Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3373

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
Awb 13/2582
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor veranderen/vergroten van woonhuis in Hengelo; geen strijd met bepalingen rondom erfgrens en bouwdiepte; definitie aaneengeschakelde woning als woning waarvan de muren via het hoofdgebouw dan wel via een- en uitbouw (deels) aan een andere woning grenzen; afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10, geldigheid: 2013-12-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2582

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te Hengelo, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo,

gevestigd te Hengelo, verweerder,

en

[naam]

wonende te Hengelo, derde-belanghebbende.

13/2582

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft verweerder derde-belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen/vergroten van zijn woonhuis.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt op 3 november 2013.

Op 12 november 2013 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat derde-belanghebbende een bouwstop wordt opgelegd tot dat op het bezwaar is beslist.

Het verzoek is ter zitting van 4 december 2013 behandeld. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

P. Drent. Derde-belanghebbende is niet verschenen.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.

Tot het treffen van een voorziening bestaat in het algemeen slechts aanleiding indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat voor degene die om een voorlopige voorziening verzoekt het uit het bestreden besluit voortkomend nadeel zonder die voorziening onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat de verzoeker zonder onevenredig nadeel een beslissing in de hoofdzaak (in het onderhavige geval de beslissing op bezwaar) kan afwachten, dan dient het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de voorzieningenrechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat van de laatste situatie geen sprake is en verzoeker een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet kan worden ontzegd. Het onderwerp van geschil betreft immers een bouwplan dat wordt gerealiseerd aan de pal naast die van eiser gelegen woning, waarvan de bouwwerkzaamheden reeds een aanvang hebben genomen.

3.

Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser woont op het adres [adres 1] Hengelo. Op 20 augustus 2013 heeft derde-belanghebbende verweerder verzocht hem een omgevingsvergunning te verlenen voor de uitbreiding van zijn woning op het adres [adres 2] Hengelo. Bij beide woningen zijn tot op de perceelgrens reeds aan- dan wel bijgebouwen gerealiseerd, die zodanig zijn gebouwd dat tussen de woningen geen ruimte meer bestaat. Dezelfde situatie bestaat tussen verzoekers woning en de woning [adres 3]te Hengelo.

Het bouwplan van de woning [adres 1] betreft het naar achteren verplaatsen van de achtergevel van het hoofdgebouw, over de volle hoogte van de woning (vanaf de begane grond tot aan de nok), waarbij uitsluitend de diepte van het hoofdgebouw wordt vergroot van 8 naar 11,3 m. De breedte en de hoogte van het hoofdgebouw, evenals de plaatsing en de bouwwijze van de aan- dan wel bijgebouwen tussen de woningen, wijzigen niet.

4.

In dit geschil dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening. Het antwoord op die vraag is in belangrijke mate afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of de gronden die verzoeker aanvoert er naar verwachting toe zouden moeten leiden dat het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak al dan niet voor vernietiging in aanmerking zou komen.

Verzoeker kan zich met het verlenen van de omgevingsvergunning niet verenigen en vordert daarom de bouwwerkzaamheden – in afwachting van verweerders beslissing op zijn bezwaar – stil te (doen) leggen. Gelet op hetgeen verzoeker daartoe heeft aangevoerd oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

4.1

Verzoeker stelt in de eerste plaats dat de bouwwerkzaamheden moeten worden stilgelegd, omdat hij eerder ook al de uitbreiding van de woning aan de [adres 3]en twee illegaal geplaatste doorzichtige uitzetbare ramen in de woning [adres 2] heeft moeten tolereren. Voorts stelt hij dat de uitbreiding die hij thans weer zou moeten toestaan leidt tot een ongewenste situatie, waarin kamerverhuur en doorverkoop gemakkelijk mogelijk worden gemaakt.

De voorzieningenrechter oordeelt ten aanzien hiervan dat hetgeen verzoeker heeft gesteld niet tot de omvang van de rechterlijke beoordelingsruimte kan worden gerekend. Die ruimte strekt niet verder dan de beslissing die in de onderhavige procedure voorligt. In de eerste plaats wordt die ruimte begrensd door inhoud van dat besluit. Nu dat besluit niet ziet op andere bouwplannen dan de uitbreiding van de woning [adres 1]vallen andere – legale of illegale – bouwactiviteiten daar als gevolg buiten. Voorts beperkt die beoordelingsruimte zich tot het moment waarop het bestreden besluit is genomen. Latere – onzekere – gebeurtenissen vallen daar als gevolg derhalve eveneens buiten. De voorzieningenrechter laat die gronden dan ook buiten beoordeling.

4.2

Verzoeker stelt voorts, dat de vergroting van derde-belanghebbendes woning in strijd is met het bestemmingsplan, omdat deze wordt gerealiseerd binnen twee meter vanaf de erfgrens, terwijl er geen sprake is van twee aaneengeschakelde woningen. Ten aanzien hiervan oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

Voort het adres [adres 2]te Hengelo geldt het bestemmingsplan “Vooroorlogse wijken” (verder: het bestemmingsplan) van de gemeente Hengelo. Ter plaatse van dat adres geldt, gelet op de plankaart behorende bij het bestemmingsplan, de bestemming “Woondoeleinden”. Gronden met die bestemming zijn ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a van het bestemmingsplan bestemd voor woonhuizen.

Erfgrens

In artikel 3.2.1, aanhef en onder g van het bestemmingsplan is bepaald, dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2 meter dient te bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder dan 2 meter bedraagt.

Anders dan verzoeker acht de voorzieningenrechter het bouwplan niet met die bepaling in strijd. Uit de bouwtekeningen die onlosmakelijk onderdeel vormen van de verleende omgevingsvergunning leidt de voorzieningenrechter af, dat de afstand van de zijmuur van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens ter plaatse waar de uitbreiding is voorzien 1,1 meter bedraagt. Dat deze binnen twee meter vanaf de perceelsgrens staat is weliswaar juist, maar die afstand is na verbouwing niet anders dan de voorheen reeds bestaande afstand en mitsdien niet in strijd met de planvoorschriften.

Bouwdiepte

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder d van het bestemmingsplan geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen de bepaling, dat de diepte ten hoogste 11 meter mag bedragen.

Niet in geschil is, dat het bouwplan met dit voorschrift in strijd is. De diepte van het hoofdgebouw is na realisering van het bouwplan immers 11,3 meter.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met – onder meer – het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a ten tweede van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Op de grond van artikel 4, eerste lid aanhef en onder a van het Besluit omgevingsrecht (verder: Bor) komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom. Onder een bijbehorend bouwwerk wordt ingevolge artikel 1 van het Bor verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan overeenkomt met de criteria zoals gesteld in de hiervoor genoemde voorschriften. Verweerder heeft dan ook terecht gemeend bevoegd te zijn tot het verlenen van de omgevingsvergunning.

Bij het hanteren van die bevoegdheid heeft verweerder zich gebaseerd op zijn daartoe vastgestelde beleid: de Beleidsregels afwijkingsmogelijkheden bestemmingsplan (verder: de beleidsregels). De voorzieningenrechter acht dit beleid niet in strijd met een redelijke beleidsbepaling.

Uit hoofde van de Beleidsregels heeft verweerder de woningen op het adres Oude Postweg 128, 130 en 132 aangemerkt als drie aaneengeschakelde woningen.

In artikel 3.2 onder 3.2.1, zevende lid, aanhef en onder f van de beleidsregels is ten aanzien daarvan bepaald, dat een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan voor een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom kan worden verleend voor een (deel van een) bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied met een bouwhoogte hoger dan 5 meter dat voldoet aan het volgende kenmerk:

de bouwdiepte bij:

- meer dan twee aaneengeschakelde woningen is niet dieper dan de in het bestemmingsplan vastgestelde hoofdbouwdiepte, met dien verstande dat deze diepte bij percelen groter dan 200m2 mag worden uitgebreid met maximaal 1 meter mits:

 het achtererfgebied niet meer dan 50% bebouwd wordt;

 de afstand van de uitbreiding tot de achtererfgrens minimaal 5 meter bedraagt.

De voorzieningenrechter stelt vast, dat verweerder voor het hanteren van de onderhavige afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan noch in de beleidsregels heeft gedefinieerd wat onder het begrip “Aaneengeschakelde woning” dient te worden begrepen. Het antwoord op de vraag wat daaronder moet worden verstaan is dan ook in de voorschriften niet te vinden, zodat aansluiting moet worden gezocht bij wat daarmee naar algemeen maatschappelijk gebruik wordt bedoeld.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sluit de wijze waarop verweerder dit begrip heeft geduid en ter zitting heeft toegelicht daarbij aan, namelijk: een aaneengeschakelde woning is een woning waarvan de muren via het hoofdgebouw dan wel via een aan- of uitbouw (deels) aan een andere woning grenzen. Die omschrijving komt overeen met de situatie van de woningen [adres 4], zodat in het onderhavige geval sprake is van “meer dan twee aaneengeschakelde woningen” waarvoor de Beleidsregels afwijking van het bestemmingsplan toestaan.

Indien het begrip “Aaneengeschakelde woning” anders dient te worden gedefinieerd, dan is het aan verweerder om dat in zijn beleidsregels neer te leggen, hetgeen niet is gebeurd.

Nu de overschrijving van de bouwdiepte van derde-belanghebbendes bouwplan binnen de in de Beleidsregels gestelde grens van de afwijkingsbevoegdheid blijft en niet gebleken is dat de overige voorschriften worden aangetast, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder zich hierop bij het verlenen van de omgevingsvergunning mocht baseren.

4.3

Dit ligt evenwel anders, ingeval de gevolgen van verweerders beleid voor verzoeker wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht is immers bepaald dat het bestuursorgaan uitsluitend handelt overeenkomstig de beleidsregel als van een zodanige onevenredigheid geen sprake is.

In dit verband dient te worden beoordeeld of verzoekers stellingen, dat de verplaatsing van de achtergevel van derde-belanghebbendes woonhuis leidt tot:

  • -

    op verzoekers erf uitwaaierende en neerdalende rookgassen die het uitzicht vanuit zijn woonkamer belemmeren en

  • -

    zonlicht op zijn erf in de middag zal blokkeren,

als een zodanige onevenredigheid moet worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Daartoe laat de voorzieningenrechter wegen, dat de schoorsteen hier in geding niet behoort tot hetgeen bij de onderhavige omgevingsvergunning is vergund. De schoorsteen stond immers al op dat gedeelte van derde-belanghebbendes aanbouw dat geen wijziging ondervindt. Deze is als zodanig ook niet op de tekeningen bij de bouwaanvraag ingetekend. De vermeende gevolgen van de rookgassen uit deze schoorsteen behoren dan ook niet tot verweerders afwegingskader in deze. Niet valt dan ook in te zien dat die situatie dient te worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Ten aanzien van het mogelijk blokkeren van zonlicht overweegt de voorzieningenrechter dat het afwegingskader zich beperkt tot het gedeelte waarvoor de onderhavige omgevingsvergunning is verleend, zijnde de afwijking van de planvoorschriften met 0,3 meter. De voorzieningenrechter acht de invloed van een dergelijk kleine afwijking op het zonlicht niet zodanig groot dat deze dient te worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

4.4

Uit het vorenstaande volgt, dat de gronden die verzoeker aanvoert er naar verwachting niet toe zullen leiden dat het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak voor vernietiging in aanmerking zal komen. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

5.

Het verzoek wordt daarom afgewezen.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, en door hem en R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.