Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3531

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-09-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
07.680008-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt man voor hennepteelt in Steenwijk tot een werkstraf van 60 uur. Hennep, vormverzuimen, 359a Sv, strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - meervoudige kamer

Parketnummer: 07.680008-12 (P)

Uitspraak: 16 september 2013

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1979 te Meppel,
wonende te [woonplaats].


ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden te Zwolle op 13 mei 2013, 16 juli 2013 en 2 september 2013, waarbij de verdachte telkens is verschenen, bijgestaan door mr. K. Spoor, advocaat te Steenwijk. Als officier van justitie was op 2 september 2013 aanwezig mr. C.C.S. Bordenga-Koppes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 22 december 2011 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] een hoeveelheid van

- (in totaal) ongeveer 115 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of

- 15 hennepplanten en/of delen daarvan en/of

- 1347 gram hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer

Door de raadsvrouw is primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vervolging. Zij heeft gesteld dat er sprake is geweest van een rammelend politieonderzoek en een gebrekkig dossier. De politie heeft volgens de raadsvrouw in de eerste plaats op onrechtmatige wijze de steeg welke toegang geeft tot de woning van verdachte betreden. De afgesloten steegdeur is gepasseerd zonder dat er een verdenking was jegens verdachte nu op dat moment alleen een hoge meterstand bekend was bij de politie. Ook was een voor betreding van de steeg noodzakelijke machtiging niet aanwezig. Ten slotte is nergens in het dossier beschreven dat de steegdeur door de politie geopend is met een sleutel die bij een naburige winkel was verkregen. Dit is pas gebleken bij het getuigenverhoor ter zitting van verbalisant [verbalisant 1] op 16 juli 2013. Pas naar aanleiding van het betreden van de steeg is een verdenking ontstaan, doordat verbalisant [verbalisant 1], eerst toen waarnam dat de ramen van de woning van verdachte waren afgeplakt en hij een ventilator hoorde. Voorts is de raadsvrouw van mening dat onvoldoende is komen vast te staan dat op het moment dat men de woning van verdachte wilde betreden op 22 december 2011 een machtiging tot binnentreden was afgegeven. In het proces-verbaal van bevindingen wordt hierover immers niet gerept en de later door de politie nagezonden machtiging binnentreden is naar het oordeel van de raadsvrouw achteraf opgemaakt. Steun hiervoor vindt de raadsvrouw in het gegeven dat deze is gedateerd op 22 december 2012, terwijl dit 22 december 2011 had moeten zijn. Ter zitting van 2 september 2013 is uit het verhoor van inspecteur [verbalisant 2] van de regiopolitie IJsselland gebleken dat de nagezonden machtiging binnentreden een handgeschreven kopie is van de oorspronkelijke machtiging. Uit het dossier noch uit het verhoor van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat na inzending van het eindproces-verbaal een dergelijke kopie van de machtiging is opgemaakt toen deze niet bij het dossier bleek te zitten. Hierdoor ontbreekt iedere transparantie en kan nu onvoldoende worden gecontroleerd of de machtiging er daadwerkelijk was op 22 december 2011. De raadsvrouw is van oordeel dat hierdoor sprake is van zodanige vormverzuimen dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op zijn plaats is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat de woning van verdachte enkel te bereiken is door het passeren van een afgesloten deur die toegang verschaft tot een steeg waardoor het, vervolgens, mogelijk is toegang te verkrijgen tot de meterkasten van enkele woningen en de woning van verdachte zelf.

Door een telefonisch mededeling van de afdeling fraude van het nutsbedrijf Rendo BV werd de politie erop geattendeerd dat het vermoeden bestond dat op het adres van verdachte mogelijk een hennepplantage was gevestigd.

Dit vermoeden bestond omdat een monteur, die een bezoek had gebracht aan het pand in verband met hoog energieverbruik en wanbetaling, een hoge meterstand constateerde gedurende de periode van 11 april tot 25 september 2011. Dit verbruik was ook hoog als het zou gaan om het verbruik door een gezin, verdachte woonde alleen.

Op 14 december 2011 heeft nogmaals controle plaatsgevonden, waarbij wederom een zeer hoog energieverbruik is geconstateerd.

Op 22 december 2011 heeft verbalisant [verbalisant 1] samen met een monteur van het nutsbedrijf een onderzoek aan de meterkast ingesteld. Uit het proces-verbaal terzake blijkt niet of toestemming is verkregen, en zo ja, door wie, alsmede op welke wijze toegang is verkregen tot deze meterkast. Ter terechtzitting van 16 juli 2013 is uit de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] gebleken dat men de toegang tot de steeg waar de meterkast zich bevindt heeft gekregen door middel van een sleutel van een winkelier, [naam], die eveneens van de steeg gebruik maakte.

Verbalisant [verbalisant 1] is, aldus het proces-verbaal terzake, vervolgens met de betreffende monteur een trap opgelopen die toegang geeft tot platte daken van omliggende percelen. Daar is vastgesteld dat alle ramen van de woning van verdachte geblindeerd waren en aldoor hoorde verbalisant [verbalisant 1] een ventilator draaien. Blijkens de verklaring van [verbalisant 1] ter terechtzitting van 16 juli 2013 is hij vervolgens teruggaan naar het politiebureau en heeft hulpofficier van justitie [verbalisant 2] daar een machtiging uitgeschreven, waarna men naar de woning is teruggekeerd.

De rechtbank is van oordeel dat door het betreden van de steeg, die naar de woning van verdachte leidt en waarin de meterkast is gevestigd, geen sprake is geweest van enig vormverzuim. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de betreffende steeg niet kan worden aangemerkt als onderdeel van de woning van verdachte waar hij zijn privaat huiselijk leven leidt. De met een deur afgesloten steeg dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een plaats, niet zijnde een woning. Daar verbalisant [verbalisant 1] van [naam], eveneens gebruiker van deze steeg, toestemming kreeg om de steeg te betreden is het handelen van [verbalisant 1] niet onrechtmatig geweest.

Uit het proces-verbaal van aanhouding kan worden opgemaakt dat verbalisant [verbalisant 1] nadat hij had geconstateerd dat de ramen waren geblindeerd en hij een ventilator had gehoord terug is gegaan naar het politiebureau. Daar heeft hij overleg gevoerd met hulpofficier van justitie [verbalisant 2]. [verbalisant 1] is vervolgens samen met een aantal verbalisanten naar de woning van verdachte terug gegaan. Op het moment dat men het slot wilde forceren om toegang te verkrijgen tot de woning van verdachte werd de deur plotseling van binnenuit door verdachte geopend, aldus het proces-verbaal, waarna verdachte volgens het proces-verbaal van aanhouding toestemming heeft gegeven binnen te treden.

Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de deur heeft geopend toen hij gemorrel aan zijn deur voelde en wilde voorkomen dat de deur werd vernield en zich daarom niet verzet heeft tegen het binnentreden van de agenten. Ter zitting heeft hij aangegeven geen daadwerkelijke toestemming te hebben willen geven.

De rechtbank is van oordeel dat de politie op het moment dat zij startte met het forceren van het slot van de woning van verdachte in het bezit diende te zijn van een machtiging tot binnentreden. Men ging er op dat moment immers vanuit dat verdachte niet in de woning aanwezig was en wilde zonder zijn toestemming zijn woning betreden. [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben overigens beiden verklaard dat is geklopt alvorens is gestart met het forceren van het slot.

Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt niet dat door [verbalisant 2] op 22 december 2011 een machtiging is verstrekt om de woning van verdachte te betreden. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt ook niet dat door [verbalisant 2] een machtiging is getoond aan verdachte of dat de aanwezigheid van een machtiging is benoemd richting verdachte. Voorst staat nergens in het proces-verbaal geschreven dat van een verstrekte machtiging geen gebruik is gemaakt.

De rechtbank heeft, anders dan door de raadsvrouw is betoogd, na het horen van getuige [verbalisant 2] ter terechtzitting, geen twijfel over het feit dat de machtiging op 22 december 2011 door hem is verleend. Hij heeft immers onder ede verklaard dat hij 100% zeker weet dat hij die betreffende dag de machtiging heeft verstrekt om de woning van verdachte te betreden. [verbalisant 2] heeft eveneens verklaard dat [verbalisant 1] later bij hem is gekomen met de mededeling dat de machtiging niet bij het dossier was gevoegd en hij de originele machtiging niet meer had. [verbalisant 2] heeft toen de machtiging opnieuw uitgeschreven, daar deze niet in het computersysteem stond. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een mogelijke verklaring voor de omstandigheid dat de machtiging als datum 2012 in plaats van 2011 vermeldt.

Nu men reeds was aangevangen met het forceren van het slot, en aldus met het binnentreden zonder toestemming van de bewoner, had de machtiging naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte moeten worden getoond toen hij de deur opende. Temeer nu verdachte heeft verklaard geen echte toestemming te hebben gegeven zijn woning te betreden, nu het binnen laten van de politie door hem alleen was ingegeven door de aanname dat de politie toch wel zou binnen komen en de deur anders open zou breken. Uit het proces-verbaal is niet gebleken dat de machtiging aan verdachte is getoond en ook uit de verschillende getuigenverklaringen is dit niet duidelijk geworden. Nu dit voorschrift van de Algemene wet op het binnentreden niet is nageleefd stelt de rechtbank vast dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Dit verzuim acht de rechtbank echter niet zodanig ernstig dat daaraan het rechtsgevolg van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie dient te worden verbonden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a van het Wetboek van strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, mede gezien de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan.

De rechtbank acht het evenwel zeer kwalijk dat toen bleek dat de machtiging ten onrechte niet bij het dossier was gevoegd niet alsnog volledige transparantie is gegeven over de wijze waarop de alsnog aan het dossier toegevoegde machtiging tot stand is gekomen. Hierover is niets gerelateerd en verbalisant [verbalisant 1] heeft hierover op de zitting van 16 juli 2013 ook niets verklaard. Dit komt een transparante rechtsgang niet ten goede. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden gezegd dat dit een zodanig vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert dat aan verdachte zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak hierdoor tekort is gedaan en een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te volgen. Na het verhoor van verbalisant [verbalisant 2] ter terechtzitting van 2 september 2013 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijkheid verkregen omtrent de gang van zaken betreffende de machtiging, zodat verdachte (uiteindelijk) niet in zijn verdediging is geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

Op 13 mei 2013 heeft de officier van justitie geëist dat verdachte zou worden veroordeeld ter zake het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft echter ter terechtzitting van 2 september 2013 geconcludeerd dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij is van oordeel dat de weinig transparante handelswijze van de politie tot gevolg moet hebben dat hetgeen als gevolg van het binnentreden op 22 december 2011 als bewijs is verkregen, te weten de aangetroffen, niet in werking zijnde, hennepplantage, van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is subsidiair betoogd dat als gevolg van de reeds hierboven door haar geconstateerde vormverzuimen sprake dient te zijn van bewijsuitsluiting. Primair vanwege het feit dat men onrechtmatig toegang heeft verkregen tot de steeg die naar de woning van verdachte leidt, subsidiair omdat zij van oordeel is het ervoor moet worden gehouden dat de machtiging tot binnentreden op 22 december 2011 niet is afgegeven. De vruchten die voortkomen uit het betreden van de woning van verdachte dienen volgens de raadsvrouw te worden uitgesloten van het bewijs en er dient dan ook vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het verweer tot bewijsuitsluiting

De rechtbank heeft, zoals hierboven reeds is overwogen, vastgesteld dat niet is gebleken dat de machtiging tot binnentreden aan verdachte is getoond, zodat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004 (LJN AM2533, NJ 2004/376) overwogen dat indien sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”.

Het in casu geconstateerde vormverzuim heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet een zodanig ernstig karakter dat daaraan het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting dient te worden verbonden. [verbalisant 1] was in het bezit van de machtiging en was dus in beginsel bevoegd om de woning van verdachte binnen te treden. Het voorschrift dat is geschonden voorziet in een informatieplicht in het belang van de bewoner van het huis. Nu verdachte gering nadeel van het verzuim heeft ondervonden en niet kan worden vastgesteld dat doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is gehandeld, is de rechtbank van oordeel dat het door het verzuim ontstane nadeel door strafvermindering kan worden gecompenseerd.

De rechtbank is zoals reeds overwogen van oordeel dat het feit dat enkele essentiële punten niet zijn geverbaliseerd, zoals de wijze van betreden van de steeg, het afgeven van de machtiging door [verbalisant 2] en het vervolgens opnieuw uitschrijven van de machtiging door [verbalisant 2], niet maakt dat sprake is van een zodanig onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie rechtvaardigt. Ook bewijsuitsluiting is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, een te ver gaand rechtsgevolg. Immers, door het horen van verschillende getuigen ter terechtzitting heeft verdachte inzicht kunnen verkrijgen omtrent de gang van zaken betreffende het binnentreden op 22 december 2011. Dit neemt echter niet weg dat verdachte nadeel heeft gehad van het onzorgvuldig en onvolledig verbaliseren en verklaren van, met name, verbalisant [verbalisant 1]. Meerdere zittingen waren immers nodig om duidelijkheid te krijgen omtrent de gang van zaken bij het binnentreden op 22 december 2011.

De rechtbank is van oordeel dat dit nadeel eveneens kan worden gecompenseerd door middel van strafvermindering.

Ten aanzien van het ten laste gelegde

In de woning van verdachte werd op 22 december 2011 een hoeveelheid van 1347 gram hennep en 15 verdorde hennepplantjes aangetroffen.1 Verdachte heeft verklaard dat de in de woning aangetroffen, niet in werking zijnde, hennepkwekerij van hem was. Hij heeft verklaard dat hij rond april/mei is begonnen met het opzetten van de kwekerij. Hij heeft verklaard dat hij reeds twee maal eerder had geoogst en toen zo’n 70 tot 80 plantjes had staan. De aangetroffen 1347 gram hennep betrof de derde oogst.2

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 april 2011 tot en met 22 december 2011 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres] een groot aantal hennepplanten en 1347 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 3 van de Opiumwet.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 13 mei 2013 gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van één maand, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Ter terechtzitting van 2 september 2013 heeft de officier van justitie het standpunt gewijzigd en geconcludeerd dat verdachte, na bewijsuitsluiting, dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de strafmaat gewezen op het feit dat enkel sprake is van oude documentatie en dat verdachte vanwege het feit dat hij schulden had de hennepkwekerij heeft opgezet. In geval van een veroordeling heeft de raadvrouw verzocht te volstaan met de oplegging van een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt. Verdachte heeft dusdoende bijgedragen aan het in stand houden van het illegale hennepcircuit en de daaraan gerelateerde criminaliteit. De uit hennepplanten verkregen stof THC schadelijk is voor de volksgezondheid en om deze reden door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II is geplaatst. Algemeen bekend is dat de activiteiten waarmee verdachte zich heeft ingelaten ook plegen te leiden tot nadelige gevolgen als sociale overlast. Verdachte heeft zich welbewust hiermee ingelaten, kennelijk gedreven door financiële motieven.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een hennepkwekerij met 50-100 planten een geldboete ter hoogte van €1000,-. Daarbij wordt echter uitgegaan van één oogst. In dit geval is sprake geweest van een drietal oogsten. De rechtbank acht in beginsel in het onderhavige geval dan ook een werkstraf ter hoogte van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis op zijn plaats.

De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat het feit dat verdachte de machtiging tot binnentreden niet is getoond alsmede het feit dat sprake is geweest van onzorgvuldig en onvolledig verbaliseren door de politie moet leiden tot strafvermindering, zodat de rechtbank in dit geval de passend geachte straf geheel in voorwaardelijke vorm zal opleggen. Een voorwaardelijke straf kan bovendien dienen als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom zijn financiële problemen op illegale wijze zal trachten op te lossen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 60 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De werkstraf zal niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F. van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2013.

Mr. G.A. Versteeg was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van relaas met nummer 2011112572-6, inhoudende een relaas van verbalisant [verbalisant 1], blad 4, alinea ‘inbeslagname’ en blad 5, alinea ‘cannabistest’.

2 De in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer 2011112572-4, inhoudende een verklaring van verdacht, blad 1, vanaf ‘zakelijke verklaring’ tot blad 4 ‘sociale verklaring’.