Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3314

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
Awb 13/1816
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning ten behoeve van het vergroten van een inrit te Staphorst; verbrding van de uitrit leidt tot aantasting van de aanwezige groenvoorzieningen; verweerder was dan ook bevoegd om een omgevingsvergunning voor deze activiteit te wiegeren.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2, geldigheid: 2013-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1816

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te Staphorst, eiser,

gemachtigde: mr. D.P.M. Buysrogge, advocaat te Apeldoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst,

verweerder.

13/1816

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft verweerder geweigerd om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het vergroten van de inrit aan de [adres] te Staphorst.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 11 juni 2013, verzonden op 27 juni 2013, ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 7 augustus 2013 beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 25 november 2013 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Buysrogge. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. van den Berg en H. Uitslag.

Overwegingen

Eiser woont aan de [adres] te Staphorst. Eisers uitrit had oorspronkelijk een breedte van 4,20 meter. In 2011 hebben werkzaamheden plaatsgevonden in de [adres] waarbij de weginrichting enigszins gewijzigd is. Eiser heeft de uitrit vervolgens laten verbreden naar 5,10 meter. Eiser heeft daarvoor een deel van de groenvoorziening langs de [adres]. Nadat door een toezichthouder geconstateerd was dat de uitrit verbreed was, heeft verweerder eiser hierop aangesproken. Eiser heeft vervolgens een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisatie van de bestaande situatie.

Verweerder heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd omdat een uitrit van 5,10 meter breed niet in overeenstemming is met de vaste gedragslijn die verweerder hiervoor hanteert. De standaardmaat voor een uitrit die verweerder hanteert is 3,60 meter. De bestaande uitrit van eiser is al breder dan dit. Verdere verbreding wijkt te veel af van de standaardbreedte. De breedte van 4,20 meter is voldoende om met een auto veilig de uitrit in en uit te kunnen rijden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de bestaande breedte van de uitrit onvoldoende is om veilig de uitrit uit te kunnen rijden. Meer uitwegen in dit deel van Staphorst en in de [adres]in het bijzonder zijn breder dan 4,20 meter.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2:12, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van Staphorst (hierna: de APV) bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van het college:

  1. een uitweg te maken naar de weg;

  2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

  3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Artikel 2:12, derde lid, van de APV bepaalt dat de vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

  1. de bruikbaarheid van de weg;

  2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

  3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  4. e bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente.

De rechtbank stelt vast dat verweerder direct heeft getoetst aan de gehanteerde vaste gedragslijn. Verweerder heeft ten onrechte niet eerst getoetst of een van de gronden als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, van de APV zich in dit geval voordoet. De vraag of verweerder bevoegd is om een omgevingsvergunning op een van de gronden als bedoeld in deze bepaling te weigeren gaat vooraf aan de afweging van de betrokken belangen indien een of meer van deze gronden zich voordoen. Het bestreden besluit berust daarom niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden vernietigd.

De rechtbank zal beoordelen of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De rechtbank is van oordeel dat de grond als bedoeld in artikel 2:12, derde lid, onder d, van de APV zich in dit geval voordoet. De verbreding van de uitrit leidt tot aantasting van de aanwezige groenvoorzieningen, doordat ten behoeve van de verbreding van de uitrit een deel van de groenvoorziening moet worden verwijderd. Dat eiser de door hem verwijderde planten elders heeft herplant doet hieraan niet af. Verweerder was dan ook bevoegd om een omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren.

Dat verweerder bevoegd was om een omgevingsvergunning voor deze activiteit te weigeren laat onverlet dat verweerder de betrokken belangen op zorgvuldige wijze tegen elkaar dient af te wegen.

De rechtbank acht niet onredelijk dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen, ter invulling van de bevoegdheid die verweerder op grond van het bepaalde in artikel 2:12, derde lid, van de APV heeft, de vaste gedragslijn hanteert dat in beginsel geen uitritten van breder dan 3,60 meter worden toegestaan. Niet gebleken is dat deze vaste gedragslijn in zijn algemeenheid kennelijk onredelijk is.

De rechtbank is voorts niet gebleken dat het niet aan eiser toestaan van een uitrit van 5,10 meter breed vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid tot concrete problemen leidt. Uit onderzoek ter plaatse, door een medewerker van de gemeente Staphorst, is gebleken dat het goed mogelijk is om, zonder meerdere keren te hoeven insteken, de uitrit in te rijden. Niet gebleken is dat het nodig is om over stoepranden te rijden. Evenmin is gebleken dat het vanwege de parkeersituatie in de [adres] nodig is om de uitrit te verbreden. Uit onderzoek dat verweerder heeft laten verrichten is gebleken dat ouders die hun kinderen halen en brengen bij de verderop in de [adres]gelegen school hun auto’s normaal gesproken in de directe nabijheid van de school parkeren. Niet gebleken is dat nabij de uitrit van eisers woning geparkeerd wordt. Dat eiser het, mede met het oog op de zichtbaarheid van spelende kinderen als hij achteruit rijdt, veiliger vindt om een bredere uitrit te hebben, betekent niet dat een uitrit van 4,20 meter breed daarmee onveilig is.

Ten aanzien van het door eiser gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot andere woningen in Staphorst die over een bredere uitrit beschikken overweegt de rechtbank dat gebleken is dat in het verleden in de gemeente Staphorst nog geen vergunningstelsel voor uitritten in de APV was opgenomen. Bredere uitritten die voor de introductie van dit vergunningstelsel zijn aangelegd, waaronder eisers uitrit met een breedte van 4,20 meter, mogen gehandhaafd blijven. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat verweerder de gedragslijn dat sindsdien in beginsel geen uitritten die breder zijn dan 3,60 meter worden toegestaan, niet consequent toepast. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen.

Namens verweerder is aangegeven dat, als de hoogte van de drempel vanaf de weg naar de inrit voor eiser tot problemen leidt, verweerder bereid is om deze aan te passen. Dit hoefde evenwel voor verweerder geen reden te vormen om medewerking te verlenen aan de verbreding van de uitrit.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 944,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 944,--, te betalen aan eiser;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, ten bedrage van

€ 160,-- , vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.G.M. van Montfort, rechter, en door hem en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep