Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3369

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
Awb 13/1279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering schadevergoeding vanwege gesteld nalaten handhavend op te treden tegen overtredingen door vuurwerkimporteurs van de voorschriften voor CE-markering; bezwaar wordt door rechtbank alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2013-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: ZWO 13/1279 BELEI

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Dream Fireworks Entertainment B.V.,

gevestigd te Enschede, eiseres,

gemachtigde: mr. R.G. Meester,

en

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder.


Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2012 heeft verweerder het door eiseres bij brief van 6 augustus 2012 ingediende verzoek om vergoeding van de schade welke zij stelt te hebben geleden vanwege het nalaten van verweerder om handhavend op te treden tegen overtredingen door vuurwerkimporteurs van de voorschriften voor CE-markering bij vuurwerk, afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 26 april 2013 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 8 november 2013 behandeld. Eiseres is verschenen in de personen van F. Pen en J. Pen, bijgestaan door mr. H. de Vries, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mearadji, juridisch adviseur en A. van Dop, R. de Groot en P. de Boer, allen inspecteur.

Overwegingen

1.

In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren van

eiseres tegen de beslissing haar geen schadevergoeding toe te kennen ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kan blijven.

2.

De rechtbank stelt de volgende feiten vast. Bij brieven van 16 en 22 december 2011 heeft eiseres verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen vuurwerk-groothandelaren die vuurwerk met onjuiste CE-markering voorradig hadden en verkochten.

Op 9 februari 2012 heeft verweerder aangegeven dat hij in een op 20 december 2011 aan de vuurwerkimporteurs verzonden brief heeft aangekondigd dat het vuurwerk vanaf 1 januari 2012 daadwerkelijk van een deugdelijke CE-markering moet zijn voorzien. Tevens is daarbij aangekondigd dat binnenkort een vooraankondiging last onder dwangsom zal worden verzonden aan vuurwerkimporteurs die vanaf 1 januari 2012 vuurwerk van na 4 juli 2010 zonder deugdelijke CE-markering op de mark hebben gebracht of brengen.

Bij brief van 7 juni 2012 heeft eiseres vervolgens bij verweerder in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur een verzoek ingediend om hem betreffende maximaal 5 zaken kopieën van definitieve aan vuurwerkhandelaren verzonden handhavingsbeschikkingen (dus niet de vooraankondigingen) met betrekking tot de ondeugdelijke CE-markering, te doen toekomen. Tevens heeft eiseres verzocht kenbaar te maken in hoeveel gevallen er daadwerkelijk tot handhaving (verbeuring en inning van dwangsommen) is over gegaan.

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat de vooraankondigingen nog niet in een definitieve last onder dwangsom waren omgezet. Tevens heeft verweerder eiseres bij brief van 15 juni 2012 geïnformeerd omtrent de door hem verzonden vooraankondigingen en het naar aanleiding van ingebrachte zienswijzen en contact met de vuurwerkbrancheorganisatie BPN, gewijzigde handhavingsbeleid op dit punt. Kort weergegeven wordt vanaf 1 januari 2012 gehandhaafd op import van vuurwerk dat na

4 juli 2010 voor het eerst in de handel is gebracht en zal vanaf 1 januari 2013 op het overige vuurwerk worden gehandhaafd. Bij brief van 12 juli 2012 heeft verweerder het handhavingsbeleid verder bijgesteld en genuanceerd.

Bij brief -met bijlagen- van 6 augustus 2012 heeft eiseres verweerder verzocht om een schadebesluit vanwege de door haar geleden schade ten gevolge van verweerders nalaten om handhavend op te treden tegen overtredingen door vuurwerkimporteurs van de voorschriften voor CE-markering bij vuurwerk. Eiseres stelt schade te hebben geleden door:

- een geannuleerde order naar China, begroot op € 151.248,75;

- afschrijving van een onverkoopbare aanwezige voorraad, begroot op € 171.493,76;

- de overstap van klanten naar importeurs die zonder geldige CE-markering verkopen, begroot op € 293.225,00;

- het wegvallen van miljoenen aan orders die eiseres zou ontvangen indien daadwerkelijk zou zijn geconstateerd dat de concurrentie wegviel omdat eiseres als enige vuurwerkimporteur voldeed aan alle benodigde keuringen en bijbehorende batchtesten.

Bij brief van 18 oktober 2012 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een schadebesluit.

Bij besluit van 12 december 2012 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Na het daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder zijn besluit bij het thans bestreden besluit van 26 april 2013 gehandhaafd.

3.

Eiseres stelt zich kort weergegeven op het standpunt dat verweerder had moeten handhaven en dat verweerder zijn handhavingsbeleid niet mocht verruimen hangende het handhavingsverzoek van eiseres. Verweerder had volgens eiseres bij de belangenafweging voorts mee moeten wegen of aan eiseres een schadevergoeding diende te worden toegekend. Ook indien gesproken moet worden van een rechtmatige overheidsdaad, had verweerder moeten overwegen of het vergoeden van schade in dit specifieke geval aan de orde zou zijn.

4.

Verweerder stelt zich samengevat op het standpunt, dat het nalaten om handhavend op te treden in dit geval niet als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd en dat het schadeverzoek reeds hierom dient te worden afgewezen. Eiseres heeft eerst in beroep gesproken over schadevergoeding in verband met rechtmatig overheidshandelen, hetgeen volgens verweerder te laat is.

Zo er wel sprake is van onzorgvuldig, dan wel onrechtmatig handelen jegens eiseres, stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van het door eiseres gestelde causale verband tussen het niet handhaven en de door eiseres beweerdelijk geleden schade.

5.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is een reactie op een verzoek om schadevergoeding een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaat indien aan de vereisten van materiële en processuele connexiteit is voldaan. Aan het vereiste van materiële connexiteit is voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade is veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat het schadebesluit neemt van een door dat bestuursorgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval levert een schriftelijke beslissing over schade die niet is gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op. Aan het vereiste van processuele connexiteit is voldaan, indien ook tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf beroep open staat bij de bestuursrechter. Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 28 juli 2010 (LJN: BN2670) overweegt de rechtbank dat degene die door aan hem toerekenbaar onrechtmatig handelen of nalaten schade heeft veroorzaakt, gehouden is die aan de benadeelde te vergoeden. Dit beginsel komt tot uitdrukking in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek en in artikel 8:73 van de Awb.

5.1

De rechtbank overweegt vooreerst dat eiseres geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het besluit van 9 februari 2012, waarbij verweerder een beslissing heeft genomen op het handhavingsverzoek van eiseres van 22 december 2011. De rechtmatigheid van dat besluit staat daarmee vast. Eiseres heeft haar verzoek om schadevergoeding, zo heeft zij ter zitting bevestigd, ook niet op dit besluit gebaseerd.

5.2

Eiseres heeft betoogd dat zij haar verzoek met name relateert aan het schrijven van verweerder van 12 juli 2012, waarin verweerder de verruiming van het handhavingsbeleid kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de daarin weergegeven algemene beleidsregels geen besluit vormen als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, maar een besluit van algemene strekking waartegen geen rechtsmiddelen open staan. In zoverre is derhalve geen sprake van connexiteit met een appellabel besluit. Over de vermeende schade als gevolg van de verruiming van het handhavingsbeleid kan derhalve uitsluitend worden geprocedeerd bij de civiele rechter. In verband hiermee had verweerder het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

5.3

Voor zover eiseres haar verzoek overigens relateert aan het nalaten van verweerder om handhavend op te treden is de rechtbank van oordeel dat het verzoek ziet op schade die het gestelde gevolg is van feitelijk, vermeend nalatig, handelen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat daaraan geen besluit ten grondslag ligt. Eiseres heeft niet opnieuw om een besluit tot handhavend optreden gevraagd. Nu de gestelde schadeoorzaak in dit geval is gelegen in feitelijk handelen, kan ook hierover uitsluitend worden geprocedeerd bij de civiele rechter en is het besluit van 12 december 2012 in zoverre te zien als een zelfstandig schadebesluit waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Verweerder had het bezwaar ook op dit onderdeel niet-ontvankelijk moeten verklaren.

5.4

In beroep heeft eiseres tenslotte aangevoerd het niet eens te zijn met het standpunt van verweerder dat alleen bij onrechtmatig handelen er een schadeplicht zou zijn. Volgens eiseres constateerde de hoorcommissie in bezwaar ook al dat het ook om een rechtmatige daad zou kunnen gaan, hetgeen door eiseres toen ter zitting al zou zijn onderschreven.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Bij een zelfstandig schadebesluit zijn de in de aanvraag vermelde schadeoorzaak, de grondslag, de schadeposten en de omvang van de schade bepalend. Nu het bij brief van 6 augustus 2012 gedane verzoek om schadevergoeding is gerelateerd aan het niet optreden tegen een met de wet strijdige situatie, waardoor verweerder zich onrechtmatig zou hebben gedragen, ziet de rechtbank geen aanleiding hetgeen eiser in beroep over schade ten gevolge van rechtmatig overheidshandelen naar voren heeft gebracht in de beoordeling te betrekken. Dit valt derhalve buiten de omvang van het geding.

5.5

Gelet op voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van 24 december 2012 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

6.

De rechtbank ziet gelet op wat hiervoor is overwogen, aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het (laten) vergoeden van bezwaarkosten, nu het besluit op bezwaar niet is herroepen vanwege een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 april 2013;

- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 944,--, te voldoen aan eiseres;

- gelast dat verweerder het griffierecht ad € 318,-- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr D. Hardonk–Prins, voorzitter, mr. A. Oosterveld en mr. A.P.W. Esmeijer, rechters, en door de voorzitter en M.W. Hulsman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep