Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3222

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
13-12-2013
Zaaknummer
08/760084-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met mes insteken op wijkagent door man in psychotische toestand. Poging moord of poging doodslag. Volledig ontoerekeningsvatbaar. TBS met dwangverpleging of plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Wel schadevergoeding, maar geen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760084-13

Datum vonnis: 13 december 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [1983] in [geboorteplaats] (Syrië),

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 november 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.E.M. van Erp en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.Th.M. Demmer, advocaat te Hengelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 12 april 2013 te Borne al dan niet met voorbedachte rade heeft geprobeerd

[slachtoffer] van het leven te beroven;

subsidiair: op 12 april 2013 te Borne met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer];

meer subsidiair: op 12 april 2013 te Borne al dan niet met voorbedachte rade heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer].

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 12 april 2013 te Borne ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een mes/mesjes, althans een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal (met kracht) voornoemde [slachtoffer] in/op het hoofd heeft gestoken/geslagen (waardoor/waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond zat/lag) met dat/die mes/mesjes, althans een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal die [slachtoffer] in/op het gezicht en/of het lichaam heeft gestoken/geslagen en/of meerdere, althans één stekende en/of slaande beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 12 april 2013 te Borne, aan een persoon (tevens zijnde een politieambtenaar gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening) genaamd [slachtoffer], opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade,

zwaar lichamelijk letsel (meerdere steekverwondingen en een klaplong) heeft

toegebracht, door opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een mes/mesjes, althans een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal (met kracht) voornoemde [slachtoffer] in/op het hoofd te steken/slaan (waardoor/waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of (terwijl die

[slachtoffer] op de grond zat/lag) met dat/die mes/mesjes, althans een scherp

voorwerp, meermalen althans eenmaal die [slachtoffer] in/op het gezicht en/of

het lichaam te steken/slaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 12 april 2013 te Borne, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan een persoon (tevens zijnde een politieambtenaar gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening) genaamd [slachtoffer], opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, met een mes/mesjes, althans een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal (met kracht) voornoemde [slachtoffer] in/op het hoofd heeft gestoken/geslagen

(waardoor/waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond zat/lag) met dat/die mes/mesjes, althans een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal die [slachtoffer] in/op het gezicht en/of het lichaam heeft gestoken/geslagen en/of meerdere, althans één stekende en/of slaande beweging(en) heeft gemaakt in de richting van het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde, poging tot moord wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: TBS met dwangverpleging) wordt opgelegd.

Verder vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 12.500,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primaire feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, te weten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer]. Verdachte heeft de tijd gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad kon nadenken en zich daarvan rekenschap kon geven. De kans op dodelijk letsel was aanmerkelijk en verdachte heeft die kans op de koop toe genomen.

De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de verklaring van aangever, de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer], de zich in het dossier bevindende foto’s van het letsel en de verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging tot moord, de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling met voorbedachten rade en de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, nu de gedragingen van verdachte in de onderhavige zaak -verdachte schrok toen hij de deur opende en heeft toen de agent gestoken- zijn gepleegd in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013: BY5679 is dat een contra-indicatie voor voorbedachten rade. Verdachte zou moeten worden vrijgesproken van het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire tenlastegelegde feit.

Daarnaast voert de raadsvrouw aan dat voor een poging tot moord en een poging tot doodslag het gebruikte wapen geen geschikt middel is, zodat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het primair tenlastegelegde, en verdachte dientengevolge dient vrijgesproken te worden van het primair tenlastegelegde feit.

De meer subsidiaire ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, aldus de raadsvrouw

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen die zich in het onderhavige strafdossier bevinden en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Op 12 april 2013 is [slachtoffer] samen met zijn collega [getuige 1] werkzaam als wijkagent in Borne. [slachtoffer] is bekend dat verdachte kan worden aangehouden wegens het overtreden van de schorsingsvoorwaarden. [slachtoffer] en [getuige 1] kennen verdachte en hebben weet van zijn psychiatrisch verleden met rechterlijke machtigingen en inbewaringstellingen. Omdat verdachte in het verleden al vaker zonder problemen is aangehouden en [slachtoffer] verdachte kent als een weliswaar psychotische maar rustige man, is besloten tot aanhouding over te gaan zonder specifieke voorzorgsmaatregelen of bijzonder aanhoudingsteam.

Op 12 april 2013 zijn [slachtoffer] en [getuige 1] naar de woning van de broer van verdachte aan de [adres 1] te Borne gegaan om verdachte aan te houden. [slachtoffer] heeft meerdere malen geroepen dat hij van de politie is en dat verdachte de deur open moet doen. Verdachte hoort dat er “politie, open doen” wordt geroepen. Verdachte wil niet weer naar Mediant en verstopt zich in de badkamer. Verdachte wil dat de politie hem met rust laat en dat de politie weg gaat. Verdachte wordt ontzettend kwaad omdat de politie hem blijft lastig vallen. Verdachte bedenkt zich dan dat hij een aantal maanden geleden een tweetal keukenmesjes (hierna: het mes) aan elkaar heeft vastgemaakt met tape en elastiek. [slachtoffer] staat met een koevoet voorovergebogen voor de deur omdat hij de voordeur wil openbreken. Terwijl [slachtoffer] zich voorover buigt, wordt de voordeur door verdachte geopend. Verdachte steekt [slachtoffer] met het mes in zijn hoofd. Verdachte raakt [slachtoffer] ter hoogte van zijn kruin. Doordat verdachte [slachtoffer] met kracht steekt, komt [slachtoffer] te vallen. Verdachte bespringt [slachtoffer] en terwijl [slachtoffer] op de grond ligt, blijft verdachte [slachtoffer] in hoog tempo steken. [slachtoffer] ligt in een hoek en heeft zich klein gemaakt. [slachtoffer] heeft zijn handen voor zijn hoofd gehouden en zijn schouders opgetrokken. [slachtoffer] ziet en voelt dat verdachte bovenop hem springt en blijft steken met het mes. Op een gegeven moment probeert verdachte het dienstwapen van [slachtoffer] te grijpen. [slachtoffer] roept hierop “nee!” Verdachte stopt met steken en hij rent weg via de toegangsdeur. [slachtoffer] zet de achtervolging in op verdachte maar merkt dat hij erg bloedt. [getuige 1], die aan de achterzijde van de woning stond, is afgekomen op het tumult en geschreeuw. [getuige 1] ziet verdachte wegrennen en ziet dat [slachtoffer] onder het bloed zit. [getuige 1] hoort [slachtoffer] roepen dat hij is gestoken. [getuige 1] ziet dat [slachtoffer] verwondingen heeft op de rechterkant van zijn gezicht ter hoogte van zijn kaak en op de wang. Ook ziet [getuige 1] een verwonding op de rug.

[slachtoffer] heeft door de steekpartij negen snij/steekwonden opgelopen in zijn hoofd, in het gezicht, op zijn rechterhand en één in zijn rug. De wonden zijn toegebracht met een mes dat uit twee evenwijdige delen bestaat. Door de wond in de rechterwang is de speekselklier van [slachtoffer] beschadigd. Door de wond in zijn rug heeft [slachtoffer] een klaplong opgelopen. In het ziekenhuis heeft [slachtoffer] voor een tweede keer een klaplong opgelopen. [slachtoffer] is hieraan geopereerd. [slachtoffer] heeft in verband met zijn verwondingen acht dagen in het ziekenhuis moeten verblijven. Er zijn foto’s gemaakt van het letsel.

Het mes

Het gebruikte mes bestaat uit een tweetal schilmesjes, aan elkaar vastgemaakt met tape en elastiek. De mesjes zijn omwikkeld met een doek.

De raadsvrouw heeft bepleit dat het mes geen geschikt middel is voor een poging tot moord dan wel poging tot doodslag. De rechtbank stelt het volgende vast:

  • -

    in het dossier bevinden zich meerdere foto’s van het mes. Er zijn twee scherpe punten waarneembaar;

  • -

    de rechtbank heeft het mes ter terechtzitting gezien en daarbij zelf waargenomen dat het twee scherpe punten heeft en er twee scherpe snijvlakken zijn. Beide lemmeten zijn ongeveer drie centimeter lang;

  • -

    het letsel van het slachtoffer is ernstig. Het slachtoffer heeft negen snijwonden. Het slachtoffer heeft een klaplong en beschadigde speekselklier opgelopen. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij, doordat hij zijn handen voor zijn hoofd heeft gehouden, en zijn schouders heeft opgetrokken, in de zijkanten van zijn gezicht is gestoken en niet in zijn hals en/of nek.

  • -

    verdachte had [slachtoffer] anders ook in de hals- en nekstreek kunnen raken, waar zich kwetsbare lichaamsdelen bevinden, zoals de halsslagader. Het is niet aan verdachte te danken dat hij [slachtoffer] niet in deze kwetsbare zones van het lichaam heeft geraakt.

  • -

    zou [slachtoffer] daar met het mes zijn geraakt dan had het, ook met lemmeten van 3 centimeter lengte, fataal letsel kunnen opleveren.

Gelet op de specifieke eigenschappen van de gebruikte mesjes – scherpe punten, scherpe snijvlakken en een lemmetlengte van ongeveer drie centimeter –, alsmede de kwetsbare zones van het menselijk lichaam waarop de steken gericht waren, is de rechtbank van oordeel dat het mes een geschikt middel is om iemand van het leven te beroven.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Opzet

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Verdachte heeft bij de politie verklaard, dat hij op 12 april 2013 hoort dat er achter de woning een man staat te roepen: “Politie. Open doen”. Verdachte heeft het gordijn iets aan de kant geschoven en ziet dat er een politieagent buiten staat. Verdachte verstopt zich in de badkamer. Verdachte verklaart dat hij wil dat de politie hem met rust laat en dat de politie weggaat. De politie blijft echter op de ramen en deuren kloppen.

Verdachte wil dat de politie hem met rust laat en dat zij weggaan. Verdachte wordt kwaad en hij loopt zich op te winden. Verdachte wil niet weer worden aangehouden en naar Mediant worden gebracht. Verdachte herinnert zich dat hij een aantal maanden geleden een tweetal keukenmesje aan elkaar heeft vastgemaakt met tape en elastiek en hier een doek om heen heeft gedaan. Verdachte heeft het mes op de kast in de slaapkamer gelegd. Verdachte pakt het mes van de kast en loopt vervolgens naar de voordeur. Verdachte opent de voordeur. Verdachte wil niet aangehouden worden en steekt de agent, die de deur probeert open te breken, met een mes in zijn hoofd. Daarna blijft verdachte de agent steken. Verdachte wil met rust gelaten worden en hij wil weg.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte bloot opzet heeft gehad op de dood van verdachte. De opzet van verdachte was immers gericht op het met rust gelaten worden en het vertrek van de agenten. Er zijn geen bewijsmiddelen die erop duiden dat hij de agent van het leven wilde beroven.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van het slachtoffer, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging, de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden, immers heeft verdachte het slachtoffer negenmaal gestoken met een mes. Het slachtoffer is onder andere in het hoofd, in het gezicht, in de rug en in de arm gestoken. Verdachte is op het slachtoffer blijven insteken terwijl het slachtoffer machteloos op de grond zat of lag. Het slachtoffer heeft zich met zijn armen en schouders zoveel mogelijk beschermd tegen steken in de hals en nek. Verdachte heeft door de steekpartij een dubbele klaplong opgelopen. Daarmee is het lichamelijk letsel gelukkig relatief beperkt gebleven.

Dat neemt niet weg dat er een aanmerkelijke kans heeft bestaan dat het slachtoffer de aanval niet zou overleven. Het wild en ongericht insteken op een persoon op en in het gezicht en in de hals- en nekstreek, met een mes van drie centimeter lang, bergt immers de aanmerkelijke kans in zich dat die persoon dat niet overleeft. In die lichaamszones liggen een aantal vitale onderdelen van het lichaam, zoals de halsslagader, het ruggenmerg en de verbinding van de lichaamszenuwen met de hersenstam en de rest van het brein.

Hierbij is nog van belang dat verdachte met kracht heeft gestoken. Dat blijkt uit de wonden en de omstandigheid dat enkele steken dwars door de kleding van het slachtoffer heen zijn gegaan en vervolgens nog het lichaam zijn binnengedrongen.

Daarmee is de rechtbank van oordeel dat verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, de aanmerkelijke kans heeft genomen en aanvaard dat het slachtoffer de aanval met het mes niet zou overleven, zodat gezegd moet worden dat het opzet van de verdachte in voorwaardelijke zin gericht was op de dood van het slachtoffer.

Voorbedachte rade

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens over dient uit te laten is of er sprake is van poging tot moord dan wel poging tot doodslag.

Om tot een bewezenverklaring van poging tot moord te komen is het noodzakelijk dat er tijd en gelegenheid is geweest voor kalm beraad en rustig overleg. Hiervan is sprake als komt vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer met een mes heeft gestoken. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het mes van de kast van de slaapkamer heeft gepakt omdat hij met rust wilde worden gelaten door de agenten. Verdachte wilde niet worden aangehouden omdat hij anders weer naar Mediant zou worden gebracht. Verdachte heeft daarop, na zich tevergeefs te hebben verstopt, de deur geopend op het moment dat de agent die deur wilde openbreken en vrijwel direct de agent met het mes één keer in het hoofd gestoken in de buurt van de kruin. Het slachtoffer is hierdoor naar achteren gevallen en in een zittende c.q. liggende houding tegen een muur of deur terechtgekomen. Verdachte is vervolgens blindelings en met veel kracht op het slachtoffer blijven insteken.

In het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat verdachte, toen hij het mes uit de slaapkamer pakte, de bedoeling had om de agent hiermee te steken zoals hij even later heeft gedaan. Verdachte heeft wel verklaard dat hij met rust gelaten wilde worden en dat hij niet naar Mediant terug wilde. Het pakken van een mes alleen is onvoldoende om te concluderen dat verdachte het voornemen had een agent ermee te steken. Een mes kan immers ook als dreiging worden gebruikt om voor jezelf een vluchtmogelijkheid te creëren. Na het mes te hebben gepakt kwam verdachte in actie toen hij hoorde dat de deur geforceerd dreigde te worden. Hij zag de agent gebukt voor de deur staan met het breekijzer in de hand en heeft toen de deur geopend en uitgehaald met de hand waarin hij het mes vasthield. Hij raakte de agent bovenop diens hoofd. De agent viel/rolde daardoor achteruit. Daarna is verdachte niet gevlucht, maar is als een razende op de agent in blijven steken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze gang van zaken veeleer dat verdachte, getriggerd door de pogingen van de agent om de deur te forceren, impulsief heeft gehandeld en uit niets blijkt dat verdachte vóór of na de eerste slag/steek met het mes zich rustig kon beraden over de betekenis en de gevolgen van zijn daden en dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte rade. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging tot moord. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair in de tweede plaats tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 april 2013 te Borne ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk, met mesjes, eenmaal voornoemde [slachtoffer] in het hoofd heeft gestoken waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en terwijl die [slachtoffer] op de grond zat met die mesjes, meermalen die [slachtoffer] in het gezicht en het lichaam heeft gestoken en meerdere, stekende en slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van het hoofd/gezicht en het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair in de tweede plaats meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 287 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) jo. artikel 45 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: poging tot doodslag.

7 De strafbaarheid van de verdachte

7.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport van M. van Heteren, psycholoog en H.T.J. Boerboom, psychiater, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Pieter Baan Centrum, opgemaakt op 19 november 2013.

Beide gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de vorm van schizofrenie en voorts dat sprake is van cannabisafhankelijkheid. De deskundigen concluderen dat hiervan tevens sprake was ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte werd ten tijde van het tenlastegelegde zodanig in beslag genomen en aangestuurd door zijn psychotische belevingen dat hij ten aanzien van het hem tenlastegelegde niet in staat was in vrijheid zijn wil te bepalen. De deskundigen concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank volgt de conclusie van de gedragsdeskundigen. De deskundigen hebben verslag gedaan van hun onderzoek en gemotiveerd hoe zij tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid hiervan te twijfelen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bewezen verklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Verdachte zal op grond daarvan worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 De op te leggen maatregel

8.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake het bewezen verklaarde, TBS met dwangverpleging zal worden opgelegd, aangezien zij groot belang hecht aan de bescherming van de samenleving. Zij meent dat dit belang met de door de gedragsdeskundigen geadviseerde maatregel van plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr onvoldoende wordt beschermd. Verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd, het recidiverisico is groot en de maatschappij dient tegen dit soort risico’s beschermd te worden. Het plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr brengt volgens de officier van justitie teveel onzekerheden met zich in het bijzonder met betrekking tot de behandelduur.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de conclusies van de deskundigen strekkende tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr over te nemen.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Ernst van het feit

Op vrijdag 12 april 2013 verblijft verdachte in de woning van zijn broer aan de [adres 1] te Borne. Agent [slachtoffer] komt verdachte aanhouden ter zake het overtreden van de schorsingsvoorwaarden. Verdachte wil rust en wil dat de politie weg gaat. Verdachte pakt een mes, opent de deur en steekt [slachtoffer] met het mes in zijn hoofd. [slachtoffer] komt te vallen en verdachte blijft meermalen insteken op het hoofd, in het gezicht, in de rug en in de arm van [slachtoffer].

[slachtoffer] zit machteloos op de grond als verdachte blijft steken. [slachtoffer] vreest voor zijn leven. Hij heeft onder andere een klaplong en een beschadigde speekselklier opgelopen. Gedurende maanden heeft hij in het geheel niet kunnen werken en zijn andere normale bezigheden niet kunnen doen. Daarnaast heeft het voorval grote psychische gevolgen gehad.

Persoon en persoonlijkheid van verdachte

Beide gedragsdeskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde type en afhankelijkheid van cannabis. De diagnose schizofrenie is gebaseerd op het langdurig bestaan van een psychose.

Ten tijde van het ten laste gelegde feit had verdachte verschillende wanen (vergiftigings-, grootheids-, benadelings- en beïnvloedingswanen), paranoïde wanen gericht op de psychiatrie (Mediant) en de politie.

Ten tijde van het tenlastegelegde was er bij verdachte sprake van een chronisch psychotisch toestandsbeeld, waarbij er een toename van agressie lijkt te zijn geweest. De agressie kwam steeds voort uit de paranoïde waan met daaruit voortkomend angst voor de psychiatrie. In de psychiatrie zou verdachte gesepareerd en vergiftigd worden. De psychiatrie (Mediant) had vanuit die waan van betrokkene macht over hem en was uit op zijn ondergang. Verdachte werd ten tijde van het ten laste gelegde zodanig in beslag genomen en aangestuurd door zijn psychotische belevingen dat hij ten aanzien van het hem tenlastegelegde niet in staat was in vrijheid zijn wil te bepalen. De deskundigen concluderen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De deskundigen concluderen voorts dat verdachte geen enkel ziektebesef en -inzicht heeft. De deskundigen achten het risico op agressief gedrag vanuit zijn paranoïde wanen hoog en het recidiverisico groot indien verdachte niet adequaat wordt behandeld vanwege de psychotisch symptomatologie. De deskundigen achten het noodzakelijk dat verdachte na zijn detentie een klinische psychiatrische behandeling ondergaat en wordt ingesteld op anti-psychotische medicatie.

Volgens de deskundigen is verdachte tot op heden onvoldoende behandeld en blijft hij psychotisch. Verdachte heeft nooit een adequate dosis anti-psychotische medicatie gehad. De psychose heeft een reële kans in remissie te kunnen gaan als verdachte met anti-psychotische medicatie wordt behandeld. De deskundigen adviseren daarom dat verdachte moet worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis voor een periode van maximaal één jaar, welke opname het beste kan plaatsvinden op een Forensisch Psychiatrische Afdeling.

Maatregel

De rechtbank kan zich niet verenigen met het advies van de deskundigen dat verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zou moeten worden geplaatst. Zij overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft op 12 april 2013 het onderhavige feit gepleegd. Voorafgaand aan het plegen van dit feit is er bij verdachte al jarenlang sprake van psychische problemen. Het penitentiair dossier vermeldt reeds in 2010 dat er bij verdachte vermoedelijk sprake is van psychotische belevingen. Op 9 juli 2012 wordt verdachte met een inbewaringstelling opgenomen in Helmerzijde (Mediant) te Enschede. Op 10 juli 2012 ontsnapt verdachte, via het dak, uit Helmerzijde. Verdachte meldt zichzelf dezelfde avond weer. Op 14 juli 2012 meldt Helmerzijde wederom bij de politie dat verdachte is weggelopen. Verdachte keert diezelfde avond vrijwillig terug. Op 17 juli 2012 bedreigt verdachte zijn broertje met de dood. Wanneer de politie ter plaatse komt en zich kenbaar maakt, ziet de politie dat verdachte een vleesmes uit de keuken pakt en wegvlucht via de achtertuin. Later op de dag loopt verdachte aan de Kamperfoeliestraat met een mes te zwaaien. Wanneer de politie ter plaatse komt, is verdachte al vertrokken. Op 18 juli 2012 wordt verdachte aangehouden in Enschede naar aanleiding van een melding dat hij met een mes loopt te zwaaien voor het pand van Helmerzijde. Verdachte verzet zich niet en werkt mee aan zijn aanhouding. Op 25 juli 2012 meldt Helmerzijde opnieuw dat verdachte via het dak is ontsnapt. Verdachte wordt in Borne aangehouden zonder zich te verzetten. Verdachte wordt teruggebracht naar Helmerzijde. Verdachte wordt behandeld met anti-psychotische medicatie. In december 2012 heeft Mediant besloten om de behandeling te beëindigen omdat het redelijk goed zou gaan met verdachte. Verdachte heeft zijn medicatie afgebouwd en valt volgens de behandelaars desondanks niet terug in een psychose. Wel blijft verdachte cannabis gebruiken, maar dit is volgens de behandelaar van Mediant niet gerelateerd aan zijn psychoses. Mediant heeft tevens besloten om geen nazorgtraject uit te zetten, omdat verdachte hier niet voor gemotiveerd is. Na verdachte’s opname in Helmerzijde is hij gestopt met het innemen van medicatie en is hij niet meer in beeld bij de hulpverleners. Volgens de behandelaar van Mediant is er onder de oppervlakte bij verdachte nog steeds sprake van (megalomaan gekleurde) irreële gedachten, belevingen en opvattingen. Dit maakt dat verdachte onvoorspelbaar kan reageren.

Sinds de beëindiging van de opname is er geen contact meer geweest tussen de reclassering en verdachte. Verdachte reageert niet op brieven van de reclassering en komt zijn afspraken bij JusTact niet na.

Op 21 februari 2013 bedreigt verdachte de begeleider van zijn broertje met de dood. Verdachte wordt medegedeeld dat hij opnieuw een inbewaringstelling krijgt. Op 22 februari 2013 meldt Helmerzijde dat verdachte is weggelopen van de gesloten afdeling. Hierdoor kan de inbewaringstelling niet worden bekrachtigd.

Op 27 maart 2013 meldt Mediant dat verdachte geen hulpverlening wenst. Verdachte zou maatschappelijk ten onder gaan vanwege zijn psychiatrische aandoening. Verdachte veroorzaakt overlast en kan een gevaar zijn voor zijn omgeving. Signalen uit de omgeving van de verdachte worden zorgelijker en maken dat Mediant de verdachte graag wil laten beoordelen voor een Rechterlijke Machtiging.

Op 28 maart 2013 dient verdachte te worden aangehouden op bevel van de officier van justitie ter zake het niet houden aan de schorsingsvoorwaarden.

Op 12 april 2013 heeft verdachte het ten laste gelegde feit gepleegd terwijl hij in een psychose verkeerde. Verdachte heeft ter terechtzitting van 29 november 2013 verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gestoken met een mes op zijn hoofd. Verdachte begrijpt niet goed waarom hij [slachtoffer] gestoken heeft en zegt dat hij wel gek lijkt. Verdachte verklaart dat hij bang is voor de politie omdat zij hem steeds weer terugbrengen naar Mediant. Verdachte meent dat de politie fouten maakt, de politie haalt verdachte en zijn broertje door elkaar. Verdachte heeft naar eigen zeggen geen psychische problemen. Zijn broertje heeft naar zijn mening psychische problemen en moet worden behandeld in Mediant.

Beide deskundigen concluderen dat het verdachte aan ziektebesef en -inzicht ontbreekt. Ter terechtzitting van 29 november 2013 heeft verdachte tevens verklaard dat hij niet aan schizofrenie lijdt. Verdachte wil geen medicijnen slikken omdat hij geen psychoses heeft.

Volgens de deskundigen zou een juiste dosering van anti-psychotische medicatie essentieel zijn voor het afwenden van het recidiverisico.

Volgens de deskundigen zijn er bij verdachte sprake van psychotische symptomen, zonder toezicht wel middelengebruik (cannabis), impulsiviteit, een gebrek aan empathie en vijandigheid naar iedereen die verdachte‘s overtuigingen (wanen) in twijfel trekt. Onder invloed van de psychose lijken de sociale en relationele vaardigheden verminderd en is de zelfredzaamheid beperkt, dusdanig dat er sprake is van maatschappelijke teloorgang.

De attitude ten opzichte van behandeling is slecht. Verdachte wijst behandeling tot op heden pertinent af. Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat eerdere opnames en hulpverlening niet hebben geleid tot een gewenst resultaat, verdachte geen ziektebesef en –inzicht heeft en verdachte geen medicijnen wil slikken, acht de rechtbank, gelet op hetgeen de deskundigen hierover hebben geconcludeerd, dit zeer zorgelijk en risicoverhogend

Tegen deze achtergrond volgt de conclusie van de deskundigen, dat ter voorkoming van recidive kan worden volstaan met een opname in een psychiatrisch ziekenhuis, naar het oordeel van de rechtbank niet logisch uit de bevindingen van deze deskundigen. Met name de verwachting dat het mogelijk moet zijn verdachte (onder dwang) binnen één jaar zodanig in te stellen op medicatie dat de psychotische belevingen verdwenen zullen zijn, lijkt niet op feiten van dit concrete geval te zijn gebaseerd. De deskundigen gaan ervan uit dat verdachte nog niet eerder medicamenteus is behandeld, maar dat is onjuist. Verdachte zit al jaren in het psychiatrische circuit, is zelfs in de tweede helft van 2012 al enkele maanden behandeld met

anti-psychotische medicatie. Desalniettemin heeft verdachte in psychotische toestand het bewezenverklaarde, bijzonder agressieve en gewelddadige, feit gepleegd. Gelet hierop is de rechtbank er niet van overtuigd dat het herhalingsgevaar afdoende wordt bezworen met de voorgestelde maatregel. De rechtbank kiest daarom ter afwending van het herhalingsgevaar voor oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de noodzakelijke bescherming van de maatschappij, alleen langs die weg kan worden zeker gesteld.

Concluderend

De door de deskundigen geadviseerde maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis acht de rechtbank onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang dat niet opnieuw willekeurige personen slachtoffer worden van een door verdachte gepleegd (levens)delict, te prevaleren. Een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 Sr gevolgd door een voortzetting in het kader van de Wet Bopz, doet aan dit belang onvoldoende recht.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank TBS met dwangverpleging opleggen. Aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. Er zijn adviezen van gedragsdeskundigen van twee verschillende disciplines die niet ouder zijn dan een jaar. Op het door verdachte begane feit staat naar de wettelijke omschrijving een straf van meer dan vier jaar. Ten tijde van dit

feit bestond bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist zowel de terbeschikkingstelling als de verpleging van overheidswege. De rechtbank wijst in dit verband op de ernst van het gepleegde feit, de grote kans op herhaling, de ernst van de geestesziekte van verdachte en de eerdere mislukte behandelingen daarvan.

De rechtbank overweegt dat TBS met dwangverpleging zal worden opgelegd ter zake onder meer van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 359, zevende lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), te weten poging tot doodslag. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

8.3

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank acht het in beslag genomen mes vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu daarmee het bewezenverklaarde feit is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan bij deze verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], domicilie kiezende te Enschede (PC: 7511 JN) aan de Hermandad 2 en vertegenwoordigd door P. Hooites, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 12.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 12.500,00, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr op te leggen. De rechtbank zal de officier van justitie daarin niet volgen waartoe zij het volgende overweegt.

De schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd als de verdachte wegens het schadeveroorzakende feit wordt veroordeeld. Volgens de Hoge Raad laten de bewoordingen “wordt veroordeeld” in artikel 36f lid 1 Sr niet toe dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd in het geval de verdachte van alle rechtsvervolging is ontslagen, ongeacht of daarnaast de maatregel van TBS is opgelegd (HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004: AO3233 en HR 25 januari 2005 Nb Sr 2005/51).

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 36b, 36c, 37a en 37b Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het primair in de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair in de tweede plaats tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair in de tweede plaats meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

    poging tot doodslag

  • -

    verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], domicilie kiezende te Enschede aan de Hermandad 2 (PC: 7511 JN), van een bedrag van € 12.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2013;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten: een mes bestaande uit twee keukenmesjes die aan elkaar zijn vastgemaakt met tape en elastiek.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. A. Flos en mr. B.J.T. Bouma, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PLO5KL 2013035942. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] van 23 april 2013, pagina’s 65 t/m 69, inhoudende zakelijk weergegeven:

"Bij deze doe ik aangifte van poging moord c.q. doodslag dan wel zware mishandeling. lk ben werkzaam als wijkagent in Borne en had op vrijdag 12 april 2013 dienst samen met mijn collega [getuige 1].

Omdat het mij ambtshalve bekend was dat [verdachte] aangehouden kon worden ter zake het niet voldoen aan schorsingsvoorwaarden, was ik op vrijdag 12 april 2013 bij de woning van [broer verdachte] aan de [adres 1] te Borne. [broer verdachte] is een jongere broer van [verdachte].

[getuige 1] en ik hadden afgesproken dat wij met ons tweeën zouden proberen om [verdachte] aan te houden. Hij is al vaker weggelopen bij Mediant en vervolgens zonder problemen aangehouden. lk ken [verdachte] als iemand die psychotisch is maar verder rustig is.

lk heb meerdere malen geroepen dat ik van de politie was en dat [verdachte] de deur open moest doen en dat hij naar buiten moest komen. [verdachte] kwam niet naar buiten.

Terwijl ik mij vooroverboog om te kijken hoe ik het beste de koevoet kon plaatsen, zag ik via het melkglas dat in de voordeur zit een schim achter de voordeur. Vrijwel meteen merkte ik dat de voordeur van binnenuit opengedaan werd. lk stond op dat moment nog voorovergebogen met de koevoet in mijn beide handen.

Op het moment dat de voordeur openging zag ik een man in de woning staan. lk herkende hem meteen als [verdachte]. lk zag dat hij zijn rechterarm omhoog hield. lk zag dat hij wat in zijn rechterhand vast had. Vrijwel meteen hierop voelde ik dat [verdachte] mij met kracht op mijn hoofd sloeg. Het voelde alsof hij met een hamer op mijn hoofd sloeg. Hij raakte mij aan ter hoogte van mijn kruin. Doordat [verdachte] mij met kracht raakte was ik enigszins van slag. lk kan mij herinneren dat ik op mijn achterwerk ben gevallen.

[verdachte] bleef met een hoog tempo doorgaan met mij te slaan c.q. te steken. lk kan het omschrijven als een bokser die probeert om in korte tijd een boksbal helemaal aan gort te slaan. Zo hoog was de frequentie van de slagen c.q. steken.

lk voelde dat ik in een hoek lag. lk heb mij daar klein gemaakt en ik kon niets anders doen dan mijn handen voor mijn hoofd houden en mijn schouders optrekken. lk heb geprobeerd om [verdachte] af te weren, maar dit lukte niet. lk zag en voelde dat [verdachte] bovenop mij was gesprongen toen ik daar op de grond zat c.q. lag. Hij bleef maar op mij inslaan c.q. steken. Kennelijk doordat ik mijn handen voor mijn hoofd hield en mijn schouders opgetrokken had, werd ik in de zijkanten van mijn gezicht gestoken en niet in mijn hals c.q. nek. lk had echt het idee dat hij mij daar wilde raken.

Terwijl ik op de grond zat c.q. lag zat [verdachte] boven op mij en bleef hij met maximale kracht maar doorgaan met mij te slaan c.q. te steken.

Op een gegeven moment merkte ik dat [verdachte] stopte met slaan c.q. steken.

lk zag toen dat [verdachte] wegrende via toegangsdeur van het appartementencomplex. lk ben achter hem aangerend. Terwijl ik achter [verdachte] aanrende, merkte ik dat ik bloedde in mijn gezicht. Ik heb tegen [getuige 1] gezegd dat [verdachte] mij gestoken had. lk heb met spoed om een ambulance gevraagd.

Op een gegeven moment kreeg ik een enorme pijn vanuit mijn rug en ik werd heel erg benauwd. lk voelde niets anders dan de pijn in mijn rug ter hoogte van mijn rechterschouderblad. Op mijn verzoek heeft [getuige 1] toen mijn blouse uitgetrokken en ik hoorde hem zeggen dat ik in mijn rug gestoken was.

Kort daarop kwam de ambulance en deze heeft mij naar het ziekenhuis gebracht. lk had onderweg erg veel moeite om adem te halen.

Het letsel wat ik heb opgelopen als gevolg van het slaan en steken van [verdachte] is:

- negen paarsgewijze steekwonden of steekwondjes; waarvan een aantal boven op mijn hoofd, in beide wangen ter hoogte van de kaaklijn, in mijn middelvinger van mijn rechterhand en op mijn rug;

- door de steekwond in mijn rug heb ik een klaplong opgelopen. In het ziekenhuis heb ik voor de tweede keer een klaplong opgelopen; ik moest hiervoor geopereerd worden;

- door de steekwond in mijn rechterwang is de speekselklier beschadigd;

- verder had ik op mijn voorhoofd een oppervlakkige snee welke langs mijn haarlijn tot aan mijn oor liep.

Bovendien heb ik als gevolg van de operatie, waarbij een drain geplaatst is, een aantal snijwonden in mijn borstkast.

lk heb in totaal acht dagen in het ziekenhuis gelegen. lk heb van de artsen zes weken volledige rust voorgeschreven gekregen met het oog op het herstel van de klaplong.

2.

Een geschrift aangeduid als “geneeskundige verklaring” van aangever [slachtoffer] van 13 april 2013, pagina 76, inhoudende zakelijk weergegeven:

  • -

    twee evenwijdige snijwonden boven op schedel (kruin); diepte: tot op het bot;

  • -

    rechter zijde van het gezicht: lange snijwond (kras) van boven rechter wenkbrauw tot op de wang; halverwege komt er een evenwijdige 2e snee naast lopen;

  • -

    linkerzijde gezicht: vlak voor het linker oor 2 evenwijdige snijwonden, redelijk diep beginnend tot oppervlakkig eindigend;

  • -

    rechterzijde van de rug net onder het schouderblad, diep beginnend tot oppervlakkig eindigend; deze steek/snijwond is waarschijnlijk de oorzaak van de klaplong;

  • -

    rechterhand: evenwijdige snijwonden over de rugzijde van de ring en middelvinger, vervolgd door enkele snijwond over de handrug

De snij-/steekwonden lijken te zijn toegebracht met een scherp voorwerp bestaande uit twee scherpe delen, gefixeerd aan elkaar, waardoor evenwijdige snijwonden ontstaan.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], van 12 april 2013, pagina 116, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 12 april 2013 was ik samen met mijn collega [slachtoffer] werkzaam als wijkagent in Borne. Wij gingen naar de [adres 1] in Borne om [verdachte] aan te houden. Ik stond aan de achterkant van de woning en [slachtoffer] aan de voorkant. Ik hoorde [slachtoffer] schreeuwen en ik hoorde tumult. Ik zag dat [slachtoffer] op de rechterzijde van zijn rug bloed heeft zitten op zijn blouse. Ter verduidelijking: aan de rechterzijde ter hoogte van de longen. Ik zag dat [slachtoffer] ook bloed heeft aan de rechterzijde van zijn gezicht. [slachtoffer] riep naar mij 'ik ben gestoken'. Ik hoorde dat [slachtoffer] aangaf dat hij hulp nodig had. Ik zag een verwoning aan de rechterkant ter hoogte van de kaak. Op de wang. De wond bloedde behoorlijk. Het leek alsof de onderhuid en de opperhuid gedraaid waren. Ik zag heel veel bloed op zijn hoofd. Ik zag aan de achterkant twee verwondingen op de plek waar ik eerder het bloed op de blouse zag zitten.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], van 2 mei 2013, pagina 162, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 12 april 2013 was ik in mijn woning aan de [adres 2] te Borne. Ik zag dat [slachtoffer] probeerde de deur met een breekijzer open te breken. De voordeur ging open. Ik zag dat [verdachte] naar buiten sprong. [slachtoffer] stond toen nog gebukt, in een kromme houding, met het breekijzer in zijn hand voor de voordeur. Ik zag dat [verdachte] bovenop [slachtoffer] sprong en op hem begon in te steken. Ik zag dat [verdachte] stekende bewegingen maakte naar [slachtoffer]. Volgens mij raakte [verdachte] [slachtoffer] als eerste op zijn hoofd. Ik hoorde dat [verdachte] iets riep van 'Laat me met rust!'.

5.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, zakelijk weergegeven:

Op 12 april 2013 was ik in mijn woning aan de [adres 1] te Borne.

Ik hoorde de politie de hele tijd rotzooien aan mijn voordeur. Ik heb me verstopt in de badkamer. Ik hoopte dat de politie weg zou gaan. Op een gegeven moment heb ik het mes gepakt van de kast in de slaapkamer. Ik heb de voordeur opengemaakt. Ik viel de agent aan. Ik heb hem op zijn hoofd gestoken. Hij viel toen op de grond. Hij had zijn handen om zijn hoofd ter bescherming. Ik heb geprobeerd zijn dienstwapen te pakken. De agent schreeuwde “nee”, toen ben ik weggerend.