Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3377

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
C/08/147920 / KG ZA 13-422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kort gedingrechter oordeelt dat oud-medewerkers van de christelijke leefgemeenschap De Terebint hun uitlatingen niet hoeven te rectificeren en legt hen geen spreekverbod op. De vorderingen tot schadevergoedingen van ruim €100.000 en €90.000 euro wijst de rechter af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-1010

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/147920 / KG ZA 13-422

Vonnis in kort geding van 20 december 2013

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING DE TEREBINT,

gevestigd te Punthorst,

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

advocaat mr. G.S. de Haas te Raamsdonksveer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.G.J. Hendriksen te Zwolle.

Eiseressen zullen hierna tezamen als De Terebint c.s., dan wel ieder afzonderlijk als De Terebint en [eiseres] worden aangeduid, terwijl gedaagde [gedaagde] zal worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de producties van de zijde van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van De Terebint c.s.

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Terebint is een christelijke leefgemeenschap, die hulp biedt aan mensen met persoonlijke kwesties en levensproblemen. [eiseres] is sinds jaar en dag bestuurder van De Terebint.

2.2.

[gedaagde] is van 2009-2012 pleegouder geweest in gezinshuis “De Loot”, dat onderdeel uitmaakt van De Terebint en waar pleegkinderen werden opgenomen. In dat verband heeft in dezelfde periode tussen De Terebint en [gedaagde] een arbeidsrelatie bestaan.

2.3.

[gedaagde] heeft zijn medewerking verleend aan een reportage van het EO-programma “De Vijfde Dag” (hierna: De Vijfde Dag). Deze reportage is op 10 juli 2013 uitgezonden. Naast [gedaagde] zijn zeven andere oud-bewoners dan wel oud medewerkers aan het woord geweest.

2.4.

De gemachtigde van De Terebint heeft bij brief van 17 juli 2013 [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van de uitlatingen van [gedaagde] in de uitzending van De Vijfde Dag. Tevens is [gedaagde] gesommeerd per omgaande te stoppen met de aantijgingen.

3 Het geschil

3.1.

De Terebint c.s. vordert – uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te verbieden zich op smadelijke, lasterlijke dan wel beledigende wijze uit te laten over De Terebint c.s., hetzij in woord, hetzij in geschrift, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere keer dat hij in strijd met dit verbod handelt;

  2. [gedaagde] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot openbaarmaking van de volgende rectificatie te richten aan diverse media, waaronder de Evangelische Omroep en De Stentor:

“De heer [gedaagde] herroept hierbij alle aan het adres van Stichting de Terebint gedane negatieve uitlatingen ter zake de reputatie en integriteit van de stichting in het algemeen en van mevrouw [eiseres] in het bijzonder, alsmede ter zake de kwaliteit van de onder Stichting de Terebint geleverde diensten;”
althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter vast te stellen rectificatie, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag, of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft hieraan te voldoen;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan De Terebint van een voorschot ter hoogte van € 75.000,- op nader vast te stellen schadevergoeding wegens geleden en nog te lijden materiële schade, dan wel een in goede justitie vast te stellen schadevergoeding;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een voorschot ter hoogte van € 15.000,- op nader vast te stellen schadevergoeding wegens geleden en nog te lijden immateriële schade, dan wel een in goede justitie vast te stellen schadevergoeding;

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.675,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

[gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van het salaris van advocaat van De Terebint c.s., alsook de eventuele afwikkelingskosten welke door de deurwaarder aan De Terebint c.s. worden berekend, indien deze met de executie van het vonnis wordt belast.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van De Terebint c.s. zien enerzijds op een verbod tot het doen van uitlatingen en op een rectificatie (de vorderingen sub a en b) en anderzijds op een schadevergoeding uit onrechtmatige daad dan wel vanwege overtreding van het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst (de vorderingen sub c en d).

De vorderingen sub a en b

4.2.

Nog daargelaten dat het zeer de vraag is of De Terebint c.s. een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen sub a en b, gelet op het feit dat [gedaagde] zich na de brief van de zijde van De Terebint van 17 juli 2013 heeft gehouden aan de daarin opgenomen sommatie en hij niet meer de openbaarheid heeft gezocht, terwijl De Terebint c.s. niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zij na vier en een halve maand stilzitten en zonder nadere mededeling aan [gedaagde] dit kort geding is gestart, is de voorzieningenrechter van oordeel dat op grond van het hiernavolgende de vorderingen sub a en b dienen te worden afgewezen.

4.3.

De Terebint c.s. heeft haar vorderingen sub a en b gegrond op onrechtmatige daad. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en/of laster jegens haar nu hij De Terebint c.s. heeft geschandaliseerd door haar in het openbaar van feiten te beschuldigen zonder dat kan worden aangenomen dat deze feiten waar zijn. Het betreft volgens De Terebint c.s. de volgende uitlatingen in De Vijfde Dag:

“De laatste jaren zijn echt een hel geweest.”

“Al vriest het 15 graden buiten, dan moeten ze alsnog met het hout aan de gang. Dan komt de regen met bakken uit de lucht. Als de bouw niet meer werkt, moeten zij nog buiten doorwerken. Dat is geen therapie meer.”

Nadat [gedaagde] een preek van [betrokkene] (wijlen de echtgenoot van [eiseres]) heeft terug gehoord: “Ja apart, dat je z’n stem weer hoort. Maar goed, wat hij dan zegt, dan denk ik van ja… het gaat allemaal om hemzelf. Het gaat niet om samen, het gaat om hen.”

“Afhankelijk maken, dat is hun doel, helemaal afhankelijk maken van hen, zodat je niet meer weg kan.”

“Ze moet haar verantwoordelijkheden maar eens nemen in deze situatie en dat laat ze afweten.”

Interviewer vraagt wat die verantwoordelijkheden zouden zijn. [gedaagde]: “Laat haar maar eens openlijk haar excuses gaan aanbieden voor wat ze gedaan heeft, wat er allemaal gebeurd is. Dan preken ze zo veel en ze zijn zo veel met het geloof bezig, dan denk ik laat dan ook eens zien dat je gelovig bent. Ze zeggen dan wel het recht zal zege vieren, nou dan hoop ik echt dat het recht nu gaat zege vieren.”

Er is sprake van het opzettelijk aantasten van de eer en goede naam van De Terebint c.s. door verspreiding van onjuistheden via de media. Doordat de uitingen in een hoogstaand programma zijn gedaan, zal de gemiddelde kijker deze als betrouwbaar zien, aldus De Terebint c.s..

4.4.

In deze zaak gaat het om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van [gedaagde] het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van De Terebint c.s. het recht op eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.11 van het Paroolarrest (HR 6 januari 1995, NJ 1995, 422) heeft geoordeeld, komt bij deze afweging niet in beginsel voorrang toe aan het door art. 7 Grondwet en art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Dit brengt mee dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden wordt bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in art. 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van de afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van art. 10 EVRM (zie HR 18 januari 2008, NJ 2008, 274).

4.5.

Bij de afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval kunnen de door de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 1983, NJ 1984, 801 geformuleerde criteria tot uitgangspunt dienen (zoals bevestigd in HR 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1031), te weten (a) de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, (b) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, (c) de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, (d) de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c bedoelde factoren, (e) de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden, en (f) een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van onrechtmatige gedragingen van [gedaagde]. De Terebint c.s. heeft gesteld dat [gedaagde] “grove verwoordingen” heeft gebruikt, “schokkende insinuaties” heeft gedaan die “op leugens berusten”, dat [gedaagde] De Terebint c.s. heeft “geschandaliseerd” en dat hij niet door kan gaan met “zijn lastercampagne”. Dit zijn zware termen voor de uitlatingen zoals hiervoor onder 4.3. opgenomen, die, in de woorden van [gedaagde], hooguit als kritisch zijn aan te merken. Het had dan ook op de weg van De Terebint c.s. gelegen om haar stellingen op dit punt voldoende aannemelijk te maken.

4.7.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zijn medewerking aan De Vijfde Dag niet gericht is geweest op het zwart maken van De Terebint c.s.. Dat [gedaagde] niet op lichtvaardige wijze zijn verhaal heeft gedaan, blijkt uit de keuze van het programma waar hij aan heeft meegewerkt; immers door De Terebint c.s. wordt De Vijfde Dag aangeduid als een “hoogstaand programma”. [gedaagde] heeft in het programma zijn eigen mening, ervaringen en waarnemingen geuit. De daarbij door hem gebruikte woordkeuze is niet van dien aard dat dit als beledigend kan worden opgevat. Daarbij komt dat De Terebint c.s. geen gebruik heeft gemaakt van de door De Vijfde Dag diverse malen aangeboden gelegenheid te reageren op de door [gedaagde] gemaakte opmerkingen. Als er sprake zou zijn van aantasting van eer en goede naam, zoals De Terebint c.s. heeft aangevoerd, had het op haar weg gelegen de aantijgingen van [gedaagde] in het programma tegen te spreken. Overigens is de recente media-aandacht voor De Terebint c.s. niet het gevolg van handelingen van [gedaagde] maar van De Terebint c.s. zelf, aangezien zij, nadat zij in eerste instantie alle media heeft afgehouden, sinds september ervoor heeft gekozen zelf de openbaarheid te zoeken. Verder kan [gedaagde] uiteraard niet aansprakelijk worden gehouden voor uitspraken door derden in De Vijfde Dag of in de krant. Dat [gedaagde] nauw betrokken zou zijn bij de recente media-aandacht dan wel daarbij een centrale initiërende rol zou spelen, is door De Terebint c.s. niet (nader) onderbouwd.

4.8.

De Terebint c.s. heeft verder naar voren gebracht dat drie onafhankelijke instanties (te weten het openbaar ministerie, de inspectie voor gezondheidszorg en het zorgkantoor) ieder voor zich onderzoek hebben gedaan naar De Terebint en dat zij geen enkele reden zien voor ingrijpen c.q. vervolging c.q. financiële maatregelen. Dit zijn objectieve feiten die tegenover de subjectieve verdachtmakingen van [gedaagde] staan, aldus De Terebint c.s.. Voorzover aan de uitlatingen van deze drie instanties al de waarde kan worden gehecht zoals door De Terebint c.s. is gedaan, zijn deze uitlatingen, die kennelijk na juli 2013 zijn gedaan, niet van belang voor de vraag of er sprake is van onrechtmatige uitingen van [gedaagde]. Immers, daarvoor dient beoordeeld te worden de mate waarin de verdenkingen ten tijde van de publicatie – oftewel in juli 2013 – steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal. Anders dan De Terebint c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitlatingen van [gedaagde] in juli 2013 steun vonden in een zevental verklaringen van anderen.

4.9.

De Terebint c.s. heeft nog aangevoerd dat [gedaagde] doorgaat met zijn lastercampagne aangezien De Terebint c.s. is gebleken dat er op 2 november 2013 een samenkomst is geweest van de personen die hebben meegewerkt aan De Vijfde Dag. Het doel van deze samenkomst zou zijn geweest om gezamenlijk een Facebookpagina voor slachtoffers van de Terebint te starten. [gedaagde] heeft ter zitting uitdrukkelijk ontkend dat hij bij de samenkomst aanwezig is geweest. De Terebint c.s. heeft de aanwezigheid van [gedaagde] bij de samenkomst, zo dit al onrechtmatig zou zijn, niet voldoende aannemelijk gemaakt.

4.10.

De vorderingen sub a en b liggen dan ook voor afwijzing gereed.

De vorderingen sub c en d

4.11.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.12.

De Terebint c.s. heeft de vorderingen sub c en d kennelijk gegrond op aansprakelijkheid uit zowel onrechtmatige daad als overtreding van het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst.

4.13.

De gevorderde schadevergoeding vanwege aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is vanwege het ontbreken van onrechtmatigheid aan de zijde van [gedaagde], zoals hiervoor onder 4.2.-4.9. overwogen, niet toewijsbaar.

4.14.

Voor zover schadevergoeding wordt gevorderd uit hoofde van overtreding van het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst wordt het volgende overwogen. Door De Terebint is een arbeidsovereenkomst overgelegd die niet is ondertekend. Volgens [gedaagde] is deze arbeidsovereenkomst nooit door hem ondertekend, aangezien hij het niet eens was met de gang van zaken op De Loot en met de inhoud van deze overeenkomst. De Terebint heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er tussen haar en [gedaagde] een geheimhoudingsbeding is overeengekomen. De stellingen van De Terebint dat het geheimhoudingsbeding toch geldt omdat [gedaagde] daartegen niet geprotesteerd heeft dan wel omdat [gedaagde] naar het beding gehandeld heeft, zijn onbegrijpelijk.

4.15.

Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van overtreding van het geheimhoudingsbeding zodat de vordering uit schadevergoeding zal worden afgewezen.

4.16.

Nu de vorderingen sub a, b, c en d worden afgewezen, deelt het sub e gevorderde hetzelfde lot.

4.17.

Hetgeen De Terebint c.s. naar voren heeft gebracht over het vermeende niet naleven door [gedaagde] van twee tussen De Terebint en [gedaagde] gesloten vaststellingsovereenkomsten kan buiten beschouwing blijven nu De Terebint c.s. daaraan geen gevolgen heeft verbonden.

4.18.

De Terebint c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht €  842,00

- salaris advocaat 1.788,00

Totaal €  2.630,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt De Terebint c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.630,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.