Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3505

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
2614574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst met vergoeding voor verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-1032
GZR-Updates.nl 2014-0024

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 2647547 EJ VERZ 7 107/13

Beschikking van de kantonrechter d.d. 23 december 2014 in de zaak van:

Stichting Carint-Reggeland Groep

statutair gevestigd te Hengelo (0)

verzoekster

hierna te noemen Carint

gemachtigde: mr. M.A.M. Oude Breuil

advocaat te Enschede

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verweerder

hierna te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. H. Dijks

advocaat te Enschede

Gezien het op 23 december 2013 ter griffie van dit gerecht binnengekomen verzoekschrift

strekkende tot ontbinding ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek van de tussen partijen

bestaande arbeidsovereenkomst.

Gezien het ingekomen verweerschrift en de overige op het geding betrekking hebbende stukken.

Gelet op hetgeen door en/of namens partijen is verklaard bij de mondelinge behandeling van het

verzoek op 23 december 2013.

Overweegt:

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met enig in de Wet

opgenomen opzegverbod. Dat is niet het geval.

Tussen partijen staat onweersproken vast dat [verweerder] sedert 15 augustus 2004 in dienst is van

Carint, laatsteljk in de functie van directeur tegen een salaris van € 9.293,77 bruto per maand,

exclusief emolumenten.

[verweerder] is geboren op [geboortedag] 1953.

Partijen zijn het er over eens dat hun arbeidsverhouding, door verschil van inzicht over de wijze

waarop de werkzaamheden door [verweerder] dienen te worden uitgevoerd, dermate is verstoord dat

verdere vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk is.

Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie, dat er sprake is van een

zodanige verandering van omstandigheden dat de dienstbetrekking billijkheidshalve behoort te

eindigen en wel met ingang van 1 maart 2014.

Omdat de opgetreden wijziging in de omstandigheden niet in overwegende mate aan [verweerder] kan

worden verweten, komt naar het oordeel van de kantonrechter [verweerder] een vergoeding toe. Carint

heeft in dat kader [verweerder] een ontbindingsvergoeding van € 120.000,00 aangeboden. [verweerder] is

daarentegen van mening aanspraak te kunnen maken op een bedrag van € 195.000,00.

Uit hoofde van de Wet Normering Topinkomens (WNT) is het tussen partijen niet toegestaan om

een hogere ontslagvergoeding over een te komen dan een jaarsalaris, met € 75.000,00 als

maximum. Blijkens het bepaalde in artikel 7:685 3W kan de kantonrechter in het geval van

inwilliging van het verzoek tot ontbinding een vergoeding toekennen indien dat de kantonrechter

met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Indien in de gegeven

omstandigheden de billijkheid klaarblijkelijk eist, dat een hogere vergoeding wordt toegekend

dan het in de WNT genoemde bedrag van € 75.000,00 dan staat de WNT daar naar het oordeel

van de kantonrechter niet aan in de weg.

De kantonrechter zal de ontbindingsvergoeding, alle omstandigheden in acht nemende, naar

billijkheid vaststellen op € 120.000 bruto. Nu dit bedrag overeenkomt met het aanbod van Carint,

kan toepassing van het bepaalde in het negende lid van artikel 7:685 3W achterwege blijven.

De kantonrechter acht termen aanwezig de kosten van deze procedure te compenseren.

Beschikt:

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 maart 2014.

Kent aan [verweerder] ten laste van Carint een vergoeding toe van € 120.000,00 bruto en veroordeelt

mitsdien Carint tot betaling van dit bedrag aan [verweerder].

Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. G.G. Vermeulen, kantonrechter en op 23 december 2013 in het openbaar

uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.