Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3310

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
Awb 13/1736
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering rijksbijdrage van € 180.000,00 omdat toegekende ontslagvergoeding bovenmatig is; nu termijn was verstreken geen basis meer voor terugvordering en verrekening; beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 2.9, geldigheid: 2013-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: ZWO 13/1736 BESLU

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

het College van Bestuur van de Christelijke Hogeschool Windesheim,

gevestigd te Zwolle, eiser,

gemachtigde: mr. L.J. Wildeboer,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

verweerder.


Procesverloop

Bij brief van 27 september 2012 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om de rijksbijdrage 2010 nader vast te stellen door daarop een bedrag van

€ 180.000,-, als zijnde een ondoelmatig besteed bedrag, in mindering te brengen op die rijksbijdrage en dit bedrag terug te vorderen door dit in mindering te brengen op de rijksbijdrage 2012.

Nadat eiser zijn zienswijze kenbaar had gemaakt, heeft verweerder bij besluit van

8 januari 2013 de rijksbijdrage 2010 met toepassing van het bepaalde in artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nader vastgesteld door daarop een bedrag van € 180.000,- in mindering te brengen. Tevens is dat bedrag met toepassing van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb teruggevorderd door verrekening met de rijksbijdrage 2013.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 18 juni 2013 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 8 november 2013 behandeld. Eiser is verschenen in persoon van prof. dr. A.W.C.A. Cornelissen, voorzitter College van Bestuur, bijgestaan door

mr. L.J. Wildeboer, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. B.J. de Koning, juridisch medewerker, en J.W. Frerichs.

Overwegingen

1.

In geschil is of verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 4:49 en 4:57 van de

Awb bevoegd was om een bedrag van € 180.000,- als zijnde ondoelmatig aangewend in mindering te brengen op de rijksbijdrage 2010 en kon terugvorderen.

2.

In het kader van een herziening van de bestuursstructuren van de instellingen binnen de

Vereniging voor Christelijk hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en patiëntenzorg (hierna: de Vereniging) is besloten om het College van Bestuur van de Christelijke Hogeschool Windesheim terug te brengen van drie naar twee leden. Daarbij is de functie van de heer [naam], destijds lid van het College van Bestuur, per 1 september 2010 komen te vervallen. In dat verband is tussen de Vereniging en de heer [naam]een vaststellingsovereenkomst opgemaakt, waarbij de verplichtingen van de Vereniging jegens de heer [naam]en omgekeerd zijn vastgelegd, tot het moment van het bereiken van de 65- jarige leeftijd door de heer [naam]op 22 maart 2017. Naast afspraken betreffende de geldende regelingen, de betaling van pensioenpremie door de Vereniging en de geldende regeling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, is onder meer een aanvulling afgesproken op de aan de heer [naam]toekomende uitkering(en) ingevolge de Bovenwettelijke Werkeloosheidsuitkering Hoger Beroepsonderwijs (BWRHBO), inclusief de uitkeringen die voortvloeien uit de WW en ZW en eventueel de ZAHBO. In dat verband heeft de Vereniging zich verplicht aan de heer [naam]een vrij te besteden bedrag van € 180.000,-- uit te betalen.

Dit bedrag is opgenomen in de jaarrekening 2010 die op 21 juli 2011 aan verweerder is toegezonden in het kader van de verantwoording van de besteding van de aan eiser verleende rijksbijdrage 2010, te weten als een aan een lid van het College van Bestuur betaalde uitkering in verband met beëindiging van het dienstverband.

Door verweerder is bij brief van 16 maart 2012 aan eiseres nadere informatie opgevraagd met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst.

Naar aanleiding van de op 20 juli 2012 verkregen informatie heeft verweerder het primaire besluit genomen, dat na bezwaar is gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van

18 juni 2013.

Verweerder stelt zich kort gezegd op het standpunt dat eiseres de in artikel 1.9 aanhef en onder b, juncto artikel 2.9, derde lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) aan de subsidie verbonden verplichting om de rijksbijdrage doelmatig aan te wenden, niet is nagekomen. Verweerder is namelijk van mening dat de aan de heer [naam]toegekende ontslagvergoeding van € 180.000,-- bovenmatig is in combinatie met de aan de heer [naam]toekomende bovenwettelijke uitkering, nu deze bovenwettelijke uitkering van € 443.689,-- al hoger is dan de aan de heer [naam]toekomende ontslagvergoeding, zo de kantonrechtersformule zou zijn toegepast. Volgens verweerder biedt artikel 4:49, eerste lid, van de Awb een grondslag om over te gaan tot nadere vaststelling van de rijksbijdrage.

3.1

Eiser brengt hier in beroep in de eerste plaats tegen in dat een wettelijke grondslag

voor het besluit tot vermindering van de rijksbijdrage 2010 ontbreekt, vanwege het verstrijken van de in artikel 2.9, derde lid, van de Whw opgenomen verjaringstermijn. Eiser stelt dat in dat artikel een expliciete regeling is opgenomen voor vermindering in geval van een ondoelmatige aanwending van de rijksbijdrage, om welke reden verweerder zich niet had mogen baseren op artikel 4:49 van de Awb.

3.2

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In artikel 2.9, eerste en tweede lid, van de Whw is bepaald dat het instellingsbestuur jaarlijks vóór 1 juli een verslag indient bij de minister, bestaande uit een jaarrekening met bijbehorende begroting en dat in die jaarrekening rekening en verantwoording wordt afgelegd van het financiële beheer van de instelling over het voorafgaande begrotingsjaar. In het derde lid is voorts bepaald dat indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend, de minister kan bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de rijksbijdrage. De minister dient dat binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening bekend te maken aan het instellingsbestuur.

Niet in geschil is dat verweerder eerst na het verstrijken van die termijn van een jaar heeft besloten om het bedrag van € 180.000,-- als zijnde ondoelmatig aangewend in mindering te brengen op de rijksbijdrage 2010.

De regels ingevolge de Awb hebben blijkens de jurisprudentie aanvullende werking in gevallen waarin de Whv niet voorziet. Naar het oordeel van de rechtbank is van een zodanige aanvullende werking van de Awb in de voorliggende zaak geen sprake gelet op de omstandigheid op grond waarvan verweerder de rijksbijdrage nader heeft vastgesteld en een bedrag van € 180.000,-- heeft teruggevorderd, te weten de omstandigheid dat de rijksbijdrage voor genoemd bedrag ondoelmatig is aangewend. Mede met verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van

18 april 2007 en 9 juli 2008 (zaaknummers: 200604022/1 en 200706179/1, www.raadvanstate.nl) neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat in artikel 2.9, derde lid, van de Whw een expliciete regeling is getroffen voor vermindering van de rijksbijdrage ingeval van een ondoelmatige besteding daarvan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat artikel 2.9 van de Whw betrekking heeft op de financiële verslaglegging, waaruit moet blijken in hoeverre sprake is van een doelmatige aanwending van de rijksbijdrage, terwijl de in artikel 2.9, derde lid, van de Whw neergelegde bevoegdheid uitdrukkelijk ziet op de situatie dat de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend. De door verweerder gewraakte handelswijze valt dus nadrukkelijk onder de reikwijdte van artikel 2.9 van de Whv. De onderhavige zaak verschilt daarmee naar het oordeel van de rechtbank van de zaken waarop de door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling betrekking hebben, omdat het in die zaken ging om wezenlijk andere omstandigheden waarop de Whv niet ziet, te weten om misbruik en oneigenlijk gebruik van bekostigingsregels, waarvan het jaarverslag van de betrokken instelling geen blijk gaf.

De rechtbank volgt verweerder ook niet in de stelling dat de regels van de Awb in deze zaak aanvullende werking hebben op de grond dat sprake is van feiten of omstandigheden waarvan verweerder niet binnen de in artikel 2.9, derde lid, van de Whv genoemde termijn van een jaar op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn, mede nu nader onderzoek nodig was. Of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend blijkt in zijn algemeenheid immers uit het jaarverslag van de betrokken instelling. De rechtbank is niet gebleken dat in deze zaak van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ontslagvergoeding als zodanig nadrukkelijk is vermeld in de jaarrekening, die op

21 juli 2011 aan verweerder is toegezonden. Verder moet verweerder geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de aanspraken op grond van het BWRHBO, temeer nu verweerder heeft gesteld destijds reeds beleid te hebben gevoerd met betrekking tot (de hoogte en toelaatbaarheid van) ontslagvergoedingen. Reeds op grond van de vermelding van de ontslagvergoeding in de jaarrekening bestond er derhalve voor verweerder voldoende aanleiding om daarover een (voorlopig) standpunt in te nemen. Voor deze conclusie ziet de rechtbank een bevestiging in het feit dat verweerder vanwege bedoelde vermelding om nadere informatie heeft gevraagd. Dat verweerder gemeend heeft eerst nader onderzoek te moeten verrichten met betrekking tot (eventuele) andere aanspraken ingevolge de vaststellingsovereenkomst alvorens (definitief) te kunnen concluderen dat sprake was van een ondoelmatige aanwending van de rijksbijdrage, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af. Daar komt bij dat van de zijde van verweerder ter zitting desgevraagd is aangegeven dat eerst nader onderzoek is verricht na ontvangst eind 2011 van nadere stukken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waaronder stukken op grond van de Wet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens. Het bedrag van € 180.000,-- was volgens verweerder niet eerder opgenomen in informatie van de Dienst Uitvoering Onderwijs. Nu de ontslagvergoeding van € 180.000,-- echter reeds expliciet was opgenomen in de op 21 juli 2011 door eiser aan verweerder gezonden jaarrekening, behoort deze (interne) gang van zaken geheel tot de risicosfeer van verweerder.

De rechtbank is niet gebleken dat verweerder, indien eerder onderzoek was verricht, redelijkerwijs niet binnen de in artikel 2.9, derde lid, van de Whw genoemde termijn op de hoogte had kunnen zijn van de (vermeende) ondoelmatige aanwending van de rijksbijdrage en dat tijdig aan het instellingsbestuur kenbaar had kunnen maken.

Gelet op het voorgaande kon verweerder ná het verstrijken van de in artikel 2.9, derde lid, van de Whw, genoemde termijn van één jaar niet meer bepalen dat het bedrag van € 180.000,-- wegens ondoelmatige besteding in mindering moest worden gebracht op de rijksbijdrage 2010. Er was geen basis voor de terugvordering en verrekening.

4.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Aan de beoordeling van de overige beroepsgrond komt de rechtbank niet toe.

5.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit Proceskosten bestuursrecht bepaald op vastgesteld op € 944,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 472,--; wegingsfactor 1. Verder dient verweerder het betaalde griffiegeld van € 318,-- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank Overijssel, recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten van € 944,--;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffiegeld van € 318,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter, mr. A. Oosterveld en

mr. D. Hardonk - Prins, rechters, en door de voorzitter en M.W. Hulsman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep