Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3506

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
07.663105-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt vrouw uit Deventer tot 376 dagen gevangenisstraf, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur wegens een poging doodslag, het heftig schudden, van haar 6 weken oude baby.

Promis, hersenletsel bij baby ten gevolge van niet accidentele oorzaak, voorwaardelijk opzet, poging tot doodslag, bewijs- en strafmaatmotivering.

Deskundigenrapporten, hersenletsel bij 6 weken oude baby opgetreden ten gevolge van een schud- dan wel geweldsincident, in elk geval ten gevolge van een niet-accidentele oorzaak. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gedurende de tijdspanne waarin het schud- of geweldsincident blijkens de bewijsmiddelen moet hebben plaatsgevonden alleen met het kind thuis is geweest. Bij afwezigheid van een andere plausibele oorzaak voor het ontstaan van het letsel kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat het bij het kind geconstateerde hersenletsel is ontstaan door het krachtig schudden dan wel krachtig geweld uitoefenen door verdachte. Geen van de door de raadsvrouw geschetste alternatieve scenario’s (het boogspugen, een geboortetrauma of ongelukkig dan wel ondeskundig uitgevoerde verzorgingshandelingen) kunnen de bij het kind aantroffen ernstige letsels verklaren zoals blijkt uit de deskundigerapportages. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat het (heftig) schudden van een baby de dood veroorzaakt naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Meervoudige Kamer te Zwolle

Parketnummer: 07.663105-11 (P)

Uitspraak: 24 december 2013

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag 1] 1989 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2013 en
11 december 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. van der Lem, advocaat te Deventer.

Als officier van justitie was aanwezig mr. M. Zwartjes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 januari 2011 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (haar kind) [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2010) van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht/ hard) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (krachtig) heeft geschud, althans (krachtig) geweld op die [slachtoffer] heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 januari 2011 in de gemeente Deventer aan een persoon (haar kind) genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2010), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (bloedingen onder het harde hersenvlies (forse subdurale hematomen) in beide grote hersenhelften en beiderzijds langs de kleine hersenen, zwelling en vochtophoping in de hersencellen (cytotoxisch hersenoedeem)), heeft toegebracht, door [slachtoffer] opzettelijk meermalen, althans éénmaal, (met kracht/hard) vast te pakken en/of vast te houden en/of

heen en weer te schudden, althans (krachtig) geweld op [slachtoffer] uit te

oefenen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 januari 2011 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (haar kind) genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2010), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal (met kracht/hard), die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of geschud, althans (krachtig) geweld op die [slachtoffer] heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 januari 2011 in de gemeente Deventer opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2010), meermalen, althans éénmaal, (met kracht/hard) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of geschud, althans (krachtig) geweld op [slachtoffer] heeft uitgeoefend, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Inleiding1

[slachtoffer] is op [geboortedag 2] 2010 geboren. Verdachte is zijn moeder en [vader] is zijn vader. Op 11 januari 2011 is [slachtoffer] in het Deventer Ziekenhuis onderzocht in verband met een hartruis en slechte groei. De kinderarts omschreef [slachtoffer] op dat moment als een ‘niet ziek, alert, pittig en zeker niet suf’ kind en concludeerde dat er sprake was van onvoldoende groei meest passend bij onvoldoende intake en dat er geen aanwijzingen waren voor een onderliggende medische aandoening. Hij adviseerde de borstvoeding af te bouwen en met flesvoeding te starten2.

Op 14 januari 2011 heeft jeugdverpleegkundige [naam 1] van het consultatiebureau een huisbezoek bij verdachte afgelegd. Zij constateerde dat [slachtoffer] inmiddels was gegroeid3. Op 18 januari 2011 is [slachtoffer] vervolgens door een arts op het consultatiebureau onderzocht. Door deze arts werd geconstateerd dat het goed met [slachtoffer] ging. Hij was alert, groeide beter en zijn gewicht nam toe4.

Op 19 januari 2011 waren verdachte, haar ex-partner [vader] en [slachtoffer] in hun woning gelegen aan de [adres] te Deventer aanwezig. Op 19 januari 2011 om 12:48 uur werd [vader] door zijn werkgever gebeld5 met het verzoek of hij naar zijn werk wilde komen, aan welk verzoek hij gehoor heeft gegeven6. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] op het moment dat haar partner [vader] vertrok ‘gewoon normaal’ was. Verdachte heeft over hetgeen hierna met [slachtoffer] is gebeurd het volgende verklaard: “ik was alleen…Ik had hem in een stoel een flesje gegeven. Hij dronk wel een beetje gretig, vanwege zijn ondervoeding. Verder heb ik niets aan hem gemerkt. Ik heb toen het flesje weggelegd en bracht hem naar boven naar onze kamer om hem te verschonen. Toen ik hem op het aankleedkussen had gelegd, ging het mis. Ik zag dat hij begon te happen naar lucht. Ik heb hem weer opgetild en over zijn rugje gewreven. Ik raakte in paniek en heb [vader] gebeld. Ik zag dat zijn ogen wegdraaiden. [vader] was er direct en wij hebben de ambulance gebeld…Ik probeerde te kijken wat er aan de hand was. Ik zag dat het alleen maar erger werd. Hij verkrampte en op een gegeven moment werd hij helemaal slap. Dat hij verkrampte duurde een paar seconden. Dat hij slap was ongeveer 5 minuten en daarna in de maxi-cosi verkrampte hij zich weer”7.

Op 19 januari 2011 om 13:39 uur heeft verdachte met [vader] gebeld8 en om 13:44 uur heeft verdachte het Deventer Ziekenhuis gebeld. Verdachte en [vader] hebben [slachtoffer] vervolgens met de auto naar het Deventer Ziekenhuis vervoerd9. Daar is [slachtoffer] lichamelijk onderzocht en bleek dat hij wisselend verkrampt was en daarbij gedurende enkele minuten klauwhandjes en weggedraaide ogen had. Daarna was hij geprikkeld met achterover-strekking van zijn hele lichaam. Zijn fontanel was fors bol. Bovendien had [slachtoffer] ondertemperatuur10.

Vanwege blijvende trekkingen (persisterende status epilepticus) is [slachtoffer] op 20 januari 2011 overgeplaatst naar de afdeling Neonatologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG)11. Daar is op 24 januari 2011 een MRI-scan verricht waarop de volgende afwijkingen werden geconstateerd:

-bloedingen onder het harde hersenvlies (subdurale hematomen), rechts groter dan links

-uitgebreide vochtophoping in de hersenen (corticaal en subcorticaal cytotoxisch hersen oedeem).

Aanvullend onderzoek leverde geen aanwijzingen op voor een onderliggend ziekelijk lijden (zoals bijvoorbeeld een stollingsstoornis, stofwisselingsziekte of een infectie).12

Op 20 januari 2011 is een röntgenfoto van de borstkas van [slachtoffer] gemaakt waarop aan de achterzijde van de derde tot en met de zevende rib aan de linkerzijde een asymmetrie ten opzichte van de rechterzijde zichtbaar was, passend bij genezende ribbreuken met enige botvernieuwing (callus). Vanwege mogelijke mishandeling als oorzaak van de gevonden afwijkingen werd door [naam 2], kinderarts van het UMCG een melding van kindermishandeling gedaan bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)13. Op 22 februari 2011 heeft [naam 3], praktijkleider bij het AMK vervolgens aangifte gedaan ter zake van zware mishandeling14 en bij uitspraak van 19 mei 2011 heeft de kinderrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad [slachtoffer] onder toezicht gesteld, bureau Jeugdzorg Overijssel als gezinsvoogdij instelling benoemd en een machtiging verleend om [slachtoffer] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg 24-uurs.15 [slachtoffer] verblijft thans in een pleeggezin en heeft een forse ontwikkelingsachterstand16.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde bewezen op grond van het navolgende:

Uit het rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012 blijkt dat er veelal sprake is van direct ontstaan van symptomen aansluitend op het ontstaan van gemiddeld tot ernstig diffuus hersenletsel. Dit betekent dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel moet zijn ontstaan tussen het moment dat zijn vader uit de woning is vertrokken en het moment dat hij door verdachte werd gebeld.

Diverse ‘natuurlijke’ oorzaken zoals stoornissen, syndromen en infecties zijn uitgesloten als oorzaak voor het letsel. Daarnaast zijn uitgesloten vaccinaties, vitamine C-deficiëntie of een oorzaak als gevolg van de geboorte. Verdachte heeft voorts geen melding gemaakt van een ongeluk of incident met [slachtoffer]. Volgens haar is alles normaal verlopen.

Over de wijze waarop de bloeding onder het harde hersenvlies ontstaat bij Abusive Head Trauma, bestaat medische consensus. Door het hoofd van het kind bloot te stellen aan de krachten die vrijkomen bij rotatie, acceleratie, deceleratie, beweegt het brein ten opzichte van de schedel. Over een aantal andere zaken bestaat eveneens consensus, te weten:

1.

Er is veel kracht nodig om dit type letsel te veroorzaken;

2.

De letsels ontstaan nooit ten gevolge van een ongecompliceerde val van beperkte hoogte. Zelfs bij een val van meer dan 2 meter hoogte of bij een val van een trap, ontstaan bloedingen onder het harde hersenverlies zeer zelden;

3.

De krachten die vrijkomen bij gebruikelijke huis-, tuin-, en keukenongevallen zijn onvoldoende om bloedingen onder het harde hersenvlies te veroorzaken.

De bloedingen kunnen op drie manieren ontstaan, te weten door stomp trauma, schudden of schudden in combinatie met stomp trauma. Dit alles is te vatten onder het in de tenlastelegging genoemde “krachtig geweld uitoefenen”.

Gelet op het voorgaande kan alleen een niet-accidentele oorzaak het letsel verklaren.

De conclusie is dat verdachte, als enige aanwezig bij [slachtoffer], een actieve rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het letsel en dat zij dit niet wil of durft te verklaren. Van een alternatief scenario is niets gebleken.

Het openbaar ministerie houdt het op een actie uit wanhoop waarbij verdachte hardhandig en gewelddadig naar [slachtoffer] toe heeft gereageerd en daarmee het letsel heeft veroorzaakt.

Een actie uit wanhoop staat een bewezenverklaring voor poging tot doodslag niet in de weg. Bewezen kan namelijk worden dat sprake was van voorwaardelijk opzet, het willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaarden dat bij [slachtoffer] bloedingen en hersenletsel zouden ontstaan en de dood eventueel zou intreden.

Bij het heftig en/of met kracht schudden van een jonge baby bestaat de aanmerkelijke kans dat de dood zal volgen. Verdachte wist ook dat zij het hoofdje van [slachtoffer] goed moest ondersteunen. Dit is haar in haar kraamtijd uitgelegd.

Gelet op de conclusies uit het rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling kan het letsel niet door een onbewuste, op het moment van uitvoeren onbedoelde, actie zijn ontstaan. Gelet op het voorgaande dient een bewezenverklaring ten aanzien van het primair ten laste gelegde te volgen, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota, en onder verwijzing naar uitspraken van de Hoge Raad
d.d. 27 maart 2012, LJN BT 6397, de rechtbank Oost-Brabant d.d. 29 mei 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:CA1219, de rechtbank Amsterdam d.d. 13 februari 2013, LJN BZ1458, het gerechtshof Arnhem d.d. 2 april 2013, LJN BZ 6018 en van de rechtbank Overijssel d.d. 21 mei 2013, LJN CA 2999 op het standpunt gesteld dat verdachte integraal van het haar ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Hiertoe heeft de raadsvrouw gewezen op een aantal omstandigheden dat een rol kan hebben gespeeld bij een mogelijk alternatief scenario.

Zo heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit de verklaringen van forensisch arts Van Kuijk in de zaak van deze rechtbank d.d. 21 mei 2013 blijkt dat de verschijnselen van schuldletsel binnen een half uur tot een uur optreden en dat in onderhavige zaak is gebleken dat [vader] tot ongeveer een half uur voor het moment dat bij [slachtoffer] de klinische verschijnselen werden geconstateerd samen met verdachte en [slachtoffer] thuis is geweest. Gelet hierop kan niet als vaststaand worden aangenomen dat verdachte het letsel van [slachtoffer] heeft veroorzaakt.

Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op de omstandigheid dat de oma van vaderszijde en de oma van moederzijde gedurende de periode dat verdachte ziek is geweest, verzorgingstaken van [slachtoffer] op zich hebben genomen. Daarnaast heeft de raadsvrouw gewezen op de omstandigheid dat [slachtoffer] in de twee weken voor de ziekenhuisopname bij bijna elke voeding moest spugen.

Bij [slachtoffer] zijn bovendien geen netvliesbloedingen of sporen van fysieke impact aangetroffen. Omdat meerdere personen als verzorgers van [slachtoffer] zijn opgetreden, en 80 procent van de jonge kinderen met ribbreuken geen klachten als gevolg van die ribbreuken vertonen, kunnen de bevindingen omtrent de ribbreuken zonder nadere aanwijzingen omtrent daderschap, het vermoeden van een niet-accidentele oorzaak van het trauma op 19 januari 2011 niet versterken.

Andere elementen en gebeurtenissen die volgens de raadsvrouw mogelijk een verklaring kunnen geven voor de klinische verschijnselen op 19 januari 2011, zijn:

- veelvuldig huilen;

- ( boog)spugen na de voeding, gedurende 9 tot 14 dagen voorafgaand aan de ziekenhuisopname op 19 januari 2011;

- het verloop van de bevalling. Het was een erg zware bevalling; de vliezen waren gebroken,

maar de weeën kwamen niet op gang, na 42 uren is verdachte ingeleid en daarna heeft de

bevalling nog 12 uren geduurd;

- het hoofdje van de baby niet goed ondersteunen, ruw en onhandig wiegen;

- de baby op beide handen houden, de handen van beneden naar boven bewegen zodat de

baby iets los komt van de handen.

Met betrekking tot de mogelijke alternatieve verklaringen springt volgens de raadsvrouw vooral het spugen in het oog. Op 19 januari 2011 moest [slachtoffer] spugen met een grote boog, naar aanleiding waarvan verdachte het consultatiebureau heeft geconsulteerd.

Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] niet willens en wetens heeft aanvaard. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte na de geboorte van [slachtoffer] kraamzorg heeft ontvangen, dat zij in het ziekenhuis en van de kraamverzorgster heeft geleerd dat ze het hoofdje moest ondersteunen en van het consultatiebureau het advies heeft gekregen hoe zij met een baby om moest gaan. Bovendien heeft verdachte adequate hulp bij de gezondheidszorg gezocht op de momenten dat zij zich zorgen maakte over de gezondheid van [slachtoffer]. Zo heeft verdachte toen [slachtoffer] verontrustend spuugde contact met het consultatiebureau opgenomen en een afspraak in het ziekenhuis gemaakt toen [slachtoffer] ondervoed was. Gelet op voornoemde omstandigheden dient verdachte integraal van de haar ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken, zo stelt de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende.

Op 13 maart 2013 heeft drs. S. de Vries, forensisch arts, verbonden aan de Forensische Polikliniek Kindermishandeling met betrekking tot het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel een rapport uitgebracht waarin het volgende wordt geconcludeerd17:

“• Bij [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 2010 en op dat moment ruim 6 weken oud, was op 19 januari 2011 acuut medisch ingrijpen en opname in het ziekenhuis noodzakelijk.

• Bij [slachtoffer] zijn gedurende zijn opnamen in het Deventer ziekenhuis en in het UMCG diverse afwijkende bevindingen geconstateerd. Er was bij hem sprake van bloedingen onder het harde hersenvlies (subdurale hematomen) in beide grote hersenhelften en beiderzijds langs de kleine hersenen, zwelling en vochtophoping in de hersencellen (cytotoxisch hersenoedeem) en meerdere ribbreuken.

• Hoewel deze afwijkende bevindingen ieder afzonderlijk mogelijk zouden kunnen worden verklaard door andere oorzaken, vormt de combinatie van de bevindingen een indicatie voor een niet-accidentele oorzaak van de afwijkende bevindingen bij [slachtoffer].

• Bij [slachtoffer] zijn zowel in het Deventer ziekenhuis als in het UMCG geen aanwijzingen gevonden voor een onderliggende medische aandoening die een verklaring zou kunnen vormen voor de letsels bij [slachtoffer].

• Het is uitgesloten dat de letsels bij [slachtoffer] op de leeftijd van ruim 6 weken (nog) een gevolg zijn van de geboorte. Zowel in het Deventer ziekenhuis als in het UMCG zijn geen medische aandoeningen vastgesteld die een verklaring zouden kunnen vormen voor de letsels bij [slachtoffer]. (…)

• Gebruikelijke verzorgingshandelingen zullen niet leiden tot de beschreven letsels bij [slachtoffer], ook niet bij ongelukkige uitvoering van die verzorgingshandelingen.

• De combinatie van bevindingen bij [slachtoffer] is suspect voor toegebracht schedel-/hersenletsel (Abusive Head Trauma (AHT)), als gevolg van een acceleratie-deceleratietrauma.

• Het is vrijwel zeker dat een incident op 19 januari 2011 omstreeks 14.00 uur tot de acute klinische noodsituatie bij [slachtoffer] heeft geleid.

• Het is mogelijk dat de genezende ribbreuken met enige botnieuwvorming bij [slachtoffer] op verschillende momenten zijn ontstaan, doch niet later dan omstreeks 10 januari 2011.

• Bij [slachtoffer] moet tenminste sprake zijn geweest van twee incidenten, namelijk niet later dan omstreeks 10 januari 2011, toen de ribbreuken zijn ontstaan en op 19 januari 2011, toen een acute klinische noodsituatie bij [slachtoffer] ontstond. Daarbij geldt dat momenten van inwerking van uitwendig geweld niet ongemerkt voorbij kunnen zijn gegaan voor de op dat moment aanwezige ouder en/of verzorger.

Wat zijn de (voorlopige) medische bevindingen met betrekking tot [slachtoffer]?

Bij opname van [slachtoffer] op 19 januari 2011 in het Deventer ziekenhuis werden bij [slachtoffer] epileptische aanvallen geconstateerd. Hij is op 20 januari 2011 in verband met aanhoudende epileptische aanvallen overgeplaatst naar het UMCG. Uit onderzoek in het UMCG bleken een aantal afwijkende bevindingen ten grondslag te liggen aan de medische noodsituatie van [slachtoffer]. Er was sprake van bloedingen onder het harde hersenvlies (subdurale hematomen) in beide grote hersenhelften en beiderzijds langs de kleine hersenen alsmede zwelling en vochtophoping in de hersencellen (cytotoxisch hersenoedeem). Tevens werd bij herbeoordeling van de röntgenfoto van de borstkas van [slachtoffer] d.d. 20 januari 2011 asymmetrie van de derde t/m de zevende rib aan de linker achterzijde van de borstkas vastgesteld, passend bij genezende ribbreuken met enige botnieuwvorming (callusvorming).

(…)

Kunt u iets zeggen over het tijdstip waarop het letsel is ontstaan?

Het is vrijwel zeker dat een incident op 19 januari 2011 vlak vóór het ontstaan van de verschijnselen bij hem, tot de acute klinische noodsituatie heeft geleid zoals die bij [slachtoffer] is vastgesteld.

Citaat uit de forensisch-medische rapportage van 13 maart 2012, pagina 45, dossierpagina 298:

“De symptomen die bij [slachtoffer] op 19 januari 2011 aanleiding waren tot acuut medisch ingrijpen, zijn vóór circa 14.00 uur diezelfde dag door niemand gemeld. In de middag van 19 januari 2011 presenteren zijn ouders [slachtoffer] met alarmerende symptomen bij de Spoedeisende Hulp van het Deventer ziekenhuis.

Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat bij kinderen met hersenletsel als gevolg van een niet-accidentele oorzaak, de symptomen van hersenletsel, zoals bijvoorbeeld een bewustzijnsdaling, doorgaans direct aansluitend aan het incident ontstaan.

Het is derhalve vrijwel zeker dat een incident op 19 januari 2011 omstreeks 14.00 uur tot de acute klinische noodsituatie bij [slachtoffer] heeft geleid waarvoor onverwijld medisch ingrijpen noodzakelijk was” (einde citaat)

alsmede een citaat uit de forensisch-medische rapportage als voorlopige bevindingen d.d. 7 juli 2011 van L.L.B.M. van Duurling, forensisch arts KNMG, pagina 10, dossierpagina 253:

“De symptomen bij [slachtoffer], zoals die op 19 januari 2011 volgens moeder een half uur na de voeding van 13.30 uur acuut zouden zijn ontstaan, kunnen worden gekenmerkt als een klinische noodsituatie en bleken, na medisch onderzoek, te zijn veroorzaakt door ernstig hersenletsel. Uit de literatuur blijkt dat een dergelijke situatie in de meeste gevallen optreedt direct aansluitend aan het ontstaan van het hersenletsel.

Gezien het plotselinge optreden van ernstige symptomen bij [slachtoffer] op 19 januari 2011, een half uur na de voeding van 13.30 uur, terwijl bij [slachtoffer] eerder geen symptomen werden opgemerkt op basis waarvan acuut medisch ingrijpen noodzakelijk was, is het letsel bij hem hoogstwaarschijnlijk op 19 januari 2011 kort vóór " een half uur na de voeding van 13.30 uur" ontstaan” (einde citaat).

De genezende ribbreuken met enige botnieuwvorming bij [slachtoffer], zoals bij herbeoordeling van de röntgenopname van de borstkas van 20 januari 2011 zijn waargenomen, zijn mogelijk op verschillende momenten ontstaan, doch niet later dan omstreeks 10 januari 2011.

Kunt u iets zeggen over het tijdsverloop tussen het ontstaan van het letsel en het ontstaan van zichtbare verschijnselen?

Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat bij kinderen met hersenletsel als gevolg van een niet-accidentele oorzaak, de symptomen van hersenletsel, zoals bijvoorbeeld een bewustzijnsdaling, doorgaans direct aansluitend aan het incident ontstaan.

Het is derhalve vrijwel zeker dat een incident op 19 januari 2011 rond 14.00 uur tot de acute klinische noodsituatie bij [slachtoffer] heeft geleid waarvoor onverwijld medisch ingrijpen noodzakelijk was.

Datering van ribbreuken is niet betrouwbaar mogelijk. In de acute fase worden deze breuken gemakkelijk gemist bij röntgenonderzoek (X-thorax). In de regel treedt na 10-14 dagen botnieuwvorming (callus) op, waardoor de breuken beter zichtbaar worden. Het moment van het verdwijnen van deze botnieuwvorming is erg variabel en kan niet worden gebruikt voor datering. Aangezien er bij circa 80% van de jonge kinderen geen klachten en/of symptomen bestaan na een ribbreuk, wordt dit letsel vaak niet opgemerkt door een ouder en/of verzorger.

Is het letsel te verklaren door een medische oorzaak?

Het is uitgesloten dat de letsels bij [slachtoffer] op de leeftijd van ruim 6 weken (nog) een gevolg zijn van de geboorte. Zowel in het Deventer ziekenhuis als in het UMCG zijn geen aanwijzingen gevonden voor een onderliggende medische aandoening bij [slachtoffer] die een verklaring zou kunnen vormen voor de letsels bij [slachtoffer]. (…)

Is het letsel te verklaren door accidenteel handelen (bijvoorbeeld het niet (voldoende) ondersteunen van het hoofd)?

Gebruikelijke verzorgingshandelingen zullen niet leiden tot de beschreven letsels bij [slachtoffer], ook niet bij ongelukkige uitvoering van die verzorgingshandelingen.

Is het letsel te verklaren door niet-accidenteel handelen?

De combinatie van bevindingen bij [slachtoffer] is suspect voor toegebracht schedel-/hersenletsel (Abusive Head Trauma (AHT)), als gevolg van een acceleratie-deceleratietrauma”18.

Op grond van de inhoud van voorgaand deskundigenrapport en de door de getuige-deskundige, drs. S. de Vries daarop ter terechtzitting d.d. 26 november 2013 gegeven toelichting alsmede de voorlopige bevindingen van de forensisch-medische rapportage van 7 juli 2011 van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling en in aanmerking genomen het feit dat verdachte geen melding heeft gemaakt van een ongeluk dat [slachtoffer] is overkomen, is de rechtbank van oordeel dat het letsel bij [slachtoffer] is opgetreden ten gevolge van een schud- dan wel geweldsincident, in elk geval ten gevolge van een niet-accidentele oorzaak.

Ten aanzien van de datering van dit incident overweegt de rechtbank als volgt.

Ter terechtzitting van 26 november 2013 heeft verdachte ten aanzien van het moment van onwel worden van [slachtoffer] verklaard:19

Op 19 januari 2011 toen [slachtoffer] onwel werd was ik alleen met [slachtoffer] thuis. Mijn ex was een half uurtje de deur uit naar zijn werkgever (…). In dat half uurtje ben ik alleen met [slachtoffer] geweest. Toen ik [slachtoffer] verschoonde ging het mis. Hij hapte naar lucht, werd slap en kreeg verkrampte voeten.(…) Ik heb mijn ex gebeld maar die stond toen al voor de deur.

Voorgaande wordt door de ex-partner van verdachte, [vader], bevestigd. Hij heeft bij de politie verklaard:

“Op de dag dat [slachtoffer] naar het ziekenhuis werd vervoerd, was ik de deur net uit. Ik moest even naar mijn baas.(…) Ik was een half uurtje of zo bij mijn baas geweest. (…) Ik stond dus net voor de deur, toen Luca mij belde om te zeggen dat het niet goed ging met [slachtoffer]. Ik zei toen dat ik voor de deur stond en dat ze op kon hangen. (…) Toen viel me op dat [slachtoffer] geen lucht kreeg. Hij zat echt te happen naar lucht. Ik pakte [slachtoffer] toen op en zag toen dat hij helemaal in elkaar zakte, als een zak zand. Alles was slap. Hij was helemaal verslapt.20(…)

Het was een doodnormale dag 21(…)Vlak voordat ik de deur uitging, hooguit een paar minuten daarvoor, heb ik hem nog gezien. Volgens mij sliep hij en er was niets aan de hand22

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [vader] op 19 januari 2011 om 12:48 uur door zijn werkgever is gebeld23 en dat verdachte op 19 januari 2011 om 13:39 uur met [vader] heeft gebeld.24 Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] binnen voornoemd tijdsbestek van 51 minuten onwel is geworden en dat verdachte gedurende deze tijdsperiode alleen met [slachtoffer] in de woning aanwezig is geweest.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of het ernstige schud- of geweldsincident op 19 januari 2011 tussen 12:48 uur en 13:39 uur heeft plaatsgevonden en niet op enig moment daaraan voorafgaand. In dit kader overweegt de rechtbank allereerst dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] op 18 januari 2011 door een arts van het consultatiebureau is onderzocht en dat het op dat moment nog goed ging met [slachtoffer]. [slachtoffer] was volgens de arts alert, groeide beter en zijn gewicht nam toe25. Voorts heeft [vader] verklaard dat hij [slachtoffer] hooguit een paar minuten voordat hij de woning verliet heeft gezien en dat er toen nog niets met [slachtoffer] aan de hand was, het een doodnormale dag.26 Voorts heeft de rechtbank gelet op de inhoud van het eerdergenoemde rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2013 waarin onder meer staat vermeld:

Bij kinderen die hersenletsel hebben, is het mogelijk om bij benadering vast te stellen

wanneer het letsel ontstaan is. Dit geldt met name bij kinderen die ernstig (fataal of bijna-fataal) hersenletsel hebben. Onderzoek bij kinderen die overleden zijn ten gevolge van accidentele hoofdletsels laat zien dat kinderen met diffuus (verspreid) letsel direct na het

ontstaan van het letsel verschijnselen vertonen van een verminderd bewustzijn. Studies bij kinderen met niet-accidenteel letsel geven een vergelijkbaar beeld, namelijk dat er sprake is van direct ontstaan van symptomen aansluitend op het ontstaan van gemiddeld tot ernstig diffuus hersenletsel.27en “Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat bij kinderen met hersenletsel als gevolg van een niet-accidentele oorzaak, de symptomen van hersenletsel, zoals bijvoorbeeld een bewustzijnsdaling, doorgaans direct aansluitend aan het incident ontstaan.

Het is derhalve vrijwel zeker dat een incident op 19 januari 2011 omstreeks 14.00 uur tot de acute klinische noodsituatie bij [slachtoffer] heeft geleid waarvoor onverwijld medisch ingrijpen noodzakelijk was” (einde citaat).28

De rechtbank heeft in dit verband ook gelet op hetgeen in de forensisch-medische rapportage als voorlopige bevindingen d.d. 7 juli 2011 van L.L.B.M. van Duurling, forensisch arts KNMG, pagina 10, dossierpagina 253 is gerapporteerd:

“De symptomen bij [slachtoffer], zoals die op 19 januari 2011 volgens moeder een half uur na de voeding van 13.30 uur acuut zouden zijn ontstaan, kunnen worden gekenmerkt als een klinische noodsituatie en bleken, na medisch onderzoek, te zijn veroorzaakt door ernstig hersenletsel. Uit de literatuur blijkt dat een dergelijke situatie in de meeste gevallen optreedt direct aansluitend aan het ontstaan van het hersenletsel.

Gezien het plotselinge optreden van ernstige symptomen bij [slachtoffer] op 19 januari 2011, een half uur na de voeding van 13.30 uur, terwijl bij [slachtoffer] eerder geen symptomen werden opgemerkt op basis waarvan acuut medisch ingrijpen noodzakelijk was, is het letsel bij hem hoogstwaarschijnlijk op 19 januari 2011 kort vóór " een half uur na de voeding van 13.30 uur" ontstaan” (einde citaat).

Gelet op de inhoud van voornoemd rapport, zoals die hiervoor is weergegeven, gevoegd bij het feit dat [slachtoffer] voor 19 januari 2011 om 12:48 uur nog in goede conditie was, is de rechtbank van oordeel dat het buiten gerede twijfel is dat een schud- of geweldsincident ten gevolge waarvan [slachtoffer] hersenletsel heeft opgelopen op19 januari 2011 tussen 12:48 uur en 13:39 uur heeft plaatsgevonden en dat een eventueel eerder incident niet de oorzaak van de bij [slachtoffer] aan het hoofd aangetroffen letsels kan zijn geweest.

De rechtbank constateert vervolgens dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gedurende voornoemde tijdspanne waarin het schud- of geweldsincident blijkens de bewijsmiddelen moet hebben plaatsgevonden alleen met [slachtoffer] thuis is geweest.

Bij afwezigheid van een andere plausibele oorzaak voor het ontstaan van het letsel kan de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene tot geen andere conclusie komen dan dat het bij [slachtoffer] geconstateerde hersenletsel is ontstaan door het krachtig schudden dan wel krachtig geweld uitoefenen door verdachte.

De rechtbank verwerpt het bewijsverweer van de verdediging met betrekking tot mogelijke alternatieve scenario’s. Gelet op de datering van het moment van het ontstaan van de klinische verschijnselen en het feit dat niemand anders dan verdachte toen met [slachtoffer] in de woning was, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat andere personen dan verdachte, zoals bijvoorbeeld de vader of de oma’s van [slachtoffer] (ten aanzien van wie overigens ook op geen enkele wijze is gebleken is dat zij op genoemde datum en tijdstippen in de woning aanwezig waren), verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor het toegepaste geweld. Geen van de door de raadsvrouw geschetste alternatieve scenario’s (het boogspugen, een geboortetrauma of ongelukkig dan wel ondeskundig uitgevoerde verzorgingshandelingen) kunnen de bij [slachtoffer] aantroffen ernstige letsels verklaren zoals blijkt uit de hierboven weergegeven deskundigerapportages.

In dit kader overweegt de rechtbank voorts dat getuige-deskundige drs. S. de Vries ter terechtzitting heeft verklaard dat er voor het ontstaan van bloedingen onder het harde hersenvlies, zoals die bij [slachtoffer] zijn geconstateerd, grote krachten nodig zijn en dat dergelijke krachten niet door ongelukkig of ondeskundig uitgevoerde verzorgingshandelingen teweeg kunnen worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de kans dat het (heftig) schudden van een baby de dood veroorzaakt naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook aanvaard. Bepaalde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het heftig schudden van een baby dan wel het kracht uitoefenen op een baby zo een gedraging. De rechtbank ziet geen grond aan te nemen dat verdachte zich van die kans niet bewust is geweest, gelet op het feit dat zij bij de politie heeft verklaard dat zij van het ziekenhuis en de kraamverzorgster heeft geleerd hoe je een baby moet vasthouden en dat je het hoofdje moet ondersteunen29 en dat zij door het consultatiebureau is voorgelicht over hoe zij met een baby om moest gaan30. Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] niet willens en wetens heeft aanvaard wordt dan ook verworpen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

BEWEZENVERKLARING

Op basis van wettelijke bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij op 19 januari 2011 in de gemeente Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar kind [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2010) van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht/ hard heeft vastgepakt en vastgehouden en krachtig heeft geschud, althans krachtig geweld op die [slachtoffer] heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 376 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht om de geschorste voorlopige hechtenis op te heffen. Voorts heeft de raadsvrouw gewezen op de omstandigheid dat verdachte het op
16 oktober 2010 geëindigde reclasseringscontact nog een jaar op vrijwillige basis heeft voortgezet.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Door het handelen van verdachte heeft haar zoontje hersenletsel opgelopen en is hij in

ernstige toestand in het ziekenhuis opgenomen. Mogelijk is hij hierdoor blijvend beschadigd

in zijn ontwikkeling. Dergelijke feiten brengen, behalve in de naaste omgeving van het

gezin, ook in de maatschappij gevoelens van verontwaardiging en onrust teweeg.

De rechtbank sluit niet uit dat onmacht en frustratie tot op zekere hoogte een rol hebben

gespeeld bij het handelen van verdachte. Zo is gebleken dat verdachte een zware bevalling

heeft gehad, dat zij na de bevalling veel ziek is geweest en dat zij te kampen had met

financiële problemen. Bovendien had verdachte zorgen om haar zoontje. Aanvankelijk was

hij ondervoed waardoor hij veel huilde. Ook spuugde hij veel. Niet denkbeeldig is dat deze

omstandigheden van invloed zijn geweest op het handelen van verdachte.

Als strafverminderende factor weegt voorts mee dat verdachte haar leven sinds de

schorsing van de voorlopige hechtenis weer redelijk op orde lijkt te hebben. Daarnaast laat

de rechtbank meewegen dat verdachte zal moeten leren leven met de omstandigheid dat haar

zoontje thans niet meer bij haar maar in een pleeggezin verblijft ten gevolge van haar eigen

handelen, hetgeen op zichzelf genomen is te zien als een zeer zware last. De rechtbank zal

met al deze omstandigheden rekening houden.

Voorts heeft de rechtbank bij haar beslissing rekening gehouden met een uittreksel justitiële

documentatie d.d. 30 oktober 2013 waaruit blijkt dat verdachte, met uitzondering van een

veroordeling ter zake van een vermogensdelict en een verkeersdelict in 2007, geen relevante

strafrechtelijke documentatie heeft.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van

verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van de Pro Justitia rapportage d.d. 8

februari 2012. In deze rapportage heeft de deskundige drs. D. Beuker, forensisch psycholoog,

geschreven:

“Op basis van het onderhavige onderzoek bestaat bij betrokkene het vermoeden op een ge-

brekkige ontwikkeling van haar geestvermogens in de zin van een zich ontwikkelende

persoonlijkheidsstoornis met vooral borderline en mogelijk antisociale trekken. Door het

ontbreken van voldoende collaterale informatie ten tijde van het onderzoek en ook gezien de

nog jonge leeftijd van 22 jaar is een diagnose op de AS II uitgesteld.

Indien er sprake is van psychopathologie dan was dit ook aanwezig ten tijde van het tenlaste-

gelegde, indien bewezen31”.

Vanwege de ontkennende houding van verdachte en daarmee het ontbreken van zicht op het

mogelijke aandeel van verdachte daarin, kan de deskundige Beuker geen uitspraak doen over

de vraag of de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte haar

gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde. Over de

toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico kan Beuker daarom evenmin een betrouwbare

uitspraak doen.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de inhoud van de Pro Justitia rapportage

d.d. 6 februari 2012. In deze rapportage heeft de deskundige dr. L.H.W.M. Kaiser,

psychiater, geschreven:

“Betrokkene is niet lijdende aan een ziekelijke stoornis (…) Er zijn wel aanwijzingen voor

een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens maar het is onduidelijk of er sprake is

van borderline persoonlijkheidstrekken of een persoonlijkheidsstoornis.

In de periode van het ten laste gelegde waren er een aantal belastende omstandigheden. De

persoonlijkheid lijkt in die periode al deze kenmerken gehad te hebben.

Betrokkene ontkent het ten laste gelegde zodat er geen uitspraak gedaan kan worden over de

relatie tussen de persoonlijkheidsproblemen en het ten laste gelegde. Onderzoeker kan vanwege haar ontkenning geen uitspraak doen over haar toerekeningsvatbaarheid. De

diagnostiek is onduidelijk zoals weergegeven in de diagnostische overwegingen. Daarbij

speelt vooral een rol dat betrokkene geen openheid geeft32”.

De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering

Nederland d.d. 31 oktober 2013. In deze rapportage heeft reclasseringswerker D. Laansma

geschreven:

“Mevrouw [verdachte] (…) is vanaf 15 jarige leeftijd eerder met politie in aanraking geweest

(winkeldiefstal, schoolverzuim, rijden zonder rijbewijs, joyriding).

Bij een aantal leefgebieden was voorafgaand aan het delict problematiek aanwezig: financieel ( huurschuld), een slechte relatie met moeder. Daarentegen zijn de volgende leefgebieden stabiel te noemen: veel en intensieve contacten met familie en vrienden, een afgeronde opleiding, de aanwezigheid van een werkverleden en geen middelenproblematiek.

Het NIFP rapport wijst op persoonlijkheidsproblematiek met trekken van borderline en antisociaal gedrag. Eerder:" ... Vanuit de reclassering zien wij een jonge vrouw die de afgelopen jaren vooral bezig is geweest met overleven, zonder stil te staan bij mogelijke trauma's vanuit haar jeugd". Actueel: "Betrokkene kan zich nog ontwikkelen in sociaal-maatschappelijk opzicht. Verdere hulpverlening en stilstaan bij het verleden achten wij contraproductief”33.

Volgens de reclassering is verder reclasseringstoezicht daarnaast niet geïndiceerd omdat verdachte en haar toezichthouder in de periode van het schorsingsonderzoek reeds hard aan de problematiek hebben gewerkt. Omdat verdachte een ontkennende verdacht is, onthoudt de reclassering zich van advies.

Met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als

volgt. Pas op 3 oktober 2011, meer dan 8 maanden na het bewezenverklaarde feit, is

verdachte aangehouden. Op die datum is de redelijke termijn gaan lopen. Op 24 december

2013 wijst de rechtbank vonnis. Als uitgangspunt geldt dat het geding - behoudens

bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen - met een

einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is

gaan lopen. De zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 26 november 2013. Na

aanhouding is de zaak vervolgens op 11 december 2013 inhoudelijk behandeld.

Aldus wordt pas twee jaar en twee maanden na de aanhouding van verdachte vonnis

gewezen. Gebleken is echter dat een groot deel van deze overschrijding toe te schrijven is

aan de omstandigheid dat de verdediging in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek een

groot aantal onderzoeksvragen heeft gesteld die uiteindelijk in meerdere schriftelijke rondes

zijn beantwoord. Deze omstandigheden verklaren de lange duur van het onderzoek

voorafgaande aan de zitting. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om met de

termijnoverschrijding rekening te houden in de strafmaat.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank op grond van het

voorgaande oplegging van de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden.

De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf

voor de duur van de door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis

doorgebrachte periode opleggen. Daarnaast zal de rechtbank een forse voorwaardelijke

gevangenisstraf en een werkstraf voor de maximale duur opleggen.

Voor reclasseringstoezicht bestaat gelet op de inhoud van de rapportages geen aanleiding.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke

voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van

Strafrecht.

Beslissing

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 376 dagen.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 365 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan de verdachte op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uren, te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter, mrs. B.W.M. Hendriks en Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2013.

Mr. Y. Cenik voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, die behoren tot het opsporingsonderzoek van de politie IJsselland, Recherche Team Deventer Centrum, dossiernummer 2011 015232.

2 Dossierpagina 262, Forensisch-medische rapportage d.d. 13 maart 2012, opgesteld door S. de Vries, forensisch arts verbonden aan de Forensische Polikliniek Kindermishandeling.

3 Dossierpagina 125.

4 Dossierpagina 125.

5 Dossierpagina’s 14 en 308, historische verkeersgegevens.

6 Dossierpagina 103.

7 Dossierpagina 53 en 54.

8 Dossierpagina 13 en 309.

9 Dossierpagina 96.

10 Dossierpagina 265.

11 Dossierpagina 265.

12 Dossierpagina 267.

13 Dossierpagina 118.

14 Dossierpagina 117 e.v.

15 Uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelylstad, sector civielrecht d.d. 19 mei 2011, zaak/rolnr: 185320/JZ RK 11-351.

16 De door gezinsvoogd [naam 4] ter terechtzitting d.d. 26 november 2013 afgelegde verklaring.

17 Rapportage Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, pagina 49 e.v. Dossierpagina’s 302 e.v.

18 Dossierpagina’s 302 tot en met 304.

19 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 11 december 2013.

20 Dossierpagina 96.

21 Dossierpagina 102.

22 Dossierpagina 103.

23 Dossierpagina’s 014 en 308, historische verkeersgegevens.

24 Dossierpagina 0013 en 309.

25 Dossierpagina 125.

26 Dossierpagina 103.

27 Dossierpagina 297.

28 forensisch-medische rapportage van 13 maart 2012, pagina 45, dossierpagina 298

29 Dossierpagina 0055, vijfde alinea.

30 Dossierpagina 52, derde alinea.

31 Pagina 21 van genoemd rapport.

32 Pagina 15 van genoemd rapport.

33 Pagina 5 van genoemd rapport.