Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3381

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
Awb 13/2820
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Lstst tot sluiting coffeeshop in Deventer op grond van bibob-advies; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 125, geldigheid: 2013-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2820

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. Coffeeshop Maya,

wonende te Deventer, verzoekster,

gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn,

en

de burgemeester van Deventer,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.J. Thunissen, advocaat te Arnhem.

13/2820

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2013 heeft verweerder geweigerd om verzoekster een vergunning te verlenen voor de exploitatie van de openbare inrichting Coffeeshop Maya, aan de [adres]te Deventer. Verzoekster heeft daartegen bij brief van 9 december 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 december 2013 heeft verweerder verzoekster gelast om de exploitatie van de openbare inrichting op het perceel [adres]te Deventer uiterlijk op 16 december 2013, om 09.00 uur te sluiten en gesloten te houden, met dien verstande dat, indien de inrichting niet zelf gesloten wordt en gesloten wordt gehouden deze van gemeentewege op kosten van verzoekster zal worden gesloten. Verzoekster heeft daartegen bij brief van 9 december 2013 bezwaar gemaakt.

Op 11 december 2013 heeft verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting van 19 december 2013 behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kobossen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F.E. Stein, bijgestaan door mr. Thunissen.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Een spoedeisend belang wordt verzoekster niet ontzegd.

Verzoekster exploiteert een coffeeshop op het perceel [adres]te Deventer. Laatstelijk is bij besluit van 14 februari 2011 een exploitatievergunning ten behoeve van deze coffeeshop verleend. De geldigheid van deze vergunning is op 12 december 2012 verstreken. Verzoekster heeft vervolgens op 9 januari 2013 een nieuwe exploitatievergunning aangevraagd.

Verweerder heeft naar aanleiding van de door verzoekster gedane aanvraag advies ingewonnen bij het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LB). Het LB heeft onderzoek verricht en heeft op 13 november 2013 advies uitgebracht aan verweerder.

Verweerder heeft, naar aanleiding van het advies van het LB, bij het besluit van 6 december 2013 besloten de exploitatievergunning te weigeren.

Tevens heeft verweerder besloten verzoekster te gelasten de door haar geëxploiteerde coffeeshop op het perceel [adres]te Deventer uiterlijk op 16 december 2013 om 09.00 uur te sluiten en gesloten te houden, met dien verstande dat, indien de inrichting niet zelf gesloten wordt en gesloten wordt gehouden deze van gemeentewege op kosten van verzoekster zal worden gesloten.

Verweerder heeft bij brief van 11 december 2013 aangegeven dat hij bereid is om de begunstigingstermijn op te schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op dit verzoek. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat verzoekster, in geval van afwijzing van het verzoek, een zeer korte termijn zal worden geboden om zelf de inrichting te sluiten. Hierbij moet gedacht worden aan niet meer dan twee dagen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 2.28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van Deventer (hierna: APV) bepaalt dat het verboden is om zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

Vast staat dat verzoekster niet beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in deze bepaling. In zoverre handelt verzoekster dan ook reeds in strijd met dit verbod.

Verweerder is, ingevolge het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met artikel 5:21 van de Awb, bevoegd handhavend op te treden tegen deze overtreding.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de weigering om verzoekster een exploitatievergunning te verlenen niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder had zich in dit geval niet mogen baseren op het door het LB afgegeven bibob-advies. Het bibob-advies bevat allerlei aannames die onjuist zijn. Nu de weigering van de exploitatievergunning niet deugdelijk is gemotiveerd, kan niet worden volgehouden dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft eiseres verder geen stukken toegezonden, terwijl wel stukken zijn verstrekt aan de rechtbank. Verzoekster heeft onvoldoende gelegenheid gehad om een zienswijze in te dienen. Er is volgens verzoekster sprake van flagrante strijd met artikel 4:8 van de Awb.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder verzoekster voldoende gelegenheid heeft geboden om haar zienswijze naar voren te brengen. De geboden termijn hiervoor was onder de gegeven omstandigheden niet onredelijk kort. Verweerder was niet gehouden om in te stemmen met het niet gemotiveerde verzoek om meer tijd voor het indienen van een zienswijze.

Uit het bepaalde in artikel 28, derde lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob), voor zover hier van belang, volgt dat het bestuursorgaan de betrokkene een afschrift van het advies verschaft en hem daarbij schriftelijk wijst op zijn geheimhoudingsplicht. Verweerder geeft invulling aan deze bepaling door betrokkenen en hun advocaten zelf in de gelegenheid te stellen om een afschrift van het advies op te halen op het stadhuis, waarbij zij schriftelijk dienen te verklaren dat zij bekend zijn met de verplichting tot geheimhouding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bibob.

Uit de tekst van artikel 28, derde lid, van de Wet bibob kan, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet worden afgeleid dat verweerder verplicht was om het bibob-advies desgewenst per post aan de advocaat van verzoekster te doen toekomen. In dit verband is van belang dat de tekst van deze bepaling slechts spreekt over het ‘verschaffen’ van een afschrift van het advies en niet over het ‘toezenden’ van een dergelijk advies.

Eiseres en haar gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld het advies af te halen. De mogelijkheid daartoe is genoemd in het voornemen van 22 november 2013 betreffende de weigering de gevraagde vergunning te verlenen alsmede in een reactie van 29 november 2013. Eiseres heeft dat ook gedaan, zij het eerst op 12 december 2013.

De voorzieningenrechter is verder niet gebleken dat verzoekster niet voldoende de beschikking heeft gehad over op de zaak betrekking hebbende stukken. Met de eerdere vergunning, de door haarzelf ingediende aanvraag, de haar nadien toegezonden brieven en besluiten en het emailbericht was verzoekster immers reeds bekend. Zo staat vast dat de voornemens en de thans bestreden besluiten aan verzoekster zijn toegezonden en door haar zijn ontvangen. De voorzieningenrechter ziet ook in hetgeen hierover ter zitting nog is opgemerkt geen aanleiding het verzoek toe te wijzen.

De voorzieningenrechter overweegt voorts dat artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob bepaalt dat, voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van het door het LB opgestelde bibob-advies. Wel dient verweerder er zich van te vergewissen dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies die in het advies worden getrokken logisch volgen uit de door het LB vastgestelde feiten.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter biedt het bibob-advies voldoende grondslag voor het oordeel dat het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de

Wet bibob hier van toepassing is, gelet op het volgende.

De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster over een lange periode, te weten vanaf 2009, gehandeld heeft in strijd met haar fiscale verplichtingen en dat zij daarmee groot financieel voordeel heeft verkregen. De voorzieningenrechter benoemt in dit kader dat verzoekster gedurende meerdere jaren geen aangifte van inkomstenbelasting heeft gedaan. Er zijn meerdere ambtshalve aanslagen en boetes opgelegd en er is beslag gelegd. Uit boekenonderzoek door de Belastingdienst zijn diverse feitelijke onregelmatigheden geconstateerd.

Dat verzoekster inmiddels een betalingsregeling heeft getroffen met de Belastingdienst doet er niet aan af dat aannemelijk is dat verzoekster gedurende lange tijd in strijd met de Awr heeft gehandeld.

Verder komen strafrechtelijke antecedenten c.q. (vermoedelijke) strafbare feiten naar voren, in welk kader de voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen onder meer op de pagina’s 38 tot en met 41 en (op gedeelten van) de pagina’s 92 tot en met 94 van het bibob-advies is opgenomen. Dat, zoals door verzoekster betoogt, sinds twee antecedenten geruime tijd is verstreken is niet van doorslaggevende betekenis, mede nu op 14 mei 2013 nog een proces-verbaal is opgemaakt, waarvoor kortheidshalve wordt verwezen naar pagina 43 van het bibob-advies.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze in het bibob-advies genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, reeds voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de

Wet bibob hier van toepassing is.

De voorzieningenrechter acht het mede daarom thans niet aangewezen een voorlopig oordeel uit te spreken over het vermeende zakelijke samenwerkingsverband met [naam 2].

Verweerder heeft zich er, voor zover hier van belang, in voldoende mate van vergewist dat het bibob-advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de daarin genoemde feiten en omstandigheden de conclusies kunnen dragen. Ter zitting is in dit verband nog namens verweerder opgemerkt dat ook het Regionaal Inlichtingen en Expertisecentrum (RIEC) door verweerder is geraadpleegd.

Voldoende aannemelijk is gemaakt dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt voor de doeleinden als omschreven in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet bibob.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet hierop, in redelijkheid kunnen weigeren de door verzoekster aangevraagde exploitatievergunning te verlenen. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die thans voorliggen is kan niet worden geoordeeld dat sprake is van onevenredigheid tussen de belangen die zijn gediend met de weigering van de vergunning en de nadelige gevolgen daarvan voor verzoekster.

De voorzieningenrechter is gelet hierop voorts van oordeel dat aannemelijk is dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding van het bepaalde in artikel 2.28, eerste lid, van de APV. Evenmin is gebleken van andere bijzondere omstandigheden die aan handhavend optreden in de weg behoren te staan. Verweerder heeft onder deze omstandigheden in redelijkheid kunnen besluiten handhavend op te treden tegen de door verzoekster geëxploiteerde coffeeshop aan de [adres]te Deventer. Dat de sluiting gevolgen heeft voor de werkgelegenheid van de zeven werknemers van coffeeshop Maya en dat verzoekster deze coffeeshop als haar levenswerk beschouwt weegt niet op tegen de belangen die zijn gemoeid met de handhaving van de wettelijke voorschriften. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzieningenrechter, en door haar ondertekend. De griffier is buiten staat te tekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2013.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.