Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3097

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
05/986150-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt man wegens opzettelijke onjuiste belastingaangifte, valsheid in geschrifte en verduistering van geld bij een sportvereniging tot gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en het betalen van een schadevergoeding van €115.667,64 aan de sportvereniging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 05/986150-13

Datum vonnis: 2 december 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] in [geboorteplaats],

wonende in [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 november 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.M. Pluimers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. J.S. Staijen, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: als feitelijk leidinggevende van [verdachte] Holding BV, [verdachte] Business Services BV, [verdachte] Beheer BV en/of [verdachte] Consultancy BV en [verdachte] Bedrijfsopleidingen BV de aangiften voor de omzetbelasting voor die bedrijven over de jaren 2005 tot en met 2011 onjuist heeft gedaan bij de Belastingdienst;

feit 2: in de periode van 18 februari 2009 tot en met 1 april 2009 een orderbevestiging/ rekening van [bedrijf 1] gericht aan [verdachte] Consultancy B.V. heeft vervalst, dan wel gebruik heeft gemaakt van dat vervalste geschrift;

feit 3: in de periode van 14 november 2008 tot en met 11 oktober 2011 ruim € 160.000,= heeft verduisterd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

A

[verdachte] Holding B.V. (per 23 november 2009: [verdachte] Business Groep B.V.), op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 februari 2005 tot en met 30 april 2007, in de gemeente(n) Deventer en/of Apeldoorn en/of Heerlen (en/of) elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over de maand(en) januari 2005 en/of februari 2005 en/of maart 2005 en/of april 2005 en/of mei 2005 en/of juni 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of oktober 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of januari 2006 en/of februari 2006 en/of maart 2006 en/of april 2006 en/of mei 2006 en/of juni 2006 en/of juli 2006 en/of augustus 2006 en/of september 2006 en/of oktober 2006 en/of november 2006 en/of december 2006 en/of januari 2007 en/of februari 2007 en/of maart 2007 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft [verdachte] Holding B.V. (per 23 november 2009: [verdachte] Business Groep B.V.) (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(n) omzetbelasting over genoemd maand(en) een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

en/of

B

[verdachte] Business Services B.V. (per 11 november 2011: [verdachte] B.V.), op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 maart 2006 tot en met 30 april 2007, in de gemeente(n) Deventer en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over maand(en) maart 2006 en/of de/het kwarta(a)1(en) tweede kwartaal 2006 en/of derde kwartaal 2006 en/of vierde kwartaal 2006 en/of eerste kwartaal 2007 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft [verdachte] Business Services B.V. (per 11 november 2011: [verdachte] B.V.), (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) maand(en)/kwarta(a)1(en) een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat/die feit(en) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

en/of

C

[verdachte] Beheer B.V. en/of [verdachte] Consultancy B.V. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting), op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2007 tot en met 14 januari 2010, in de gemeente(n) Deventer en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het derde kwartaal 2007 en/of de maand(en) oktober 2007 en/of november 2007 en/of december 2007 en/of januari 2008 en/of februari 2008 en/of maart 2008 en/of april 2008 en/of mei 2008 en/of juni 2008 en/of juli 2008 en/of augustus 2008 en/of september 2008 en/of oktober 2008 en/of november 2008 en/of december 2008 en/of januari 2009 en/of februari 2009 en/of maart 2009 en/of april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 en/of juli 2009 en/of augustus 2009 en/of september 2009 en/of oktober 2009 en/of november 2009 en/of december 2009, onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers heeft/hebben [verdachte] Beheer B.V. en/of [verdachte] Consultancy B.V. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) kwarta(a)1(en) en/of maand(en) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

en/of

D

[verdachte] Bedrijfsopleidingen B.V. (per 09 november 2011: [verdachte] B.V.), op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juni 2006 tot en met 30 april 2007, in de gemeente(n) Deventer en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over de kwarta(a)1(en) derde kwartaal 2005 en/of vierde kwartaal 2005 en/of eerste kwartaal 2006 en/of tweede kwartaal 2006 en/of derde kwartaal 2006 en/of vierde kwartaal 2006 en/of eerste kwartaal 2007 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft [verdachte] Bedrijfsopleidingen B.V. (per 09 november 2011: [verdachte] B.V.) (telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(n) omzetbelasting over genoemde kwarta(a)1(en) een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat/die feit(en) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

en/of

E

[verdachte] Holding B.V. en/of [verdachte] Consultancy C.S. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting), op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2007 tot en met 15 oktober 2011, in de gemeente(n) Deventer en/of Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de omzetbelasting over de maand(en) april 2007 en/of mei 2007 en/of juni 2007 en/of juli 2007 en/of augustus 2007 en/of september 2007 en/of oktober 2007 en/of november 2007 en/of december 2007 en/of januari 2008 en/of februari 2008 en/of maart 2008 en/of april 2008 en/of mei 2008 en/of juni 2008 en/of september 2008 en/of oktober 2008 en/of november 2008 en/of december 2008 en/of januari 2009 en/of februari 2009 en/of maart 2009 en/of april 2009 en/of mei 2009 en/of juni 2009 en/of juli 2009 en/of augustus 2009 en/of september 2009 en/of oktober 2009 en/of november 2009 en/of december 2009 en/of januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of mei 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010 en/of november 2010 en/of december 2010 en/of februari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of mei 2011 en/of juni 2011 en/of juli 2011 en/of augustus 2011 en/of september 2011 onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan,

immers heeft/hebben [verdachte] Holding B.V. en/of [verdachte] Consultancy C.S. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of Heerlen en/of (elders) in Nederland ingediende aangifte(n) omzetbelasting over genoemde maand(en) een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl dat/die feit(en) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht (telkens) heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging(en) gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2009 tot en met 01 april 2009, in ieder geval in 2009, in de gemeente Deventer, althans in Nederland, een orderbevestiging/rekening van [bedrijf 1] gericht aan [verdachte] Consultancy B.V. te Deventer vermeldende de aankoop van een Loewe (audio/video) installatie ten bedrage van 8371,14 (proces-verbaal bijlage D032/3; blz. 470) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk omschreven- op de (oorspronkelijke) orderbevestiging/rekening de vermelding "orderbevestiging" en/of de tekst met betrekking tot het afleveren van de apparatuur op verdachtes adres aan de [adres 1] te Deventer te verwijderen en/of niet zichtbaar te maken en/of (vervolgens) die orderbevestiging/rekening te kopiëren;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 19 februari 2009 tot en met 01 april 2009, in ieder geval in 2009, in de gemeente(n) Deventer en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) (kopie) orderbevestiging/rekening van [bedrijf 1] gericht aan [verdachte] Consultancy B.V. te Deventer vermeldende de aankoop van een Loewe (audio/video) installatie ten bedrage van 8371,14 (proces-verbaal bijlage D-032/3; blz. 470), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die (gekopieerde) orderbevestiging/rekening heeft gezonden aan de Belastingdienst en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die orderbevestiging/rekening de

(oorspronkelijke) vermelding "orderbevestiging" en/of de tekst met betrekking tot het afleveren van de apparatuur op verdachtes adres aan de [adres 1] te Deventer was verwijderd, althans niet zichtbaar was; (07/986150-13)

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 november 2008 tot en met 11 oktober 2011, in de gemeente Deventer en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedragen (tot een totaal van ongeveer EURO 160.280,36; zie proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel Regiopolitie IJsselland d.d. 05 december 2012, blz. 65 e.v.), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [sportvereniging], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en)/goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester van die [sportvereniging], onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(07/986151-13)

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

4 De voorvragen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging van verdachte. Aan dit verweer zijn twee vormfouten in het onderzoek ten grondslag gelegd. In de eerste plaats: bij het openen van de bij de doorzoekingen in de woning en bedrijfsruimte van verdachte aangetroffen post zijn de wettelijke regels niet in acht genomen, nu de recherche de poststukken heeft geopend in plaats van het Openbaar Ministerie. In de tweede plaats: verdachte is door de recherche ook gehoord over de BTW-fraude, terwijl hij uitsluitend in verzekering was gesteld op verdenking van verduistering. Verdachte is voorafgaand aan dat verhoor over de BTW-fraude ten onrechte niet gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen (Salduz-verweer).

De officier van justitie is met de verdediging van mening dat er sprake is van de twee genoemde vormverzuimen. Anders dan de verdediging is de officier van justitie echter van mening dat deze vormverzuimen niet hoeven te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer als volgt.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bij het openen van de poststukken en bij het verhoor van verdachte over de BTW-fraude vormen zijn verzuimd, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Deze vormverzuimen kunnen niet meer worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan blijken niet uit de wet.

In geval van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv moet de rechtbank beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren, te weten (1) het belang dat het geschonden voorschrift dient, (2) de ernst van het verzuim (waarbij de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang zijn, evenals de mate van verwijtbaarheid van het verzuim) en (3) het nadeel dat door het vormverzuim wordt veroorzaakt (waarbij onder meer van belang is of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad)1. Voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging is buiten de in de wet geregelde gevallen slechts plaats in uitzonderlijke situaties. Zo’n uitzonderlijk geval kan zich voordoen indien door met opsporing of vervolging belaste ambtenaren in de loop van het vooronderzoek een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, en daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak2.

Met betrekking tot het openen van de in beslag genomen poststukken overweegt de rechtbank dat hierbij weliswaar niet is gehandeld overeenkomstig de artikelen 101, 102 en 102a Sv, doch het openen heeft blijkens het dossier in overleg en na machtiging van de rechter-commissaris plaatsgevonden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het niet naleven van de wettelijke voorschriften doelbewust is geschied en evenmin is gebleken dat verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor tekort is gedaan aan verdachte’s recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Met betrekking tot het Salduz-verweer is de rechtbank van oordeel dat het niet naleven van de regels omtrent het in de gelegenheid stellen van verdachte om voorafgaand aan zijn verhoor over de BTW-fraude zijn advocaat te raadplegen, niet een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat daardoor tekort is gedaan aan verdachte’s recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Immers, niet gebleken is dat dit niet naleven van de regels doelbewust is gebeurd, en evenmin dat verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. Bovendien kan volgens constante jurisprudentie het niet naleven van de bewuste regels weliswaar leiden tot bewijsuitsluiting, maar is niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in dergelijke situaties niet aan de orde.

Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken.

Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie is van mening dat hetgeen ten laste is gelegd onder feit 1 A) tot en met E), feit 2 primair en feit 3 wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard.

De verdediging heeft met betrekking tot feit 1 in de eerste plaats gesteld dat vrijspraak moet volgen omdat de hiervoor onder 4 geconstateerde vormfout bij het openen van de poststukken moet leiden tot bewijsuitsluiting van de aangetroffen administratie. Mocht de rechtbank dit verweer niet volgen dan refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Van feit 2 dient verdachte volgens de verdediging te worden vrijgesproken, omdat de delen van de orderbevestiging die verdachte wit heeft gemaakt niet dienen tot bewijs van enig feit.

Feit 3 heeft verdachte bekend.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot feit 1

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer dat wegens het vormverzuim bij het openen van de poststukken de aangetroffen administratie van het bewijs dient te worden uitgesloten het volgende.

Bewijsuitsluiting kan als op grond van art. 359a, eerste lid, Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden3.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier niet een situatie voor dat het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen. Immers, de onjuistheid van de onder feit 1 genoemde belastingaangiften kan reeds worden afgeleid uit de rechtmatig in beslag genomen administratie. Bovendien is verdachte door het openen van de brieven niet in zijn belangen geschaad, omdat de inhoud van die brieven heeft geleid tot het naar beneden bijstellen van het belastingnadeel. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1 A) tot en met E) ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij over een reeks van jaren onjuiste BTW-aangiftes heeft gedaan. Weliswaar is een beperkt aantal van de aangiftes door een ingehuurde secretaresse gedaan, maar verdachte erkent dat hij verantwoordelijk was voor die aangiftes. Uit de reconstructie van de respectievelijke boekhoudingen van de in de tenlastelegging genoemde BV’s door de Belastingdienst/FIOD leidt de rechtbank vervolgens af dat alle in die tenlastelegging genoemde aangiftes onjuist zijn. Als gevolg van die onjuiste aangiftes is een belastingnadeel ontstaan van ruim

€ 285.000.

Met betrekking tot feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Verdachte heeft van een orderbevestiging van [bedrijf 1] d.d. 19 februari 2009 van de aankoop/levering van een Loewe televisie met toebehoren voor een bedrag van € 8.371,14, delen afgeplakt en deze orderbevestiging vervolgens gekopieerd. De afgeplakte delen betroffen de aanhef ‘orderbevestiging’ en het afleveradres, zijnde het privé adres van verdachte. De kopie heeft verdachte vervolgens opgestuurd naar de Belastingdienst ten bewijze van de zakelijkheid van de uitgave.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte naar de Belastingdienst opgestuurde orderbevestiging een geschrift is dat dient tot bewijs van enig feit, óók voor wat betreft de afgeplakte onderdelen. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij door het weghalen van die onderdelen heeft willen voorkomen dat er een discussie met de Belastingdienst zou ontstaan over de zakelijkheid van de uitgave.

Met betrekking tot feit 3

Ook dit feit is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij gedurende meerdere jaren als penningmeester van de [sportvereniging] (hierna: [sportvereniging]) geldbedragen van de rekening van de [sportvereniging] heeft overgeboekt naar bankrekeningen van zijn eigen BV’s. Hij heeft dit gedaan omdat die BV’s in financiële moeilijkheden verkeerden. In totaal heeft verdachte een bedrag van

€ 160.280,36 overgeboekt naar rekeningen van zijn BV’s. Daarmee heeft verdachte dit gehele bedrag aangewend voor een ander doel dan waarvoor dat geld aan hem was toevertrouwd.

De rechtbank leidt uit het dossier overigens af dat verdachte € 9.000 heeft teruggeboekt naar de rekening van [sportvereniging] en vanaf rekeningen van zijn BV’s voor € 31.512,89 betalingen heeft gedaan ten gunste van [sportvereniging].

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1, sub 2 primair en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

A

[verdachte] Holding B.V. (per 23 november 2009: [verdachte] Business Groep B.V.) in de periode van 28 februari 2005 tot en met 30 april 2007, in Nederland, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de maanden januari 2005 en februari 2005 en maart 2005 en april 2005 en mei 2005 en juni 2005 en juli 2005 en augustus 2005 en september 2005 en oktober 2005 en november 2005 en december 2005 en januari 2006 en februari 2006 en maart 2006 en april 2006 en mei 2006 en juni 2006 en juli 2006 en augustus 2006 en september 2006 en oktober 2006 en november 2006 en december 2006 en januari 2007 en februari 2007 en maart 2007 onjuist heeft gedaan,

immers heeft [verdachte] Holding B.V. (per 23 november 2009: [verdachte] Business Groep B.V.) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingediende aangiften omzetbelasting over genoemd maanden een te laag belastbaar bedrag, opgegeven en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

en

B

[verdachte] Business Services B.V. (per 11 november 2011: [verdachte] B.V.) in de periode van 29 maart 2006 tot en met 30 april 2007, in Nederland, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de maand maart 2006 en het tweede kwartaal 2006 en derde kwartaal 2006 en vierde kwartaal 2006 en eerste kwartaal 2007 onjuist heeft gedaan,

immers heeft [verdachte] Business Services B.V. (per 11 november 2011: [verdachte] B.V.), opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde maanden/kwartalen een te laag belastbaar bedrag en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

en

C

[verdachte] Beheer B.V. en [verdachte] Consultancy B.V. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) in de periode van 01 oktober 2007 tot en met 14 januari 2010, in Nederland, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over het derde kwartaal 2007 en de maanden oktober 2007 en november 2007 en december 2007 en januari 2008 en februari 2008 en maart 2008 en april 2008 en mei 2008 en juni 2008 en juli 2008 en augustus 2008 en september 2008 en oktober 2008 en november 2008 en december 2008 en januari 2009 en februari 2009 en maart 2009 en april 2009 en mei 2009 en juni 2009 en juli 2009 en augustus 2009 en september 2009 en oktober 2009 en november 2009 en december 2009, onjuist hebben gedaan, immers hebben [verdachte] Beheer B.V. en [verdachte] Consultancy B.V. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde kwartalen en maanden een te laag belastbaar bedrag,

en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

en

D

[verdachte] Bedrijfsopleidingen B.V. (per 09 november 2011: [verdachte] B.V.) in de periode van 2 juni 2006 tot en met 30 april 2007, in Nederland, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over het derde kwartaal 2005 en vierde kwartaal 2005 en eerste kwartaal 2006 en tweede kwartaal 2006 en derde kwartaal 2006 en vierde kwartaal 2006 en eerste kwartaal 2007 onjuist heeft gedaan,

immers heeft [verdachte] Bedrijfsopleidingen B.V. (per 09 november 2011: [verdachte] B.V.) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde kwartalen een te laag belastbaar bedrag, en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

en

E

[verdachte] Holding B.V. en [verdachte] Consultancy C.S. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) in de periode van 10 september 2007 tot en met 15 oktober 2011, in Nederland, opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over de maanden april 2007 en mei 2007 en juni 2007 en juli 2007 en augustus 2007 en september 2007 en oktober 2007 en november 2007 en december 2007 en januari 2008 en februari 2008 en maart 2008 en april 2008 en mei 2008 en juni 2008 en september 2008 en oktober 2008 en november 2008 en december 2008 en januari 2009 en februari 2009 en maart 2009 en april 2009 en mei 2009 en juni 2009 en juli 2009 en augustus 2009 en september 2009 en oktober 2009 en november 2009 en december 2009 en januari 2010 en februari 2010 en maart 2010 en april 2010 en mei 2010 en juni 2010 en juli 2010 en augustus 2010 en september 2010 en oktober 2010 en november 2010 en december 2010 en februari 2011 en maart 2011 en april 2011 en mei 2011 en juni 2011 en juli 2011 en augustus 2011 en september 2011 onjuist hebben gedaan,

immers hebben [verdachte] Holding B.V. en [verdachte] Consultancy C.S. (als deel uitmakende van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst in Nederland ingediende aangiften omzetbelasting over genoemde maanden een te laag belastbaar bedrag en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

hij in de periode van 18 februari 2009 tot en met 01 april 2009 in Nederland, een orderbevestiging/rekening van [bedrijf 1] gericht aan [verdachte] Consultancy B.V. te Deventer vermeldende de aankoop van een Loewe (audio/video) installatie ten bedrage van 8371,14

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, heeft vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk omschreven- op de oorspronkelijke orderbevestiging/rekening de vermelding "orderbevestiging" en de tekst met betrekking tot het afleveren van de apparatuur op verdachtes adres aan de [adres 1] te Deventer niet zichtbaar te maken en die orderbevestiging/rekening te kopiëren;

3.

hij in de periode van 14 november 2008 tot en met 11 oktober 2011 in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen tot een totaal van ongeveer EURO 160.280,36, toebehorende aan de [sportvereniging], welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester van die [sportvereniging], onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, sub 2 primair en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 225 lid 1 en 321 lid 1 Sr en artikel 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven terwijl het feit wordt gepleegd door een rechtspersoon waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: valsheid in geschrift;

feit 3

het misdrijf: verduistering, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft middels zijn vennootschappen waar hij bestuurder van was zes jaar lang opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan. Hij deed dit door geen of een te laag belastbaar bedrag op te geven en door een te hoog bedrag aan voorbelasting te claimen. Dit heeft er toe geleid dat de Belastingdienst in totaal een bedrag van € 285.135,= aan omzetbelasting is misgelopen. Daarnaast heeft verdachte een orderbevestiging vervalst. Verder heeft verdachte zich als penningmeester van de [sportvereniging] drie jaar lang schuldig gemaakt aan verduistering van gelden toebehorende aan die vereniging. In totaal is [sportvereniging] voor ruim € 119.000,= benadeeld.

Door het indienen van onjuiste belastingaangiften en het opsturen van een valse orderbevestiging heeft verdachte het vertrouwen beschaamd dat de Belastingdienst stelt in ondernemers op het moment dat zij aangifte doen.

Daarnaast heeft verdachte ernstig misbruikt gemaakt van het vertrouwen dat de leden en medebestuursleden van [sportvereniging] in hem stelden en heeft hij het voortbestaan van die vereniging in gevaar gebracht.

Uit het dossier en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, leidt de rechtbank af dat hij heeft geprobeerd de status die hij genoot bij zijn klanten, familie en verdere relaties met alle middelen, inclusief het plegen van stafbare feiten, in stand te houden. Hij heeft er daarbij een luxe en kostbare levensstijl op na gehouden.

Verdachte is voorts in het verleden eerder in verband met valsheid in geschrift veroordeeld. Binnen de proeftijd van de terzake opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een vorm van fraude. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de maatschappelijke positie van verdachte die sterk is aangetast door de publicaties die er zijn geweest rondom deze zaak en met het feit dat op verdachte’s huidige en toekomstige vermogen een enorme schuld zal worden verhaald.

Gelet op de ernst van de feiten, de omvang van het nadeel, de lange periode waarin de feiten zijn gepleegd en de recidive van verdachte zal de rechtbank niet meegaan in het advies van de reclassering, gedaan in haar rapport d.d. 11 november 2013, om aan verdachte naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Zij heeft daarbij rekening gehouden met:

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen € 250.000 en

€ 500.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vermelden van 12 tot 18 maanden;

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de grove wijze waarop het noodzakelijk vertrouwen in het handelsverkeer in het algemeen door verdachte is geschaad;

- het stelselmatige karakter van de bewezenverklaarde feiten;

- het feit dat aan verdachte reeds eerder voor een soortgelijk feit een straf is opgelegd.

De rechtbank merkt in dit verband op dat zij zich realiseert dat door een deel van de gevangenisstraf onvoorwaardelijk op te leggen, het herstel van verdachte’s maatschappelijke positie wordt bemoeilijkt, waardoor hij, in elk geval voorlopig, niet meer aan zijn afbetalingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Dit gegeven is echter onvoldoende reden om een andere dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 1] heeft zich namens de [sportvereniging] ([sportvereniging]), gevestigd te Deventer, [adres 2], voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 119.776,= (honderdnegentienduizend zevenhonderd zevenenzestig euro).

Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    overboekingen van [sportvereniging] naar rekeningen vennootschappen van de penningmeester groot € 119.776,=;

  • -

    plus extra schade vanwege onbehoorlijke taakvervulling penningmeester, hier is geen bedrag genoemd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit sub 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Voor de schadepost bestaande in de extra schade vanwege onbehoorlijke taakvervulling is echter niet een met bewijsstukken onderbouwd bedrag opgevoerd en een deel van de schade door de overboekingen wordt betwist door de verdediging. De raadsman heeft gesteld dat verdachte al een deel van het gevorderde benadelingsbedrag heeft terugbetaald. De raadsman heeft daartoe rekeningafschriften aan de rechtbank overhandigd. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte € 4.100,= heeft terugbetaald. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 115.667,64. De gestelde extra schade is niet voldoende onderbouwd en het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 36f, 51 en 91 Sr en artikel 68 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

11 De beslissing

De rechtbank:

ontvankelijkheid

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging;

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het sub 1, sub 2 primair en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub1, sub 2 primair en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven terwijl het feit wordt gepleegd door een rechtspersoon waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: valsheid in geschrift ;

feit 3

het misdrijf: verduistering, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1, sub 2 primair en sub 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [sportvereniging] van een bedrag van € 115.667,64 (honderdvijftienduizend zeshonderd zevenenzestig euro en vierenzestig eurocent);

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij, voornoemd, voor het overige deel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr. A.A.J. Lemain, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2013.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD-ECD met nummer 49549. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 18 november 2013, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de verdachte:

Van alle BV's was ik zelf ([verdachte]) enig aandeelhouder en tevens bestuurder, met uitzondering van [bedrijf 2] BV. Hiervan was ik 50% aandeelhouder. Het overzicht D-036 dat in het dossier zit klopt.

U deelt mij mee dat het gaat om 118 aangiften omzetbelasting van de verschillende BV’s.

Ik ben hiervoor verantwoordelijk geweest. In principe verzorgde ik deze. Er is wel eens een aangifte door een medewerker ingediend. Ik kan wel zeggen dat ik het gros van de aangiften zelf heb verzorgd en ingediend. Mijn administratie was een zooitje. Ik was alleen bezig opdrachten binnen te halen. Ik dacht ik stuur ze in dan heb ik aan mijn verplichtingen voldaan.

U zegt mij dat het gaat om ruim € 285.000,=. U hoort mij advocaat zeggen dat dit bedrag niet wordt betwist. Ik ben nu met mij fiscalist bezig schoon schip te maken. We gaan de BV’s één voor één langs. Er zijn ook naheffingsaanslagen geweest. We hebben daar volgens mij wel bezwaar tegen aangetekend.

Het klopt dat op de orderbevestiging van [bedrijf 1] met orderdatum 18-02-2009 en ordernummer 00023264-010 en geadresseerd aan [verdachte] Consultancy B.V. bij de omschrijving staat een "Loewe" installatie voor een totaal bedrag van € 8371,14 inclusief BTW. Het afleveradres is mijn thuisadres [adres 1] in Deventer. Het afleveradres klopt want het was op een zaterdag.

Het klopt dat ik het exemplaar van deze orderbevestiging heb afgeplakt voor de Belastingdienst. lk heb deze afgeplakt omdat hij niet juist was. lk heb hem afgeplakt en de voorbelasting geclaimd. Als u mij vraagt waarom ik dit heb gedaan heb zeg ik u dat ik dit heb gedaan om discussie te vermijden met de Belastingdienst.

Ten aanzien van feit 3 wil ik volgende opmerken.

[sportvereniging] is een [sportvereniging] in Deventer. Ik ben door de huidige voorzitter mevrouw [naam 2] gevraagd om penningmeester te worden. Dit is geweest omstreeks oktober 2008. Ik ben in oktober 2011 gestopt als penningmeester.

Ik was verantwoordelijk voor de financiën en betalingen binnen de [sportvereniging]. Hiermee bedoel ik dat de leveranciers, trainers etc. betaald werden door mij. Ook hield ik de administratie bij.

Ik was gezamenlijk met andere bestuurders bevoegd om verplichtingen aan te gaan.

Ik heb na een hele lange aanloop op 5 oktober 2011 een afspraak gemaakt met dhr. [naam 3] en mevr. [naam 2]. [naam 3] is een registeraccountant en een oud-penningmeester van de [sportvereniging]. Ik heb toen aan hen verteld dat ik gelden van de [sportvereniging] heb verduisterd.

Voor de periode van oktober 2008 tot zeg maar september 2011 had ik alleen een bankpas in mijn bezit om betalingen voor de [sportvereniging] mee te doen.

Als penningmeester had ik alleen de betalingsbevoegdheid en uiteraard toegang tot de gelden van [sportvereniging].

Ik had natuurlijk geld weggenomen bij de [sportvereniging]. Voor 5 oktober heb ik regelmatig betalingen gedaan vanuit mijn privé en rechtspersonen voor de [sportvereniging]. Ik weet niet meer precies wanneer ik hiermee ben begonnen.

Zakelijk ging het heel slecht met mij. Mijn vaste lasten waren hoger als mijn inkomsten. Banken wilden niet meewerken en ik raakte in paniek. Ik had betalingsverplichtingen en er dreigde van alles voor mijn gezin. Hiermee bedoel ik beslaglegging en dergelijke zaken. Om aan deze verplichtingen te voldoen heb ik gelden van de [sportvereniging] overgemaakt naar bankrekeningen van mijn privé en naar mijn rechtspersonen. Van deze gelden van de [sportvereniging] dichtte ik dan verschillende gaten.

Ik heb de omschrijving "loonheffing" regelmatig gebuikt omdat dit dan niet direct zou opvallen als mensen dit zouden zien. Dan zouden ze niet gelijk vraagtekens plaatsen bij deze overboekingen. Ik heb deze overboekingen gedaan om dat zakelijk de nood op dat moment heel hoog was en ik deze manier zag als enige uitweg om aan geld te komen.

Ik ben penningmeester geworden voor een stukje status en omdat mijn kinderen daar sporten. Ik voelde mij vereerd.

Ik ben niet met voorbedachten rade penningmeester geworden bij [sportvereniging] om gelden te verduisteren.

Het bedrag wat op de tenlastelegging staat klopt. Ik wil dit bedrag echter wel nuanceren van de 160.000,= euro die ik naar mijn eigen bankrekeningen heb overgeboekt heb ik 9000 euro teruggestort en ik heb daarvan ook leveranciers betaald. Daarbij gaat het om een bedrag van ongeveer 31.000,= euro. Er blijft dan een bedrag over van € 119.767,64.

Ik betwist dit bedrag niet. Ik heb wel een terugbetalingsregeling getroffen. Ik hoor mijn raadsman zeggen dat ik 4.050,= euro heb terugbetaald en dat daarvoor betalingsbewijzen zal overleggen.

2. Een geschrift (D-036), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[organogram bedrijven verdachte]

3.

Een brief opgemaakt door [naam 4], ambtenaar van de Belastingdienst en

boete/fraude coördinator van de Belastingdienst/Oost d.d. 14 mei 2012 (D-053), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de feiten, vermeld in het proces-verbaal met kenmerk 49549 dat door de FIOD Zwolle is opgemaakt contra:

[verdachte]; [verdachte] Holding BV (vanaf 23-11-2009 genaamd: [verdachte] Business Groep BV) [verdachte] Business Services BV (vanaf 11-11-2011 genaamd: [verdachte] BV) [verdachte] Bedrijfsopleidingen BV (vanaf 09-11-2011 genaamd: [verdachte] BV) [verdachte] Beheer BV [verdachte] Consultancy BV ([verdachte] Beheer BV en [verdachte] Consultancy vormen vanaf het tweede kwartaal 2007 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. [verdachte] Holding BV, [verdachte] Business Services BV en [verdachte] Bedrijfsopleidingen BV vormen vanaf het derde kwartaal 2007 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) stel ik vast

- dat voor tijdvakken in de jaren 2005 en 2006, alsmede voor het eerste kwartaal 2007 op naam van [verdachte] Holding BV, [verdachte] Business Services en [verdachte] Bedrijfsopleidingen BV (vermoedelijk) opzettelijk aangiften omzetbelasting onjuist zijn gedaan waardoor in totaal

€ 107.947 te weinig omzetbelasting is geheven (hierbij is een suppletie van belastingplichtige ad € 4.922 verrekend);

- dat voor tijdvakken in de jaren 2007 (3e en 4e kwartaal), 2008, 2009, 2010 en 2011 op naam van de fiscale eenheid [verdachte] Holding BV c.s. (vermoedelijk) opzettelijk aangiften omzetbelasting niet of onjuist zijn gedaan waardoor in totaal € 56.219 te weinig omzetbelasting is geheven;

- dat voor tijdvakken in de jaren 2007 (2e t/m 4e kwartaal), 2008 en 2009 op naam van de fiscale eenheid [verdachte] Beheer BV, [verdachte] Consultancy BV (vermoedelijk) opzettelijk aangiften omzetbelasting niet of onjuist zijn gedaan waardoor in totaal € 121.277 te weinig omzetbelasting is geheven (hierbij is een suppletie van belastingplichtige ad € 5.787 verrekend).

In totaal is er door het opzettelijk niet of onjuist doen van aangifte omzetbelasting € 285.443 te weinig omzetbelasting geheven.

4.

Een ambtsedige verklaring (D-010) van [naam 5] van de centrale administratie van de Belastingdienst d.d. 16 november 2011 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de aangiften omzetbelasting van [verdachte] Businessgroep BV over de periode januari 2005 tot en met maart 2007 elektronisch zijn binnengekomen. De aangiften zijn gedaan met behulp van gebruikersnaam [gebruikersnaam]. Daarbij is als email adres opgegeven [e-mailadres]. Bij de aangiften over de tijdvakken januari 2005 tot en met november 2005 is er geen naam als aangever ingevoerd. Bij de aangifte over de tijdvakken december 2005 tot en met maart 2007 staat bij het onderdeel ondertekening '[verdachte]'.

5.

Een ambtsedige verklaring (D-011)van [naam 5] van de centrale administratie van de Belastingdienst d.d. 16 november 2011 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de aangiften omzetbelasting van [verdachte] BV (voorheen [verdachte] Business Services BV) over de tijdvakken maart 2006 en het kwartaal 2006 tot en met het 1e kwartaal 2007 elektronisch bij de Belastingdienst zijn binnengekomen. Bij alle aangiften, met uitzondering die van maart 2006, staat als naam ondertekenaar de heer [verdachte].

6.

Een ambtsedige verklaring (D-012) van [naam 6], werkzaam bij de centrale administratie van de d.d. 17 november 2011 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de aangiften omzetbelasting van de fiscale eenheid [verdachte] Beheer BV, [verdachte] Consultancy BV over de tijdvakken 3e kwartaal 2007 en oktober 2007 tot en met december 2009 elektronisch bij de Belastingdienst zijn binnengekomen. Bij alle aangiften, staat bij het onderdeel ondertekening '[verdachte]'.

7.

Een ambtsedige verklaring (D-013) van [naam 6], werkzaam bij de centrale administratie van de d.d. 17 november 2011voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de aangiften omzetbelasting van de fiscale eenheid van [verdachte] BV (voorheen [verdachte] Bedrijfsopleidingen BV) over de tijdvakken 1 januari 2005 tot en met het 1e kwartaal 2007 elektronisch bij de Belastingdienst zijn binnengekomen. Bij alle aangiften staat bij het onderdeel ondertekening '[verdachte]'.

8.

Een ambtsedige verklaring (D-014) van [naam 6], werkzaam bij de centrale administratie van de d.d. 17 november 2011 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de aangiften omzetbelasting van de fiscale eenheid [verdachte] Holding BV, [verdachte] Consultancy C.S. over de tijdvakken april 2007 tot en met juni 2008 en september 2008 tot en met december 2010 elektronisch bij de Belastingdienst zijn binnengekomen. Bij alle binnengekomen aangiften staat bij het onderdeel ondertekening [verdachte]'.

9.

Een ambtsedige verklaring (D-015) van [naam 6], werkzaam bij de centrale administratie van de d.d. 17 november 2011voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat de aangiften omzetbelasting van de fiscale eenheid van [bedrijf 2] BV over het 4e kwartaal 2008 tot en met het 2e kwartaal 2009 zijn ingediend met behulp van het softwarepakket van [pakket]. Bij de binnengekomen aangiften over het 3e kwartaal 2010 tot en met 2e kwartaal 2011 en de maanden juli tot en met september 2011 staat bij het onderdeel ondertekening '[verdachte]'.

10.

Een geschrift (D-032/1), zijnde een orderbevestiging van [bedrijf 1], d.d. 18 februari 2009 gericht aan [verdachte] Consultancy B.V. te Deventer, waarop vermeld de aankoop van een Loewe installatie ten bedrage van € 8.371 en waarop staat vermeld dat de aankoop moet worden afgeleverd op het adres [adres 1], 7425 DG Deventer. Voorkeur zaterdag 21 februari. Tv ophangen kabelgoot meenemen.

11.

Een geschrift (bijlage D-032/2), zijnde een geschrift van [bedrijf 1], d.d. 18 februari 2009 gericht aan [verdachte] Consultancy B.V. te Deventer betrekking hebbende op de aankoop van een Loewe installatie ten bedrage van € 8.371 met afgeplakte delen.

12.

Een geschrift (bijlage D-032/3), zijnde een kopie van een geschrift van [bedrijf 1], d.d. 18 februari 2009 gericht aan [verdachte] Consultancy B.V. te Deventer betrekking hebbende op de aankoop van een Loewe installatie ten bedrage van € 8.371.

13.

Een proces-verbaal van aangifte (D-001) van [naam 7], d.d. 7 oktober 2011, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van aangever:

Ik doe aangifte van verduistering. Men heeft zich zonder enig recht of toestemming enig goed, dat geheel of gedeeltelijk aan de [sportvereniging] toebehoort, en dat men anders dan door misdrijf onder zich had toegeëigend.

Ik verklaar u daarover het volgende:

Ik ben als voorzitter verbonden aan de [sportvereniging], gevestigd aan de [adres 3] te Deventer, en namens deze gerechtigd tot het doen van aangifte verduistering.

Op woensdag 19 november 2008 werd bij de [sportvereniging] benoemd tot penningmeester, de heer [verdachte], wonende aan de[adres 1]. In het tweede jaar dat de heer [verdachte] als penningmeester verbonden was aan de [sportvereniging], ontdekten wij als bestuur dat diverse rekeningen niet op tijd betaald werden. Wanneer de heer [verdachte] hiermee werd geconfronteerd door de financiële commissie, gaf de heer [verdachte] als reden, dat hij nog wachtte op een belastingteruggave of de nog niet betaalde contributies van leden. De heer [verdachte] had altijd van dit soort uitvluchten.

Omdat wij als bestuur het vreemd vonden dat diverse rekeningen en dergelijke niet meer betaald werden, ben ik zelf als voorzitter van de [sportvereniging] in september van dit jaar 2011 een onderzoek gestart. Dit mede omdat wij als bestuur van de [sportvereniging] berichten ontvingen van diverse leveranciers, dat de heer [verdachte] de rekeningen soms uit eigen middelen zou betalen. Tevens vernamen wij als bestuur dat de heer [verdachte] niet voldoende huur aan de stichting [sportvereniging] betaalde. De [sportvereniging] huurt namelijk de velden van de stichting [sportvereniging]. De heer [verdachte] gaf namelijk ook geen inzage van de rekeningen aan de stichting [sportvereniging]. De stichting kon omdat men hier nooit de juiste gegevens van de heer [verdachte] ontving geen jaarrekeningen opmaken. Het stichtingsbestuur trok daarover bij voortduring aan de bel bij het bestuur van de [sportvereniging]. Wanneer voornoemd bestuur de heer [verdachte] hiermee confronteerde, had de heer [verdachte] altijd een uitvlucht, of zei dat hij de week daarop met het stichtingsbestuur om de tafel zou gaan. Kortom, de heer [verdachte] had steeds smoesjes en uitvluchten. Op donderdag 29 september 2011 heb ik als voorzitter zelf wat onderzoek gedaan. Zo ben ik in eerste instantie naar de Rabobank gegaan en heb inzage gevraagd in de transacties van de [sportvereniging]. Ik zag gelijk al op een van de afschriften, dat er een bedrag van 24.914,05 euro was overgeschreven van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van de [sportvereniging], naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [verdachte] Consultancy. Hierbij gingen bij mij de alarmbellen rinkelen. De baliemedewerker bij de bank gaf mij op dat moment te kennen, dat het teveel afschriften ineens waren vanaf 19 november 2008, om gelijk uit te printen en aan mij mee te geven. De vicevoorzitter van de [sportvereniging], de heer [naam 8] heeft op vrijdag 30 september 2011 alle afschriften met betrekking tot rekeningnummer [rekeningnummer 1] bij de Rabobank opgehaald en deze overhandigd aan de heer [naam 3], accountant van beroep en lid van de [sportvereniging] en van de financiële commissie. De financiële commissie heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de rekening afschriften van de Rabobank. Op woensdag 5 oktober 2011, is de heer [verdachte] samen met de heer [naam 3] (financiële commissie) om de tafel gaan zitten om de jaarcijfers te controleren. Zelf was ik die avond ook aanwezig in het clubhuis van de [sportvereniging], dit omdat ik er geen goed gevoel over had. Omstreeks 21.30 uur, werd ik door de heer [verdachte] verzocht bij hem en de heer [naam 3] te gaan zitten, omdat hij mij/ons wat moest bekennen.

Nadat ik had plaats genomen in het vertrek waar de heren [verdachte] en [naam 3] zich ook bevonden, zei de heer [verdachte]: “Ik moet jullie iets bekennen, ik heb geld van de rekening van de [sportvereniging] overgemaakt naar mijn eigen rekening".

De heer [verdachte] liet de heer [naam 3] en mij zelf een Excel staatje op de computer zien, waarin verschillende bedragen stonden vermeld. De heer [verdachte] gaf hierbij uitleg aan de heer [naam 3] en mijzelf, dat hij in totaal een bedrag van 35.000.-- euro had overgemaakt naar zijn eigen rekening. Hij zei dit bedrag met daarbij dan wel 1.500.-- euro aan rente terug te zullen betalen aan de [sportvereniging], en dan zou het volgens de heer [verdachte] wel in orde zijn. De heer [naam 3] en ik waren zo verbouwereerd, dat wij niet gevraagd hebben aan de heer [verdachte] waar hij het geld voor gebruikt heeft. Wel hebben wij de heer [verdachte] gevraagd of voornoemde 35.000.-- euro alles was wat hij had overgeheveld naar zijn eigen rekening. De heer [verdachte] antwoordde hierop dat hij dacht van wel. Toen wij hem vroegen: wat is dit nu [verdachte], zei de heer [verdachte] vervolgens dat dit inderdaad het totale bedrag zou zijn wat hij naar zijn eigen rekening zou hebben over gemaakt. Echter, ik zelf heb hier vraagtekens bij. De financiële commissie is nog met het onderzoek bezig, om te achterhalen hoeveel geld de heer [verdachte] in totaal heeft verduisterd en van bankrekening [rekeningnummer 1] ten name van de [sportvereniging] naar zijn eigen rekening voorzien van nummer [rekeningnummer 2] heeft overgemaakt.

Op het moment dat de financiële commissie van de [sportvereniging] de rekeningafschriften heeft gecontroleerd, zullen hiervan de kopieën alsnog aan de politie worden overhandigd.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

1 Hoge Raad 19 februari 2013, LJN BY5322.

2 Hoge Raad 8 mei 2012, LJN BW5002.

3 HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376.