Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3331

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
Awb 12/2598
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huisartsenmaaatschap niet vrijgesteld van aanslag BIZ-bijdrage; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Experimentenwet BI-zones 1, geldigheid: 2013-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-3137
V-N Vandaag 2013/2868
Belastingblad 2014/69

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: AWB ZWO 12/2598

uitspraak van de meervoudige belastingkamer in het geschil tussen

Maatschap [eisers],

gevestigd te Ootmarsum,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink, advocaat te Enschede,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

12/1890

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiseres op 30 juni 2012 voor het belastingjaar 2012 aangeslagen in de BIZ-bijdrage van € 695,-- voor de onroerende zaak [adres]te Ootmarsum. Bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2012 heeft verweerder het tegen de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak op bezwaar is op 1 november 2012 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. In aanvulling daarop heeft verweerder een brief van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) van 4 februari 2013 overgelegd.

Het beroep is op 4 november 2013 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. dr. W.G. van der Ban, M.C.P. Meijer en P.A.M. Ankersmid.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Het onderhavige beroep is ingediend bij de rechtbank Almelo. Met ingang van 1 april 2013 is de zogeheten Splitswet (Staatsblad 2012, 666) in werking getreden. Hierdoor is het per

1 januari 2013 ingevolge de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) gevormde arrondissement Oost-Nederland gesplitst in de arrondissementen Gelderland en Overijssel. Als gevolg hiervan wordt deze uitspraak gedaan door de rechtbank Overijssel.

2 Het geschil

In geschil is of verweerder eiseres terecht voor de BIZ-bijdrage heeft aangeslagen.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij de vrijstellingen van de BIZ-bijdrage, zoals vermeld in de modelverordening, heeft uitgebreid met voorzieningen met een sterk overheersend maatschappelijk karakter of publieke functie. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen aangeven waarom bijvoorbeeld scholen wel van de bijdrage worden vrijgesteld en andere gebouwen waarin een sterk maatschappelijke of publieke functie wordt uitgeoefend niet. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom een huisartsenpraktijk niet een zodanig maatschappelijke functie vervult dat zij niet vrijgesteld dient te worden. Er is dan ook sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft verder gesteld dat zij geen enkel belang heeft bij de BIZ. Ten slotte heeft eiseres gesteld dat zij ten onrechte niet op haar bezwaar is gehoord.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanslag terecht aan eiseres is opgelegd.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3 Beoordeling van het geschil

Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak [adres] Ootmarsum op

1 januari 2012 bij eiseres in gebruik was en dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient.

In artikel 1, eerste lid, van de Experimentenwet BI-zones is bepaald dat de gemeenteraad onder de naam BIZ-bijdrage een heffing kan instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (BI-zone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de BIZ-bijdrage een belasting is die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

In artikel 4, eerste lid, van de Experimentenwet BI-zones is bepaald dat de verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld niet in werking treedt dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt het college van burgemeester en wethouders iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken.

In artikel 5, eerste lid, van de Experimentenwet BI-zones is bepaald dat van voldoende steun sprake is indien na toepassing van artikel 4 blijkt dat:

  1. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,

  2. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en

de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van onroerende zaken in gebruik bij bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.

Op 20 december 2011 heeft de gemeenteraad van Dinkelland de Verordening op de heffing en invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone Ootmarsum (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening is bekendgemaakt in het huis-aan-huisblad Dinkelland Visie van 31 mei 2012 en in werking getreden op 29 mei 2012. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.

In artikel 1 onder a van de Verordening wordt onder BI-zone verstaan het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven.

In artikel 3 van de Verordening is een aan artikel 1, tweede lid, van de Experimentenwet BI-zones gelijkluidende bepaling opgenomen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening wordt de BIZ-bijdrage gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

In artikel 7 van de Verordening zijn de categorieën opgenomen, waarvan in afwijking van artikel 6 bij de bepaling van de heffingsmaatstaf de waarde buiten aanmerking wordt gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde.

In artikel 8, eerste lid, van de Verordening is een indeling van de onroerende zaken in waardenklassen weergegeven. Ingevolge de aanhef en onder d van voormeld artikellid bedraagt de BIZ-bijdrage voor 2012 bij een waarde van meer dan € 300.000,--, maar minder dan € 750.000,-- € 695,--.

In artikel 8, tweede lid, van de Verordening zijn de objecten vermeld, waarvoor in afwijking van het eerste lid van dit artikel de BIZ-bijdrage € 0,-- bedraagt.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de gemeenteraad bevoegd is om in de Verordening de BIZ-bijdrage als heffing in te stellen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de onroerende zaak Westwal 34 niet in hoofdzaak tot woning dient, kon verweerder eiseres voor de BIZ-bijdrage aanslaan.

Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de aanslag inderdaad kon worden opgelegd, maar dat zij als huisartsenmaatschap van de BIZ-bijdrage vrijgesteld had moeten worden, onder meer omdat zij als huisartsenprakijk geen enkele baat heeft bij de BIZ-bijdrage.

De rechtbank stelt vast dat volgens de Experimentenwet BI-zones in beginsel alle onroerende zaken die in een bepaald gebied in de gemeente liggen en die niet in hoofdzaak tot woning dienen, in de heffing worden betrokken.

In artikel 2, derde lid, van de Experimentenwet BI-zones is aangegeven dat het tarief van de BIZ-bijdrage voor verschillende categorieën niet-woningen verschillend kunnen worden vastgesteld, waarbij onder meer de vestigingslocatie, de bestemming van de onroerende zaak en de branche of sector van de bijdrageplichtige gebruiker in relatie tot het belang bij de activiteiten in aanmerking genomen kunnen worden.

Uit de formulering van voormeld artikellid volgt dat de gemeenteraad hier de vrijheid heeft om de tarieven verschillend vast te stellen en om onder meer de branche van de bijdrageplichtige in relatie tot het belang bij de activiteiten in aanmerking te nemen. Van deze vrijheid heeft de gemeenteraad van Dinkelland gebruik gemaakt door in artikel 8, tweede lid, van de Verordening voor de daar genoemde objecten de BIZ-bijdrage op € 0,-- te stellen. Uit de formulering van dit artikellid volgt dat de gemeenteraad ervoor heeft gekozen om bijvoorbeeld scholen wel van de BIZ-bijdrage uit te zonderen en medische beroepsbeoefenaars, zoals huisartsen, niet.

Verweerder heeft in dit verband aangegeven dat in voormeld artikellid voor een zeer beperkt aantal objecten is bepaald dat de BIZ-bijdrage op € 0,-- wordt gesteld. Het gaat hier om onroerende zaken voor nutsvoorzieningen, openbaar vervoer en educatie, welke een sterk overheersende maatschappelijke of publieke functie hebben. Daarmee onderscheiden deze onroerende zaken, niet-woningen zijnde, zich van de overige niet-woningen. In de brief van de VNG is aangegeven dat de aard van een huisartsenpraktijk niet vergelijkbaar is met de aard van de vrijgestelde onroerende zaken. Daarnaast beschikt de huisartsenpraktijk over onvoldoende specifieke kenmerken om zich te onderscheiden van deze onroerende zaken waar professionele diensten worden verleend en die ook in de heffing van de BIZ-bijdrage zijn betrokken.

Nu een huisartsenpraktijk niet in de opsomming van artikel 8, tweede lid, van de Verordening is opgenomen, moet het ervoor worden gehouden dat de gemeenteraad van Dinkelland een huisartsenpraktijk niet van het heffen van BIZ-bijdrage heeft willen uitsluiten. Verweerder heeft eiseres op grond van de Verordening dan ook terecht in de BIZ-heffing betrokken.

De omstandigheid dat eiseres geen baat heeft bij de BIZ-bijdrage laat onverlet dat de Experimentenwet BI-zones in artikel 1 aangeeft dat de gemeenteraad de BIZ-bijdrage kan heffen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van het door eiseres gedane beroep op schending van de hoorplicht dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake wanneer reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar ongegrond is en geen twijfel over die conclusie mogelijk is.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren en van het horen van eiseres kunnen afzien.

Het beroep is ongegrond.

4 Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. H.R. Schimmel, rechters, en door de voorzitter en H. Blekkenhorst als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op: