Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3539

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
C/08/149009 / KG ZA 13-441
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van de vrouw om haar verlof te verlenen om de beschikking van de rechtbank Overijssel van 23 oktober 2013 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang wordt afgewezen. Het is de voorzieningenrechter niet dan wel onvoldoende aannemelijk geworden dat de toepassing van andere (zowel directe als indirecte) dwangmiddelen de vrouw niet zullen baten.

Daarnaast acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het belang van de vrouw de lijfsdwang rechtvaardigt. De vrouw stelt dat zij onvoldoende financiële middelen heeft om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien, maar de voorzieningenrechter acht die stelling onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat al op 10 januari 2014 het incidentele verzoek van de man tot schorsing van de executie bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden wordt behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0011

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/149009 / KG ZA 13-441

datum vonnis: 23 december 2013

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. D. Beuving te Hengelo (O),

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen de man,

advocaat: mr. A.E. Grosscurt te Zwolle.

Het procesverloop

De vrouw heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. De vrouw heeft haar vordering over de proceskosten ingetrokken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 23 december 2013. Ter zitting zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door mr. Beuving, en de man, bijgestaan door mr. Grosscurt.

De standpunten zijn toegelicht. De voorzieningenrechter heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

De vaststaande feiten

Partijen zijn op 22 juni 1991 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [A], geboren te [geboorteplaats] op [1991],

- [B], geboren te [geboorteplaats] op [1998],

- [C], geboren te [geboorteplaats] op [1999].

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 14 juli 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 2 augustus 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Bij beschikking van 3 mei 2010 heeft de rechtbank Almelo de onderhoudsverplichtingen van de man jegens de vrouw en de kinderen vastgesteld. Bij vonnis van 29 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter aan de vrouw verlof verleend die beschikking ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 16 november 2011 is een kinderalimentatie van € 500,- per kind per maand vastgesteld en een partneralimentatie van € 2.535,- per maand.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 24 februari 2012 is de man veroordeeld tot betaling van de maandelijkse hypothecaire lasten van de voormalige echtelijke woning.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van 16 mei 2012 is aan de vrouw verlof verleend om het vonnis van 24 februari 2012 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang.

Bij beschikking van het gerechtshof Arnhem van 4 oktober 2012 is de beschikking van de rechtbank de rechtbank Almelo van 16 november 2011 vernietigd. In afwijking van die beschikking heeft het gerechtshof Arnhem de partneralimentatie nader vastgesteld op € 902,- per maand.

Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 23 oktober 2013 is de partneralimentatie nader vastgesteld op € 1.717,- per maand.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De vrouw vordert om haar verlof te verlenen om de beschikking van de rechtbank Overijssel van 23 oktober 2013 ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang, primair totdat een bedrag van
€ 1.717,- per maand zal zijn voldaan, subsidiair totdat een bedrag van € 1.082,42 per maand zal zijn voldaan en meer subsidiair totdat een bedrag van € 902,- per maand zal zijn voldaan en telkens voor ten hoogste dertig dagen.

De vrouw stelt hiertoe dat de man de verschuldigde partneralimentatie van € 1.717,- per maand over de maand december 2013 niet heeft voldaan. De verschuldigde partneralimentatie over de maand november 2013 heeft hij wel voldaan, maar te laat en na sommatie. De vrouw heeft de man gesommeerd om de alimentatie over december 2013 te voldoen, maar de man heeft verklaard dat hij niet zal betalen. De man heeft de kinderalimentatie wel betaald, maar hij heeft vervolgens beslag laten leggen op de bankrekening van de vrouw. De vrouw heeft kosten moeten maken om dit beslag opgeheven te krijgen. Volgens de man is de beschikking van de rechtbank Overijssel van 23 oktober 2013 onjuist en bovendien wenst hij de verschuldigde partneralimentatie te verrekenen met de in het verleden teveel door hem betaalde partneralimentatie. De vrouw stelt dat de man niet bevoegd is om te verrekenen, althans zij acht een verrekening onrechtmatig. De vrouw is volledig afhankelijk van de alimentatie en het gerechtshof heeft destijds overwogen dat de teveel betaalde alimentatie dient te worden verrekend bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Meer subsidiair stelt de vrouw dat de man niet bevoegd is tot verrekening op grond van het bepaalde in artikel 6:135 Burgerlijk Wetboek. De man is in het verleden ook nalatig geweest met het betalen van de verschuldigde partneralimentatie.

Aan de vrouw is driemaal bij vonnis in kort geding verlof verleend om rechterlijke uitspraken ten uitvoer te leggen onder toepassing van lijfsdwang. De man heeft telkens, en ook nu, niet aangetoond dat hij niet in staat is om de vastgestelde alimentatie te voldoen.

De vrouw stelt dat zij geen andere middelen tot haar beschikking heeft en dat het belang van de vrouw en de kinderen de toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. De vrouw is volledig afhankelijk van de alimentatie van de man en zij is niet in staat om in haar kosten van levensonderhoud en in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voorzien.

De man heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat er geen sprake is van betalingsonwil maar van betalingsonmacht. Hij is niet in staat om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, zodat er geen lijfsdwang kan worden toegepast. De man heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel van 23 oktober 2013. Ter onderbouwing van zijn stelling legt de man het beroepschrift met alle bijlagen over. Uit die bijlagen blijkt dat de man niet langer in staat is om de partneralimentatie te voldoen. De penibele financiële situatie van de man is aan de vrouw te wijten. De man heeft wegens teveel betaalde alimentatie een bedrag van ruim € 58.000,- van de vrouw te vorderen. De verschuldigde partneralimentatie wenst hij hiermee te verrekenen. De man heeft in hoger beroep ook verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 23 oktober 2013 te schorsen dan wel te bepalen dat hij toekomstige termijnen mag verrekenen. Deze incidentele verzoeken worden behandeld op
10 januari 2014. De vrouw beschikt over voldoende liquide middelen. De vrouw heeft een levensverzekeringspolis geïncasseerd van ruim € 105.000,-. De man vordert een veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 585 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de rechter op verlangen van de schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van vonnissen en beschikkingen die een veroordeling tot iets anders dan het betalen van geld inhouden dan wel waarbij - kort gezegd - een alimentatieverplichting is opgelegd. Het uitgangspunt bij alimentatielijfsdwang is te voorkomen dat personen die verplicht zijn een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, zich aan die verplichting zouden kunnen onttrekken, zonder zich te bekommeren om het lot van degene die recht heeft op een uitkering.

Vooropgesteld dient te worden dat rechterlijke uitspraken nagekomen dienen te worden. Lijfsdwang is een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Artikel 587 Rv bepaalt dat lijfsdwang slechts kan worden toegewezen, indien aannemelijk is dat de toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt.

De man heeft erkend dat hij de partneralimentatie over december 2013 niet heeft voldaan. Of er hier sprake is van betalingsonmacht dan wel betalingsonwil en of de man zich al dan niet terecht beroept op verrekening laat de voorzieningenrechter in het midden. Het is de voorzieningenrechter immers niet dan wel onvoldoende aannemelijk geworden dat de toepassing van andere (zowel directe als indirecte) dwangmiddelen de vrouw niet zullen baten. De alimentatielijfsdwang is bedoeld voor degenen die zich aan geregelde arbeid onttrekken, telkens van werkgever veranderen om aan loonbeslag te ontkomen en/of aanwezige vermogensbestanddelen op naam van derden zetten. Dergelijke omstandigheden zijn niet gesteld, noch is de voorzieningenrechter daarvan gebleken.

De man geniet, volgens de door de man zelf overgelegde draagkrachtberekening, nog steeds een inkomen uit arbeid van € 69.887,- per jaar. De vrouw heeft geen loonbeslag gelegd op het inkomen van de man. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat het leggen van loonbeslag niet of niet volledig tot het gewenste resultaat zou hebben geleid.

Bovendien heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat er, naast het leggen van loonbeslag, voor haar geen andere mogelijkheden zijn om executie met succes af te dwingen.

Reeds hierom dient de vordering van de vrouw te worden afgewezen.

Daarnaast acht de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het belang van de vrouw de lijfsdwang rechtvaardigt. De vrouw stelt dat zij onvoldoende financiële middelen heeft om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien, maar de voorzieningenrechter acht die stelling onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft erkend dat zij beslag heeft gelegd op een levensverzekeringspolis bij Erasmus leven van de man. Uit de brief van Erasmus leven blijkt van een afkoopwaarde van bijna € 80.000,- op
22 augustus 2013. Die afkoopwaarde is vervolgens aan haar uitgekeerd. De vrouw beschikte eind augustus 2013 dus over een aanzienlijk geldbedrag. Dat de vrouw de volledige uitkering vervolgens heeft gebruikt voor het betalen van advocaat- en andere kosten, heeft de vrouw niet aangetoond. De vrouw stelt dat zij bankafschriften heeft overgelegd van al haar bankrekeningen, maar die bankafschriften zijn de voorzieningenrechter niet bekend. Bovendien zou daarmee niet zijn aangetoond dat de vrouw niet beschikt over andere bankrekeningen met daarop een positief saldo.

De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat al op 10 januari 2014 het incidentele verzoek van de man tot schorsing van de executie bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden wordt behandeld. Tijdens die procedure zullen de stellingen van de man over de betalingsonmacht en de gestelde bevoegdheid tot verrekeningen inhoudelijk aan de orde komen. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing op dit incidentele verzoek van de man niet kan worden afgewacht.

In de omstandigheid dat partijen voormalig echtelieden zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

1.

Wijst af de vordering van de vrouw.

2.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2013, in tegenwoordigheid van G.M. Keupink, griffier.