van verhoor van 16 februari 2011 (pag. 2227 t/m 2228 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van de aangever [aangever 1], zakelijk weergegeven:

Ik ben als manager van het cluster Zorg werkzaam bij de gemeente Enschede en als zodanig doe ik namens de gemeente aangifte. Één van de afdelingen binnen mijn cluster (de afdeling Zorgloket en Voorzieningen) is verantwoordelijk voor het toekennen en verstrekken van persoonsgebonden budgetten (Pgb) voor hulp bij het huishouden. Deze Pgb's vallen vanaf 01 januari 2007 onder verantwoordelijkheid van de gemeente. De afdeling heeft in het verleden een aantal signalen binnen gekregen van mogelijke misstanden bij enkele organisaties die Pgb-houders ondersteunen, waaronder begin 2010 drie signalen over [bedrijf verdachten]. Door de SIOD Arnhem ben ik geïnformeerd over het feit dat zij (naast eerdere onderzoeken naar andere instellingen) nu ook onderzoek hebben gedaan naar mogelijk gepleegde Pgb-fraude door [bedrijf verdachten] in de gemeente Enschede. De thuiszorginstelling voornoemd wordt volgens de SIOD Arnhem feitelijk gedreven door [verdachte] en/of [medeverdachte 2], waarbij de zoon van hen officieel eigenaar is van [bedrijf verdachten]. In het kader van de onderzoeken naar mogelijke Pgb-fraude heeft de afdeling Zorgloket en Voorzieningen van de gemeente Enschede sinds mei 2010 diverse stukken met betrekking tot Pgb-cliënten van de gemeente aan de SIOD Arnhem beschikbaar gesteld.

Volgens de SIOD Arnhem leverde het onderzoek de conclusie op dat in de periode van 01/01/2008 tot en met 01/04/2010, door of namens [bedrijf verdachten] verantwoordingen van door de gemeente Enschede toegekende Pgb's zijn gedaan bij het Zorgkantoor Menzis die niet juist waren. Op deze verantwoordingen zouden hogere bedragen aan verleende zorg zijn vermeld dan feitelijk was verricht. Ook zou het zijn voorgekomen dat verantwoorde huishoudelijke zorg in zijn geheel niet heeft plaats gevonden. Daarom doe ik namens de gemeente Enschede aangifte van valsheid in geschrift of medeplichtigheid daaraan (leveren van valse facturen) gepleegd door [verdachte] en/of [medeverdachte 2] door middel van de onderneming [bedrijf verdachten], gevestigd [adres 3] te Enschede. Indien [medeverdachte 1], [verdachte] en/of [medeverdachte 2] op de verantwoordingsformulieren en de bij de intensieve controle verstrekte declaraties namelijk de juiste gegevens hadden vermeld dan hadden de bedragen, die wij hebben vastgesteld op de eindafrekening aanzienlijk lager uitgevallen, aangezien betaalde voorschotten die niet aan zorg worden verleend terugbetaald dienen te worden.

De gemeente Enschede stelt daarom [medeverdachte 1], [verdachte] en/of [medeverdachte 2] aansprakelijk voor teveel uitbetaalde Pgb-gelden aan budgethouders Pgb-Wmo voor huishoudelijke hulp, waarvoor zij geen dan wel minder zorg hebben uitgevoerd dan verantwoord werd. De teveel uitbetaalde voorschotten werden waarschijnlijk uitbetaald op de rekening van de budgethouders en dienen aan de gemeente Enschede te worden terug betaald.

3.

Een proces-verbaal van verhoor van 16 februari 2011 (pag. 2229 t/m 2228 van het dossier), voor zover inhoudende de verklaring van de aangever [aangever 2], zakelijk weergegeven:

Ik ben als teammanager werkzaam bij de afdeling Publiekszaken van de gemeente Almelo en als zodanig doe ik namens de directie van deze organisatie aangifte. Eén van de teams binnen de afdeling Publiekszaken (het team Wmo) is verantwoordelijk voor het toekennen en verstrekken van Pgb's (Persoonsgebonden budget) voor o.a. hulp bij het huishouden. Deze vorm van Pgb valt vanaf 1 januari 2007 onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeente Almelo draagt zelf zorg voor het gehele traject bij de toekenning van een Pgb, zoals indicering, bevoorschotting en controle van Pgb-gelden. Jaarlijks vindt er een aselecte kleine steekproef plaats onder alle budgethouders van een Pgb. De gemeente Almelo vordert ook de eventuele ten onrechte verstrekte Pgb-gelden terug.

Bij een steekproef wordt onder andere gevraagd naar de uitvoering van het Pgb, wie de zorgverlener is, hoeveel uren er besteed zijn, welke zorgovereenkomsten er zijn, waarbij ook facturen of declaraties van de zorgverlener en/of bankafschriften werden bekeken.

De betaling van het Pgb wordt door de gemeente Almelo zelf uitgevoerd.

Door de Sociale Recherche Twente en de SIOD Arnhem ben ik geïnformeerd over het feit dat zij onderzoek hebben gedaan naar mogelijk gepleegde Pgb-fraude door [bedrijf verdachten] in de gemeente Almelo. De thuiszorginstelling voornoemd wordt feitelijk gedreven door [verdachte] en/of [medeverdachte 2]. De zoon van hen is officieel eigenaar van [bedrijf verdachten].

In het kader van dit onderzoek heeft de afdeling Wmo van de gemeente Almelo de afgelopen maanden diverse malen contract gehad met de SRT en de SIOD Arnhem. Op vertoon van een vordering van de officier van justitie zijn diverse stukken met betrekking tot cliënten van deze thuiszorginstelling beschikbaar gesteld. De afdeling Wmo heeft in het verleden een aantal signalen binnen gekregen van mogelijke misstanden bij enkele organisaties die Pgb-houders ondersteunen, waaronder signalen over [bedrijf verdachten]. Gehoord de door ons ontvangen signalen en de uitkomsten van het onderzoek van de SRT en SIOD Arnhem doe ik namens de gemeente Almelo aangifte van valsheid in geschrift of medeplichtigheid daaraan (leveren van valse facturen) gepleegd door [verdachte] en/of [medeverdachte 2] door middel van de onderneming [bedrijf verdachten], gevestigd [adres 3] te Enschede met een vestiging in Almelo aan de [adres 4]. Van de SRT en de SIOD Arnhem vernam ik, dat in de periode van 01/01/2008 tot en met 01/04/2010, door of namens hun (onderneming) geen of minder zorg is verleend aan budgethouders Wmo Pgb-gelden van de gemeente Almelo.

Wij stellen [verdachte] en [medeverdachte 2] aansprakelijk voor de teveel uitbetaalde Pgb-gelden aan budgethouders Pgb-Wmo voor huishoudelijke hulp, waarvoor zij geen of althans minder zorg hebben uitgevoerd dan door de gemeente Almelo geïndiceerd werd. Op grond van het verstrekken van onjuiste of valse facturen doe ik namens de gemeente Almelo aangifte van valsheid in geschrift of medeplichtigheid daaraan. Uitbetaling van Pgb-gelden vond voor 01-01-2009 plaats op de bankrekening van [bedrijf verdachten]. Na deze datum vond de uitbetaling plaats op de bankrekening van de budgethouder. De teveel uitbetaalde Pgb-gelden dienen aan de gemeente Almelo te worden terug betaald.

4.

Een geschrift zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ (pag. 143 en 144 van het dossier) inhoudende dat door of namens budgethouder [cliënt 1] over de periode 01-01-2009 tot en met 30-06-2009 voor een bedrag van EUR 11.536,75 was betaald aan [bedrijf verdachten] en waarop als vorm van hulp staat vermeld: persoonlijke verzorging, begeleiding in uren en begeleiding in dagdelen.

5.

Een geschrift zijnde een indicatiebesluit d.d. 15 oktober 2008 (pag. 125 t/m 128 van het dossier) waarin is besloten dat [cliënt 1] in de periode van 19 september 2008 tot 19 september 2013 recht heeft op: ondersteunende begeleiding dagprogramma gedurende vier dagdelen per week, persoonlijke verzorging gedurende 4 tot 6.9 uur per week en ondersteunende begeleiding algemeen gedurende 2 tot 3.9 uur per week.

6.

Een geschrift zijnde een toekenningsbeslissing persoonsgebonden budget voor de periode

1 januari 2009 tot 31 december 2009 (pag. 129 t/m 131 van het dossier) ten name van

[cliënt 1].

7.

Een geschrift zijnde een overzicht van aan [cliënt 1] verleende zorg (blz. 188 t/m 208).

8.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [cliënt 1], d.d. 27 oktober 2010 (pag. 242 t/m 244 van het dossier), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Vraag: Volgens de toekenningsbeschikking had u in de periode

vanaf week 38 in 2008 tot heden Persoonlijke verzorging (AWBZ) van 4 uur tot 6,9 uur per week; vanaf week 38 in 2008 tot heden Ondersteunende begeleiding met vervoer (AWBZ) gedurende 16 uur per week; vanaf week 38 in 2008 tot heden Ondersteunende begeleiding voor 2 tot 3,9 uur per week.

Wat is hierop uw reactie?

Antwoord:

Zoveel uren krijg ik absoluut niet. Maximum 27 uur krijg ik nooit. Hooguit 10 uur per week als ik ook nog uitga of weggebracht wordt.

Vraag: In de digitale administratie zijn stukken gevonden, welke lijken op verantwoordingstaten. Deze staten laten we aan u zien. Wat heeft u hierover te zeggen?

Antwoord:

U zegt dat uit deze stukken blijkt dat ik nagenoeg iedere dag wel uren zorg krijg van [bedrijf verdachten]. Dat klopt niet. Ik heb niet elke dag zorg gehad. Ik zie zelfs dat de kapster een aantal dagen achter elkaar is gekomen. Dit klopt niet. De naam [betrokkene 1] is van mijn kapster. Zij doet niets anders. Dus de aantallen uren kloppen niet.

[medeverdachte 2] heeft mij gevraagd indien wij facturen hadden wij deze aan hem wilden geven. Op deze factuur mocht dan geen naam staan. Waarom weet ik niet.

9.

Een geschrift zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ (pag. 272 en 273 van het dossier) inhoudende dat door of namens budgethouder [cliënt 2] over de periode van 11-08-2008 tot en met 31-12-2008 voor een bedrag van EUR 3.417,34 was betaald aan [bedrijf verdachten] en waarop als vorm van hulp staat vermeld: persoonlijke verzorging, begeleiding in uren.

10.

Een geschrift zijnde een toekenningsbeslissing persoonsgebonden budget voor de periode 11 augustus 2008 tot 31 december 2008 (pag. 264 t/m 267 van het dossier) ten name van [cliënt 2].

11.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [cliënt 2], d.d. 20 oktober 2010, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Als u zegt dat ik pas vanaf 11 augustus 2008 recht had op zorg volgens het zorgkantoor, dan zal dat wel kloppen.

Ik had toen recht op persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding zegt u. Ik weet dat niet precies, maar als u dat zegt zal dat wel kloppen. U vraagt wat ik nu precies aan zorg en hulp heb gekregen. Ik heb huishoudelijke hulp gehad, die 2 keer 2 à 3 uur per week het huis schoonmaakte en eten kookte. Maandag- en donderdagmiddag was dat. En éénmaal per week kwam er iemand die mij hielp met de post en administratie. Dit was maar 1 uur. Dit duurde maar ongeveer 3 maanden. De huishoudelijke hulp duurde maar zo'n 6 weken. De naam van de persoon die de post nakeek en mij daarbij hielp was [betrokkene 2]. Verdere personalia van haar ken ik niet. De naam van diegene die het huis schoonmaakte was [betrokkene 3]. Ook van haar weet ik verder geen personalia.

U vraagt mij naar de start van de hulp. Ze zijn begonnen met huishoudelijke hulp in juni of juli 2008. Officieel had ik nog geen recht, maar ze begonnen al gelijk.

[bedrijf verdachten] heeft me ook nog een aantal keren geholpen met ziekenhuisbezoeken. Ook hebben ze me geholpen met het zoeken van een nieuwe woning. Ik kan u zeggen dat [bedrijf verdachten] na december niet meer structureel kwam. Ze kwamen pas als ik hen belde. Dan hielpen ze mij om naar afspraken te gaan. Dat waren maar 2 à 3 afspraken. In tijd is dit vertaald in ongeveer 5 uur.

U vertelt mij dat ik van 14-08-2008 tot 21-09-2008 recht had op 7 tot 9,9 uur en van 14-08- 2008 tot 15-08-2009 recht had op 2 tot 3,9 uur ondersteunende begeleiding.

Ik kan u zeggen dat ik niets van dat alles heb gekregen. Ik heb zes weken huishoudelijke hulp gehad en een aantal keren hebben ze mij geholpen bij een afspraak. Dit heb ik ook al verteld. Ze hebben me maar een klein beetje geholpen in 2008.

12.

Een geschrift zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ (pag. 823 van het dossier) inhoudende dat door of namens budgethouder [cliënt 3] over de periode 01-01-2009 tot en met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 7.011,18 was betaald aan [bedrijf verdachten] en waarop als vorm van hulp staat vermeld: “persoonlijke verzorging”.

13.

Een geschrift zijnde een indicatiebesluit d.d. 16 september 2008 (pag. 792 van het dossier) waarin is besloten dat [cliënt 3] in de periode van 16 september 2008 tot 15 september 2009 recht heeft op: persoonlijke verzorging gedurende 3 tot 6.9 uur per week.

14.

Een geschrift zijnde een indicatiebesluit d.d. 26 oktober 2009 (pag. 795 van het dossier) waarin is besloten dat [cliënt 3] in de periode van 26 oktober 2009 tot 26 oktober 2010 recht heeft op: persoonlijke verzorging gedurende 4 tot 6.9 uur per week.

15.

Een geschrift zijnde een toekenningsbeslissing persoonsgebonden budget (pag. 802 t/m 805 van het dossier) voor de periode 1 januari 2009 tot 15 september 2009 ten name van [cliënt 3].

16.

Een geschrift zijnde een toekenningsbeslissing persoonsgebonden budget (pag. 806 t/m 809 van het dossier) voor de periode 26 oktober 2009 tot 31 december 2009 ten name van [cliënt 3].

17.

Een geschrift zijnde een indicatiebesluit d.d. 16 september 2008 waarin is besloten dat [cliënt 3] in de periode van 16 september 2008 tot 15 september 2009 recht heeft op: persoonlijke verzorging gedurende 4 tot 6.9 uur per week;

18.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [cliënt 3], d.d. 24 januari 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Vraag: Bent u in de periode vanaf 16-09-2008 tot en met 31-12 2009 op vakantie geweest? Zo ja, hoelang en wat kunt u vertellen over de zorgverlening door [bedrijf verdachten] in deze periode?

Antwoord:

In ben in 2008 en 2009 en 2010 gemiddeld 3 maanden op vakantie geweest in deze periode. In 2009 ben ik 5 maanden in Turkije geweest. In Turkije heb ik geen zorg gehad.

19.

Een geschrift, zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ (pag. 1143 en 1144 van het dossier), inhoudende dat door of namens budgethouder [cliënt 4] over de periode 01-01-2009 tot en met 30-06-2009 voor een bedrag van EUR 4.807,53 was betaald aan [bedrijf verdachten] en dat verleende zorg heeft bestaan uit persoonlijke verzorging en begeleiding in uren.

20.

Het proces-verbaal d.d. 30 maart 2011 van [verbalisant 1], zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisant (blz. 1080 van het dossier):

Wordt de verklaring van de moeder van cliënt [cliënt 4] omgezet naar het aantal uren per week dan zou er in 2008 totaal 7,5 uur per week zorg zijn verleend. Deze uren zijn als volgt berekend:

Elke dag 1/2 uur per dag persoonlijke verzorging is per week 7 x 1/2 uur = 3,5 uur

Twee keer per week 3 uur huishoudelijke hulp voor beide kinderen is per week 1x 3 uur = 3 uur ondersteunende begeleiding 1 uur per week = 1 uur.

In 2009 is er tot week 30 in totaal 7,5 uur per week zorg verleend.

21.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1], d.d. 27 oktober 2010 (pag. 940 van het dossier), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Mijn zoon is geestelijk gehandicapt.

[cliënt 4] heeft meer zorg nodig dan [cliënt 7]. [cliënt 4] krijgt dagelijks 7 dagen per week persoonlijke verzorging door [medeverdachte 1] de zoon van [verdachte]. Dit was tot juli 2009 ongeveer een half uur per dag. Daarnaast krijgt [cliënt 4] ondersteunende begeleiding. [cliënt 4] gaat dagelijks nog naar school. Dat is de dr. Hedderscheschool afdeling "Brug". Hij gaat van maandag tot vrijdag van 07.30 uur tot 15.30 uur naar school. Dat is inclusief de reistijd. In de schoolvakanties is hij thuis en dan vraag ik hulp bij [bedrijf verdachten]. De tijd die hij doorbrengt op school valt niet onder ondersteunende begeleiding vanuit het PGB. Tijdens een vakantie ga ik wel eens met [cliënt 4] op vakantie. Ik ben met hem naar Hilvarenbeek geweest. Zodra het geld van hun PGB op mijn rekening komt maak ik dit in termijnen over aan [bedrijf verdachten]. Ik maak wel het hele PGB van mijn kinderen over aan [bedrijf verdachten]. Ik houd er zelf niets aan over.

22.

Een geschrift zijnde een indicatiebesluit d.d. 26 oktober 2009 waarin is besloten dat [cliënt 7] in de periode van 23 oktober 2008 tot 22 oktober 2011 recht heeft op: persoonlijke verzorging gedurende 0 tot 6.9 uur per week, ondersteunende begeleiding 2 tot 3.9 uur per week, ondersteunende begeleiding dagprogramma 9 dagdelen per week en verblijf tijdelijk

1. etmaal per week.

23.

Een geschrift, zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ (pag. 1270 t/m 1271 van het dossier), inhoudende dat door of namens budgethouder [cliënt 5] over de periode

1-07-2009 tot en met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 5.093, 90 was betaald aan [bedrijf verdachten] dat verleende zorg heeft bestaan uit begeleiding in uren.

24.

Een geschrift zijnde een toekenningsbeslissing persoonsgebonden budget voor de periode 1 januari 2009 tot 31 december 2009 (pag. 1250 van het dossier) ten name van [cliënt 5].

25.

Het proces-verbaal verhoor van de getuige [cliënt 5], d.d. 21 oktober 2010 (pag. 1291 en 1292 van het dossier), zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik ben in contact gekomen met [bedrijf verdachten] via een oude Turkse mevrouw die woont op de [straat] hier in Enschede. Deze mevrouw was al cliënt bij [bedrijf verdachten] en vertelde dat [bedrijf verdachten] een prima instelling was. Zo ben ik in contact gekomen [medeverdachte 2] en [verdachte]. Zij zijn bij mij thuis gekomen en zij hebben mij toen gezegd dat [bedrijf verdachten] kon zorgen voor alle hulp die ik nodig had, zoals het halen en brengen naar afspraken. Tijdens deze afspraak heb ik een zorgovereenkomst getekend. U laat mij nu een zorgovereenkomst zien met code Z-9-3-3. Dat is de zorgovereenkomst die ik bedoel. Ik weet niet of ik toen nog meer papieren heb ondertekend, want ik was toen zwaar onder de invloed van medicijnen in verband met mijn psychische gesteldheid. Ik was toen niet helemaal helder.

Kort nadat ik was overgestapt naar [bedrijf verdachten], is [verdachte] met mij meegegaan naar de bank om een bankrekening te openen om de PGB-gelden op te kunnen ontvangen. Dit betreft bankrekening [bankrekening]. Toen ik in 2009 op vakantie ging, heb ik mijn bankpasje en bijbehorende pincode afgegeven aan [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] had mij verteld dat ze dat nodig hadden om de betalingen gedurende mijn vakantie te kunnen regelen. Dit pasje heb ik na mijn vakantie weer teruggevraagd en gekregen.

[bedrijf verdachten] heeft mij uit eigen beweging geen facturen gestuurd voor de verleende zorg, daar heb ik zelf om moeten vragen. Voordat ik de facturen van [bedrijf verdachten] ontving, kreeg ik eerst mondeling het verzoek van [verdachte] of [medeverdachte 2] om de binnengekomen PGB-bedragen/budgetten alvast over te maken naar [bedrijf verdachten]. Ik beschouwde deze PGB gelden niet als mijn eigen geld, maar als geld bestemd voor [bedrijf verdachten] en dus maakte ik dat over. Dan ging ik met [medeverdachte 2] of [verdachte] naar de bank en dan maakte ik in hun bijzijn de bedragen over aan [bedrijf verdachten] vanaf mijn bankrekening. De facturen ontving ik dan pas later. Het ging zo dat wij aan de bankmedewerker vroegen wat het saldo was op mijn rekening en dat bedrag boekten wij dan in zijn geheel over. Ik denk ongeveer 3.000 euro per kwartaal.

26.

Een geschrift zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ (pag. 1590 van het dossier) inhoudende dat door, of namens budgethouder [cliënt 6] over de periode 29-06-2009 tot en met 31-12-2009 voor een bedrag van EUR 11.589,86 was betaald aan [bedrijf verdachten] met daarop vermeld als verleende zorg: persoonlijke verzorging, begeleiding in dagdelen, vervoer en bemiddeling.

27.

Een geschrift zijnde een toekenningsbeslissing persoonsgebonden budget voor de periode

29 juni 2009 tot 31 december 2009 (pag. 1582 van het dossier) ten name van [cliënt 6].

28.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [cliënt 6] d.d. 22 november 2010, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Van [bedrijf verdachten] kwam iemand voor huishoudelijk werk. Zij kwamen voor zes tot zeven uur per week. Dat werd door mijn dochter [betrokkene 4] gedaan. Mevrouw verklaart dat zij ook werd opgehaald voor een een uitje, dat was één keer per maand. Wij werden samen ook wel opgehaald voor een uitje naar Utrecht of naar het park. Als wij aangaven dat wij ergens naar toe wilden dan werden wij ook opgehaald. Dat is de hulp die wij krijgen.

opmerking verbalisanten:

Wij tonen de getuige een (kopie-) verantwoordingsformulier, code Z-12-4.2 op naam gesteld van getuige [cliënt 6] over de periode 29-06-2009 t/m 31-12-2009 gedateerd 07-01-2010

Vraag: Door wie is dit verantwoordingsformulier opgemaakt en ondertekend?

Antwoord: Z-12-4.2 Ik herken mijn handtekening. De rest heb ik niet ingevuld Mevrouw [verdachte] kwam vaak met papieren die ik moest ondertekenen.

Vraag: Bent u in de periode vanaf 01 maart 2008 tot en met 31 december 2009 op vakantie geweest? Antwoord:

Wij zijn in 2008 twee en een halve maand op vakantie geweest. In 2009 zijn wij drie maanden op vakantie geweest en in 2010 zijn wij vier maanden op vakantie geweest. Wij gaan meestal eind mei of juni naar Turkije. Wij hebben een huisje in Turkije. Er is voor de zorginkoop in Turkije geld gestort op onze bankrekening. Dat was € 835,00. In Turkije werden wij geholpen door een nichtje.

29.

Het door de rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal d.d. 13 maart 2013, van verhoor van de getuige [getuige 2], zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

U vraagt mij wie de administratie deed. De verantwoordingsformulieren werden gedeeltelijk ingevuld door mij. Ik vulde alle gegevens van de cliënten in met uitzondering van de bedragen. Die werden door mevrouw [verdachte] ingevuld. Zij vulde dan de bedragen in en controleerde de formulieren. Zij zette ook haar handtekening.

De mensen kregen niet altijd de zorg waar zij recht op hadden. Ik kreeg klachten van mensen. Ik zag ook op de indicatiebeschikking van het zorgkantoor dat mensen recht hadden op meer uren dan de uren die zij daadwerkelijk kregen.

30.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3], d.d. 25 november 2010 (pag. 2563 van het dossier), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Het was erg chaotisch en niemand wist precies wat er moest gebeuren. Er werden dingen dubbel gedaan en wij werkten ook wel eens langs elkaar heen. U vraagt mij naar de zorgplanning en wie die opmaakte. Ik weet niet wie, maar ik vermoed [medeverdachte 2] en [verdachte]. Er was geen vaste planningslijst waarop stond: wie, wat precies moest doen bij de cliënten. Ik hoefde mijn gewerkte uren niet bij te houden. Vaak wist [verdachte] niet eens dat ik moest werken. Als ik binnen kwam zei zij:" Ik wist niet dat jij moest werken."

De mensen die de zorg verleenden. Zij wisten het niet. [medeverdachte 2] en [verdachte] zeiden tegen hen waar ze naartoe moesten. Er was geen vaste planning. Er was geen rooster.

31.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4], d.d. 2 december 2010 (pag. 2572 t/m 2574 van het dossier), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik ben begonnen met werken bij [bedrijf verdachten] op

1 september 2009. Ik heb het sollicitatiegesprek gehad met [verdachte].

Ik zag dat op mijn arbeidscontract verpleegkundige stond vermeld. Ik heb aangegeven dat ik geen verpleegkundige ben. Meneer [medeverdachte 2], ik noem hem ook wel [medeverdachte 2], gaf aan dat dit op het contract moest blijven staan.

Vraag: Wie had de dagelijkse leiding binnen [bedrijf verdachten]?

Antwoord: Allebei. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 2]. Ik regel mijn zaken met mevrouw [verdachte] omdat dat beter klikt. [medeverdachte 2] houdt zich volgens mij bezig met cliënten.

Vraag: Wat deed [medeverdachte 2] binnen de onderneming?

Antwoord: Hij houdt contact met cliënten. Oudere mannen vinden het prettig om met hem te praten. Hij is er als er activiteiten zijn. Hij loopt rond en houdt alles in de gaten.

U toont mij een document door u gecodeerd D-16-05 bestaande uit 36 bladzijden. Het betreft hier een "rapportage verpleging" over de periode 29-06-2009 t/m 14-03-2010. U toont mij een aantal lijsten waar de naam [cliënt 8] op staat vermeld. Ik heb deze lijsten nooit opgemaakt. Het is niet mijn handschrift en de naam van de cliënt ken ik ook niet. Ik weet niet wie deze lijsten heeft opgemaakt. Ik wordt daar wel boos over omdat mijn naam erop staat vermeld. U toont mij een rapportage van dezelfde mevrouw genaamd [cliënt 6] door u gecodeerd D-16-06. Deze heb ik ook nooit gezien.

U vraagt mij of ik Pgb-verantwoordingsformulieren invul voor mijn vrouw.

Ik betaal [bedrijf verdachten] altijd het volledige bedrag wat ik gestort krijg voor het Pgb. Het bedrag maak ik met telebankieren helemaal over naar [bedrijf verdachten]. Ik ga er vanuit dat [verdachte] alles keurig verantwoord.

Ik doe hetzelfde ook voor mijn vader en mijn moeder. Het hele bedrag maak ik voor hen over naar [verdachte]. Mijn vrouw krijgt op jaarbasis ongeveer € 17.000, mijn vader € 21.000,-- en mijn moeder krijgt € 8000,--. Al dit geld maak ik over naar [verdachte].

U vraagt mij wie er zorg verleend aan hen. Ik doe dat allemaal alleen. Niemand anders van [bedrijf verdachten] verleent er zorg aan hen. Ik moet eerlijk zijn. Ik weet dat [verdachte] een hoop geld aan ons verdiend.

32.

Een proces-verbaal van verhoor (pag. 2565 t/m 2570 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van de getuige [getuige 5], zakelijk weergegeven:

Ik ben begonnen met werken voor Zorginstelling [medeverdachte 1] rond september 2008. Ik had een sollicitatiegesprek met [medeverdachte 2]. Wij noemden hem ook wel [medeverdachte 2].

Wij hadden toen wij begonnen ongeveer 20 cliënten en toen ik weg ging op 1 februari 2009 waren er ongeveer 40 cliënten. Precies weet ik het niet meer. Ik ben begonnen met het opzetten van zorgdossiers en het opzetten van een sociaal netwerk. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben mij hiertoe de opdracht gegeven.

Ik ben aangenomen door [medeverdachte 2]. Ik had het gesprek met [medeverdachte 2], [verdachte], [betrokkene 5], [betrokkene 6] en mijn vader. Ik heb het loon ook besproken met [medeverdachte 2]. Hij heeft nog naar de boekhouder gebeld om de hoogte van het loon vast te stellen.

[medeverdachte 2] had de dagelijkse leiding binnen de onderneming Hij zei: "Ik wil dat dit en dat gebeurd". Hij zette de lijnen uit. [verdachte] voerde het meer uit. [verdachte] is wat op de achtergrond. Zij vulde de indicaties in. Zij gingen samen langs cliënten. [verdachte] en [medeverdachte 2] gingen langs om hen in te schrijven.

Mevrouw [getuige 1] heeft heeft drie zonen en een dochter. Twee zonen zijn verstandelijk gehandicapt en zij krijgt hiervoor een PGB. Deze zonen werden ingezet door [medeverdachte 2] voor schilderen en schoonmaken en kleine karweitjes bij het kantoor aan de [adres 4].

[medeverdachte 2] bepaalde wat er gebeurde. Ik kan u een voorbeeld geven. Er werd voor 500 euro aan kosten gemaakt voor [cliënt 9]. Ik moest dit verantwoorden in het kasboek. Ik moest verschillende posten opvoeren zoals reiskosten, onkostenvergoeding, parkeergeld etc. Ik deed dit niet. Ik zei tegen hem als jij de boel wil oplichten dan doe je dit zelf maar. [medeverdachte 2] vond dat ik hem niet serieus nam. Het hele verhaal met de PGB-gelden is oplichterij. Ik heb een melding geschreven naar de gemeente Almelo samen met mevrouw [betrokkene 7]. In overhandig u een kopie van deze melding. In deze melding geven wij aan welke misstanden er zijn binnen de onderneming van [medeverdachte 2].

Vraag: Wie was er verantwoordelijk voor de financiële administratie?

Antwoord: Dat deden [medeverdachte 2] en [verdachte]. [medeverdachte 2] hield de touwtjes strak in handen. Wij wisten nooit wat er financieel gezien precies aan geld binnen kwam en wat er uitging.

De mensen die de zorg verleenden ? [medeverdachte 2] en [verdachte] zeiden tegen hen waar ze naartoe moesten. Er was geen vaste planning. Er was geen rooster.

Ik heb zelf de volmachten ontworpen. Bij iedere cliënt werd deze volmacht ondertekend. Dit werd gedaan door [verdachte] en [medeverdachte 2]. Er zijn later bankrekeningen aangevraagd voor cliënten. Op deze rekeningen werden de PGB-gelden gestort. De pasjes waren in het bezit van [medeverdachte 2]. Ik heb gezien dat hij een stapel bankpasje in zijn zak had zitten. Ik heb een keer gezien dat [medeverdachte 2] geld heeft opgenomen met een ING-pas bij de ABN Amro. Het betrof hier geld van een cliënt. Ik heb gehoord dat er een telefoongesprek geweest tussen [medeverdachte 2] en een cliënt. Ik heb dit gehoord van die cliënt [cliënt 10]. In dit gesprek vroeg [medeverdachte 2] of zij, mevrouw [cliënt 10], de rekening had laten blokkeren omdat [medeverdachte 2] geen geld van de rekening kon opnemen. Het pasje is toen ingeslikt. Dit is ook gebeurd bij de heer [cliënt 11].

Vraag: Hoe werden de zorguren in rekening gebracht bij cliënten?

Antwoord: De uren werden niet bijgehouden en doordat de uren niet werden bijgehouden, konden de facturen nooit juist worden opgemaakt. [medeverdachte 2] kwam bij mij en zei dat er facturen moesten worden opgemaakt. Ik heb via internet een factuur opgezocht. Ik heb de lay-out gemaakt. Ik heb de lay-out van een bouwbedrijf genomen.

Door [verdachte] werd de beschikking erbij gepakt en er werd gekeken naar welke zorg de cliënt recht op had en ook het bedrag wat er bij stond. Dit bedrag werd 1 op 1 overgenomen van de beschikking. Ik heb ook wel eens een factuur opgemaakt. Achteraf gezien besef ik mij dat de facturen vals zijn opgemaakt en gebruikt. Ik deed dit altijd in opdracht van [medeverdachte 2] en [verdachte]. Waar deze facturen naar toe zijn gestuurd weet ik niet. [medeverdachte 2] en [verdachte] hadden het geld al binnen van de cliënt want het geld namen zij op met het pasje van de cliënt. Ik vermoed dat zij de facturen bewaarden voor de verantwoordigingsformulieren.

33.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3], d.d. 25 november 2010 (pag. 2562 t/m 2564), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik heb een soort informeel sollicitatiegesprek gehad toen ik begon bij Zorginstelling [medeverdachte 1]. Ik had een gesprek met [medeverdachte 2].

Tijdens het sollicitatiegesprek vroeg [medeverdachte 2] wat mijn ouders deden. Ik gaf aan dat mijn moeder hoofd was van een Turkse vereniging Milli Gorus. Toen [medeverdachte 2] dat hoorde zei hij:

" Dan ben je aangenomen". Ik kreeg de indruk dat hij mij nodig had om klanten te werven binnen die onderneming. Ik ben aangenomen op 12 september 2009 en ben gestopt met werken ergens rond januari 2009 (n.b: de rechtbank leest 2010).

Ik heb met [verdachte] afspraken over het loon gemaakt. Ik heb het contract getekend met [medeverdachte 2]. Mijn werkzaamheden bestonden uit het werven van klanten. Ik droeg de namen en cliënten aan nadat ik gebeld had en [medeverdachte 2] en [verdachte] deden de rest. Ik was een soort zorgconsulent. Ik had een contract van 16 uur per week maar werkte veel meer uren. Deze uren heb ik nooit betaald gekregen. [medeverdachte 2] zei dat dit normaal was. Ik maakte gemiddeld 10 overuren per week en kreeg hier niets voor betaald. Het is zelfs een keer voorgekomen dat [medeverdachte 2] een vergadering had geregeld op mijn verjaardag bij mij thuis.

[medeverdachte 2] had de leiding. Hij bepaalde wat er gebeurde. Hij gaf opdrachten. Hij zei bijvoorbeeld: “zijn de zorgcontracten als verstuurd, of is dit of dat al gebeurd”. [medeverdachte 2] had ook contact met mensen die Turks spraken omdat [medeverdachte 2] geen Nederlands spreekt. [verdachte] deed veel bellen en dingen regelen voor het bedrijf.

Ik heb [medeverdachte 1] wel eens gevraagd waarom de zorginstelling “[medeverdachte 1]” heet. Hij zei toen: “Dat wil mijn vader zo.”.

De financiële administratie werd gedaan door [verdachte] en [medeverdachte 2].

Ik weet dat, toen ik er werkte, cliënten [bedrijf verdachten] machtigden om PGB-geld van hun bankrekening af te mogen halen. Ik weet dat [medeverdachte 2] pasjes van cliënten bij zich had. Hij heeft mij wel eens gevraagd of ik een pasje had gevonden dat hij kwijt was. [medeverdachte 2] zei dat dit PGB-pasjes waren. Kennelijk bedoelde hij hiermee PGB-geld dat op de rekening werd gestort. [medeverdachte 2] had veel pasjes van verschillende bankrekeningen bij zich. Ik heb meegemaakt dat cliënten weigerden hun bankpas af te geven. [medeverdachte 2] ging dan samen met hen het PGB-geld pinnen. Mensen gaven hem de bankpas omdat ze hem vertrouwden.

Ik heb een cliënt gehad die huishoudelijk hulp vroeg en later zag ik dat [medeverdachte 2] voor hem geregeld dat hij meerdere voorzieningen had aangevraagd ingevolge de ABWZ, zoals dagbesteding of ondersteunende begeleiding of verpleging. Hier had hij niet om gevraagd.

De mensen die de zorg verleenden ? [medeverdachte 2] en [verdachte] zeiden tegen hen waar ze naartoe moesten. Er was geen vaste planning. Er was geen rooster.

Verder kan ik u verklaren dat er een schizofrene man was, die cliënt was van [bedrijf verdachten]. Deze man was genaamd genaamd: [cliënt 12]. Hij was de belangrijkste cliënt van [bedrijf verdachten]. Hij had een hoog PGB. Ik dacht iets van 30.000 euro in de 3 maanden. Deze cliënt werd aangebracht door een persoon die al als vrijwilliger dingen voor [cliënt 12] deed. [medeverdachte 2] heeft deze man in dienst genomen.

Ik heb bij verschillende vergaderingen gezeten. Ik heb er 4 vergaderingen meegemaakt. [getuige 5], [betrokkene 5], de vader [getuige 5], [betrokkene 7], [verdachte], [betrokkene 6], [betrokkene 8] zoon van [betrokkene 9]. Deze werden gehouden in de Schuppe. Dit was na werktijd. Dit was vanaf 17.00 uur en 20.00 uur. [medeverdachte 2] leidde de vergaderingen en vroeg of er bijzonderheden waren. [medeverdachte 2] wilde meer cliënten en er was absoluut niet voldoende personeel voor het aantal cliënten. Er waren te weinig werknemers. Ik hoorde hem nooit over de zorg praten.

34.

Een proces-verbaal dat de rechter-commissaris heeft doen opmaken, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2] van 13 maart 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik deed de administratie, maar ook de begeleiding van patiënten. Ik zat op het kantoor in

Enschede. Ik had een contract van 40 uur. Er werkten bij [bedrijf verdachten] Enschede geen mensen die verpleging verleenden, wel mensen die huishoudelijke hulp verrichten. In Enschede zaten wij met 4 man personeel. De meeste werkten voor de huishouding. U vraagt mij wie de administratie deed. De verantwoordingsformulieren werden gedeeltelijk ingevuld door mij. Ik vulde alle gegevens van de cliënten in met uitzondering van de bedragen. Die werden door mevrouw [verdachte] ingevuld. Dat deed zij altijd op de dag dat er in Almelo een dagbestedingactiviteit was. Zij was dan, net als ik, in Almelo. Zij vulde dan de bedragen in en controleerde de formulieren. Zij zette ook haar handtekening. Daarna maakte ik een kopie van het formulier voor de cliënten en één voor in het dossier. Wij hadden een dossier in het kantoor in Enschede en de cliënten hadden zelf ook een dossier thuis. Ik heb er zelf voor gezorgd dat de cliënten in Enschede een map kregen waarin zij hun dossier konden opbergen. Wij verleenden zorg in de vorm van dagbesteding, meegaan naar de huisarts of ziekenhuis en regelen van de post. De meeste cliënten konden geen Nederlands. Verder werd er ook huishoudelijke hulp verleend. De mensen kregen niet altijd de zorg waar zij recht op hadden. Ik kreeg klachten van mensen. Ik zag ook op de indicatiebeschikking van het zorgkantoor dat mensen recht hadden op meer uren dan de uren die zij daadwerkelijk kregen. Als ik de klachten aan mevrouw [verdachte] door gaf gingen [verdachte en medeverdachte 2] praten met de klant. Daarna waren er dan geen klachten meer. Ik heb vaker gezien dat de klant dan geld kreeg van mevrouw [verdachte]. Het bedrag was iedere keer anders. Het gaat om een paar honderd euro. Ik heb dat heel vaak gezien. Ik weet niet precies hoe vaak. Ik heb gezien dat mevrouw [cliënt 13] geld kreeg en [cliënt 14]. U vraagt mij of het geldbedrag dat zij kregen het vrij besteedbare bedrag was. Nee, dat was niet zo. Cliënten wisten vaak niet eens dat zij recht hadden op dat bedrag. Aan sommige cliënten heb ik dat verteld. Bij [bedrijf verdachten] waren ze niet zo blij dat ik dat vertelde. Ik heb wel eens gehoord dat er ook cliënten van [bedrijf verdachten] waren die zelf hun verantwoordingsformulieren invulden. Ik weet niet wie dat waren. De verantwoordingsformulieren werden dus getekend door mevrouw [bedrijf verdachten] en niet vooraf nog besproken met de cliënten. Die kregen alleen een kopie. Er waren wel eens kinderen op kantoor op de dagen dat er dagbesteding was, maar ook door de week waren ze er wel eens. Zij hadden ook recht op dagbesteding. Zij liepen daar een beetje rond en zetten koffie voor de mensen. Verder kregen ze geen activiteiten. Ik ben op enig moment overgeplaatst naar het kantoor in Almelo. Daar werkte ook een vrijwilliger [betrokkene 10]. [betrokkene 10] zette wel eens een handtekening op formulieren, maar niet op verantwoordingsformulieren. [verdachte] zette haar eigen handtekening op het verantwoordingsformulier. [betrokkene 10] hield het papier dat hij tekende tegen de ruit en trok dan de handtekening van de cliënt over. Het gaat om papieren die naar de gemeente gingen; aanvragen voor een PGB. De dagbesteding vond meestal plaats op het kantoor in Almelo en later in een speeltuintje in de buurt. De dagbesteding bestond uit zitten, kletsen, koffie drinken en eten. U vraagt mij of er ook uitjes waren. Die zijn er heel weinig geweest. Ze zijn één keer naar Beverwijk gegaan met de bus en één keer naar Duitsland. U vraagt mij waarom mensen accepteerden dat zij te weinig zorg kregen. Als ze klaagden kregen ze geld en dan waren ze weer tevreden.

U vraagt mij wie in Enschede de leiding had. Dat was ik. U vraagt mij wie het personeel aanstuurde. Ik stuurde het personeel aan, maar wel in overleg met [verdachte en medeverdachte 2]. Ik bepaalde niets zelf. Alles was in overleg. De verdeling van de taken leverde problemen op omdat er onvoldoende personeel was. De cliënten kregen onvoldoende begeleiding. Er kwamen dan klachten en er werd dan gepraat met mevrouw [verdachte]. Daarna waren de klachten over. Ik weet niet uit mijn hoofd hoeveel uren [cliënt 14] had. Ik denk dat zo'n 2 uur in de week niet aan [cliënt 14] kon worden geleverd. Ik heb in ieder geval 3 keer gezien dat [cliënt 14] geld kreeg van [verdachte en medeverdachte 2]. [verdachte en medeverdachte 2] waren daar allebei bij. Ze zeiden dan: "Hier heb je een paar honderd euro. Koop er maar wat van!". Ik weet dat omdat ik zelf bij was. Ik heb 2 keer gezien dat mevrouw [cliënt 13] geld kreeg. Ik weet niet exact wat zij kreeg, maar ik herinner mij wel dat ik een paar briefjes van 50 euro zag. Tegen mevrouw [cliënt 13] werd hetzelfde er bij gezegd als tegen [cliënt 14]. U vraagt mij wat ik onder dagbesteding versta. Daar versta ik onder dat je van tevoren een programma maakt. Je doet dan iets met mensen; schilderen of iets dergelijks. Of je gaat ergens heen. Ik heb een keer voor een aantal verstandelijk beperkte mensen een activiteit willen organiseren. Zij wilden graag gaan vissen. Ik had een heel programma gemaakt, maar het kwam niet van de grond. Ik kreeg daar geen geld voor van [bedrijf verdachten]. U vraagt mij naar de achternaam van [betrokkene 10]. Daar kan ik niet opkomen. [betrokkene 10] vervalste handtekeningen van cliënten. Ik heb wel tegen [betrokkene 10] gezegd dat hij dat niet kon maken om een handtekening te vervalsen. Hij zei: "Bij ons kan alles". Er waren meer collega's die het gezien hebben. Niemand deed er iets mee.

35.

Een proces-verbaal van verhoor (pag. 2585 t/m 2590 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van de getuige [getuige 6], zakelijk weergegeven:

Ik ben als parttimer in juli 2009 begonnen bij [bedrijf verdachten].

Op 19 oktober 2009 ben ik fulltime in dienst gekomen bij [bedrijf verdachten] als ondersteunend begeleider en administratief medewerker. Ik had een éénjarig contract gehad. Doordat ik vanaf juni 2010 ziek ben geworden is mijn contract op 19 oktober 2010 niet meer verlengd.

Vraag: Wie heeft u aangenomen en met wie heeft u afspraken gemaakt over het loon en andere arbeidsvoorwaarden?

Antwoord: Volgens mij heb ik alleen maar met [verdachte] de gesprekken gehad. [verdachte] heeft mij ook aangenomen. Tijdens de afspraken over het loon en de arbeidsvoorwaarden waren [verdachte] en haar man aanwezig

Vraag: Wat deed [medeverdachte 2] binnen de onderneming?

Antwoord: [medeverdachte 2] was wel elke dag op het kantoor aanwezig. Als er dagbesteding was, dan was [medeverdachte 2] ook aanwezig en sprak hij met de cliënten en las hij de Koran voor.

Vraag: Wie had de dagelijkse leiding binnen [bedrijf verdachten].

Antwoord: De dagelijkse leiding had [verdachte].

Vraag: Wie gaf aan u de opdrachten voor uw werkzaamheden binnen de [bedrijf verdachten] ?

Antwoord: Ik kreeg de opdrachten van [verdachte]. Verder gaf niemand mij opdrachten. Als ik problemen had met andere collega's dan werd dit besproken met [medeverdachte 2]. Dit was omdat [verdachte] het altijd druk had.

Vraag: Wat doet [verdachte] binnen de onderneming?

Antwoord: [verdachte] zat in principe op het kantoor. Alleen als er belangrijke afspraken waren ging zij daar heen. Op kantoor deed zij de aanvragen van de indicatie's bij het CIZ. Af en toe maakte ik de aanvraag klaar, maar [verdachte] was de enige die zaken deed met het CIZ. De facturen werden eerst gedaan door [verdachte]. Later toen [betrokkene 11] is gaan werken heeft hij dat overgenomen. De verantwoordingsformulieren werden ook door [verdachte] ingevuld en opgestuurd.

Vraag: Wie was er verantwoordelijk voor de financiële administratie?

Antwoord: De loonbetaling ging via de boekhouder. [verdachte] gaf de uren van de werknemers door aan de boekhouder. Ik heb wel een samen met [verdachte] de urenlijsten die de werknemers hadden ingeleverd in de computer gezet. Dat was in een document dat op het bureaublad stond. De uren werden één op één overgenomen van de lijsten die de werknemers inleverden. Ik weet niet zeker of dat alleen zorguren waren. Er kunnen ook andere uren zoals administratieve uren of vergaderuren tussen zitten.

Vraag: Wie was er verantwoordelijk voor de cliëntenadministratie?

Antwoord: De overeenkomsten en machtigingen werden door [verdachte] verzorgd. Af en toe kwamen cliënten met bankafschriften en ik kopieerde die dan en deed deze in het dossier. Waarom dat moest weet ik niet. Ik ging af en toe met een cliënt mee om een nieuwe rekening te openen.

Vraag: Wie was er verantwoordelijk voor de loon/salarisadministratie?

Antwoord: De uren werden door [verdachte] doorgegeven aan de boekhouder. Deze zorgde voor de loonstroken. Het loon werd betaald via de bank. De onkostenvergoeding werd ook via de bank betaald.

Vraag: Wie deed de loonadministratie?

Antwoord: Zoals ik al eerder verklaarde deed [verdachte] dat.

Vraag: Wie hield de kasadministratie bij?

Antwoord: Het kasboek bestond uit de bonnetjes die wij op een A4 plakten. Die bonnetjes gingen in een bakje bij [verdachte]. Daarna kwam dat bakje bij mij en moest ik de bonnetjes opplakken. Ik weet niet of [verdachte] die bonnetjes controleerde. Ik heb niet gezien of cliënten contant geld kwamen brengen op kantoor.

Vraag: Hoe werd dit bijgehouden?

Antwoord: In het begin werd dat niet bijgehouden. Een maand nadat ik fulltime ben gaan werken moest ik van [verdachte] de uren die ik aan zorg verleende bijhouden op lijsten die in de computer zaten. Ik moest van [verdachte] aan de hand van de indicatie de lijsten opmaken. Bijvoorbeeld als iemand vijf uur persoonlijke verzorging had dan moest ik daar elke dag één uur persoonlijke verzorging vermelden. Ik weet niet waar die lijsten voor gebruikt worden.

36.

Een geschrift zijnde een IBN agenda met het opschrift “[medeverdachte 2]” (ordner 8, pag. 3690) met daarin namen van cliënten van [bedrijf verdachten].

37.

Een proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2010 (pag. 3667 en 3668 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant, heb de inbeslaggenomen fysieke mappen en ordners specifiek nagekeken, behoudens de cliëntendossiermappen, op urenverantwoording van medewerkers van dit Thuiszorgbureau.

Het viel mij, verbalisant, op dat de fysieke dossiervorming van [bedrijf verdachten] zeer chaotisch gearchiveerd was in mappen en ordners. Er was absoluut geen sprake van een éénduidig opgezette en onderwerp gerichte dossiervorming. In elke fysiek dossiermap of ordner was wel iets te vinden van een urenstaat van een bepaalde medewerker van een bepaald jaar of van een bepaalde maand c.q. week te vinden. Qua lay-out was er ook geen sprake van een bepaald systeem. Als voorbeeld zijn in de zaaksdossiers onder punt 5.2 verschillende urenbriefjes van de verschillende werknemers opgenomen.

In de fysieke mappen en ordners werden door mij, verbalisant, 98 namen aangetroffen van (mogelijke) medewerkers of personen die (mogelijk) werkgerelateerd zijn of kunnen zijn aan [bedrijf verdachten]. De namen zijn aangetroffen op arbeidscontracten, lijsten met dagactiviteiten, vergaderverslagen, personeelsmappen, urenbriefjes, agenda's of anderszins

Van deze 98 namen heb ik, verbalisant van 33 namen "urenbriefjes" aangetroffen in mappen of ordners van de fysieke bedrijfsadministratie.

Bij de belastingdienst waren 53 namen bekend, waarover loonheffing werd betaald.

Vergeleken met de bekende dienstverbanden in het bedrijfsprocessensysteem Suwi-Net en de loonbelastinggegevens van de belastingdienst van deze 33 medewerkers, met het aantal aangetroffen "urenbriefjes" van de medewerkers bleek mij, verbalisant, dat de tijdsperiode van werken vaak niet met elkaar correspondeerde of overeen kwam. Soms werden er in een periode minder urenbriefjes aangetroffen van een bepaalde medewerker en soms meer. Ook werden er urenbriefjes aangetroffen van medewerkers, die bij de belastingdienst onbekend waren.

De lijst "Urenbriefjes" 2008 en 2009 geeft aan, dat er in totaal voor 2.068 uren zijn verantwoord op aangetroffen urenbriefjes in de bedrijfsadministratie door de 33 medewerkers.

Het totaal aantal uren van werknemers van [bedrijf verdachten] in 2008 en 2009 bekend bij de belastingdienst, waarover loonheffing is betaald, is hieronder weergegeven.

Vergelijking aangifte loonheffing met uren "urenbriefjes" Jaar

Uren loonheffing

Uren "Urenbriefjes

2008

2.744

429

2009

18.283

1639

Totaal

21.027

2068

Résume:

• Volgens gegevens van de belastingdienst is in de jaren 2008 en 2009 voor 53 verschillende medewerkers van de eenmanszaak [bedrijf verdachten] loon verantwoord;

• 98 namen zijn aangetroffen in de fysieke bedrijfsadministratie, die op enigerlei wijze, volgens omschrijvingen en/of vermeldingen, werkzaamheden zouden kunnen hebben verricht voor [bedrijf verdachten].

• [bedrijf verdachten] archiveerde in de bedrijfsadministratie kennelijk niet alle uren van alle medewerkers. Van 33 medewerkers zijn "urenbriefjes" aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat er een verschil is in uren van aangetroffen "urenbriefjes" en de uren bij de belasting opgegeven voor loonheffing van medewerkers.

38.

Een geschrift, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

een factuur d.d. 19-03-2009 voor cliënt [cliënt 3] (dossierpagina 849).

39.

Een geschrift, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

een factuur d.d. 18-03-2009 voor cliënt [cliënt 7] (dossierpagina 1019).

40.

Een geschrift, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

een factuur d.d. 18-04-2009 voor cliënt [cliënt 1] (dossierpagina 154)

41.

Een geschrift, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

een factuur d.d. 09-07-2009 voor cliënt [cliënt 6] (dossierpagina 1790).

42.

Een geschrift, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

een factuur d.d. 09-10-2010 voor cliënt [cliënt 6] (dossierpagina 1791).

43.

Een geschrift, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

een factuur d.d. 05-1-2010 voor cliënt [cliënt 6] (dossierpagina l597).

44.

Een proces-verbaal (pag. 25 t/m 26 van het dossier), voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:

Door mij, verbalisant [verbalisant 1], werd een exceloverzicht gemaakt genaamd "Overzicht cliënten en zorg". Dit omdat in de bedrijfsadministratie geen totaaloverzicht met gegevens werd aangetroffen waarop zichtbaar was wie vanaf wanneer cliënt van de thuiszorginstelling was, welke zorgvorm was toegekend en hoeveel uur zorg er aan deze cliënten volgens de toekenning verleend zou moeten worden. Ook werd geen zorgplanning aangetroffen waarop inzichtelijk was welke werknemer bij welke cliënt zorg diende te verlenen of had verleend. In de bedrijfsadministratie werden wel zogenoemde cliëntendossiers aangetroffen. In deze dossiers waren per cliënt gegevens opgeborgen zoals een personaliablad, een toekenningsbeschikking, volmacht, facturen en verantwoordingsformulieren.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben bij het maken van het totaaloverzicht uitgegaan van iedere bron in de bedrijfsadministratie waaruit kon worden afgeleid wie vanaf een bepaalde datum cliënt was van [bedrijf verdachten], bijvoorbeeld een volmacht, zorgovereenkomst of factuur. Vervolgens werd door mij aan de hand van de aanvangsdatum, dat betrokkene cliënt van [bedrijf verdachten] was, het weeknummer bepaald. Daarna werd het aantal resterende weken van het jaar geteld die ik vermenigvuldigde met het netto weekbudget vermeld op de toekenningsbeschikking onder punt 4 van de betreffende cliënt.

Het door mij, verbalisant [verbalisant 1], gemaakte bestand geeft een overzicht van de toegekende zorg, de omvang (zowel in bedragen als uren) en de te verlenen zorguren. Dit bestand werd gecompleteerd aan de hand van de bij het zorgkantoor opgevraagde indicatiebesluiten en toekenningsbeschikkingen van cliënten van [bedrijf verdachten].

D-027-01; Overzicht toegekende zorg cliënten [bedrijf verdachten] 2008 PGB, (blz. 3456).

D-027-02; Overzicht toegekende zorg cliënten [bedrijf verdachten] 2008 Wmo,

(blz. 3457).

D-027-03; Overzicht toegekende zorg cliënten [bedrijf verdachten] 2009 PGB, (blz. 3458).

D-027-04; Overzicht toegekende zorg cliënten [bedrijf verdachten] 2009 Wmo,

(blz. 3462).

45.

Het proces-verbaal d.d. 5 april 2010 (pag. 3707 van het dossier), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisant:

Tenslotte is een derde nadeelberekening gemaakt, gebaseerd op de 18 uitgewerkte zaaksdossiers. In elk van deze dossiers is aan de hand van verschillende gegevens gedetailleerd onderzocht hoeveel zorg feitelijk is verleend en op hoeveel zorg recht bestond. Aan de hand van deze gegevens zijn per dossier verschillende minimale- en verschillende maximale nadeelbedragen berekend, waarvoor wordt verwezen naar de individuele zaaksdossiers.

Deze gemiddelde minimale- en gemiddelde maximale nadeelbedragen zijn door mij, verbalisant [verbalisant 2], afgezet tegen het in totaal in deze 18 dossiers aan zorg verantwoorde bedrag. Vervolgens heb ik het hierdoor verkregen minimum nadeelpercentage (47,10%; E31) en maximum nadeelpercentage (81,23%; E33) afgezet tegen het in totaal in dit onderzoek aan zorg verantwoorde bedrag (€ 840.332; B1). Dit resulteerde in een nadeelbedrag van minimaal € 395.823 (E32) en maximaal € 682.609 (E34).

(Bron: FIN-006-06; berekening nadeelbedragen in 18 zaaksdossiers, blz. 3742).

Vorenbeschreven berekeningen resulteren in onderstaande nadeelbedragen in verband met feitelijk niet verleende zorg:

Recht Feitelijk verleend Nadeel

op zorg

Nadeelbedrag 1: Berekening administratieve € 840.332 € 468.625 € 371.708

bescheiden (E1)

Nadeelbedrag 2: Berekening ‘de Schöppe’ (E2) € 840.332 € 450.132 € 390.200

Nadeelbedrag 3: Berekening gemiddelde uit

zaaksdossiers:

-minimaal (E32) € 395.823

-maximaal (E34) € 682.609

Nadeelberekening 2 wordt door het onderzoeksteam als meest betrouwbaar aangemerkt, omdat de ontbrekende gegevens in de administratie van [bedrijf verdachten] met betrekking tot deze periode, werden opgevraagd bij wijkcentrum de Schöppe zelf (welke wordt beheerd door de gemeente Almelo). Hierdoor kreeg het onderzoeksteam de beschikking over een volledige set gegevens voor in ieder geval een gedeelte van de onderzoeksperiode.

46.

Het proces-verbaal d.d. 5 april 2010 (pag. 3707 van het dossier), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisant:

Door het onderzoeksteam zijn Meldingen Ongebruikelijke Transacties opgevraagd bij de landelijke officier van justitie, welke op 12 mei 2010 werden ontvangen door het onderzoeksteam. Hieruit kwam naar voren dat verdachte [verdachte] op 03 september 2009 kleine coupures (€ 50 en € 100) heeft omgewisseld voor 70 coupures van € 500 (totaal € 35.000), zonder dat de herkomst van het geld is aangetoond.

47.

Een geschrift zijnde een uittreksel uit het kadaster betrekking hebbende op het pand [adres 1] te [plaats 2] (pag. 3477 van het dossier), waaruit blijkt dat deze woning met ingang van 11 december 2009 eigendom is van de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte].

48.

Een geschrift zijnde een uittreksel uit het kadaster betrekking hebbende op het pand [adres 2] te [plaats 2] (pag. 3450 van het dossier), waaruit blijkt dat deze woning met ingang van 11 december 2009 eigendom is van de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte]

49.

Het proces-verbaal d.d. 7 april 2011 (pag. 42 van het dossier), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisanten:

Het hieronder nader beschreven wederrechtelijk verkregen voordeel is vermoedelijk aangewend voor de aanschaf van een tweetal woningen op de adressen [adres 1] en [adres 2] te [plaats 2], het woonadres van de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte]. Deze woningen met een koopprijs van in totaal € 228.000 zijn op 11 december 2009 in eigendom gekomen van voornoemde verdachten en volgens de hypothecaire gegevens van het kadaster zijn deze woningen niet belast met een hypothecaire geldlening. Volgens verdachte [medeverdachte 2] is hiervoor € 75.000 geleend van boekhouder [betrokkene 12]. Vooralsnog is onduidelijk gebleven wat de herkomst is van de rest van de gelden voor de aanschaf van vorenbedoelde woningen. Verdachte [verdachte] had in ieder geval de beschikking over contante gelden.

Tijdens de doorzoeking werden twee zwarte archiefdoosjes (gecodeerd II-G-7-6 en G-7-5) aangetroffen. In totaal werden er 231 contante -opnamebewijzen afkomstig van de ING bank, ABN-Amro, Rabobank en de SNS Bank in deze doosjes aangetroffen. Op veel van deze opnamebewijzen werden met pen geschreven namen van cliënten aangetroffen. Het betroffen opnamen van verschillende banken. Van deze 231 opnamebewijzen is een totaaltelling gemaakt. Daaruit bleek dat er voor een bedrag van € 180.682,93 contant was opgenomen. Op verschillende bewijzen stonden de namen van cliënten van [bedrijf verdachten] vermeld.

50.

Een geschrift zijnde een overzicht kasopnames (blz. 3078 t/m 3079 van het dossier).

51.

Een geschrift zijnde een kopie van bij de doorzoeking inbeslaggenomen bankpasjes (bijlage D 013-02, blz. 3076 en 3077 van het dossier).

1 Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BY5322.

2 Hoge Raad 8 mei 2012, LJN BW5002.

3 HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376.