Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3075

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
C/08/145855 / KG ZA 13-365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil – executoriaal gelegde beslag is (op deze wijze) niet gerechtvaardigd – opheffing beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/145855 / KG ZA 13-365

datum vonnis: 22 november 2013 (jk)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. M.H. Hasselo te Nijverdal,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna afzonderlijk als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ worden aangeduid.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, inclusief producties

- de mondelinge behandeling

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2.

[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie is geboren:

- [K], geboren op [1997] te [plaats].

2.3.

De rechtbank Almelo heeft bij beschikking van 4 december 2002 bepaald dat [eiser] een bedrag van € 275,- per maand ten titel van kinderalimentatie aan [gedaagde] dient te voldoen.

2.4.

Er is een achterstand in de betaling van voornoemde betalingsverplichting ontstaan.

2.5.

[gedaagde] heeft op 27 september 2013 executoriaal beslag laten leggen op de onroerende zaak van [eiser], staande en gelegen te [plaats] aan de [adres], ter verzekering van het verhaal van een door [gedaagde] gestelde vordering op [eiser] uit hoofde van achterstallige kinderalimentatie ten bedrage van € 16.799,09.

2.6.

Lindorff Credit Management B.V. (hierna: Lindorff) heeft bij brief van 7 oktober 2013 medegedeeld dat ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) het dossier aan haar heeft overgedragen, nadat aan ABN AMRO - als zijnde eerste hypotheekhouder - het executoriale beslag is betekend. In verband met deze overdracht van executie heeft Lindorff aan [eiser] een bedrag van € 125,- in rekening gebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair opheffing van het executoriale beslag, subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot opheffing van genoemd beslag met onmiddellijke ingang op straffe van verbeurte van een dwangsom, meer subsidiair de primair of subsidiair gevorderde voorziening te treffen, onder de voorwaarde dat [eiser] € 437,68, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen zekerheid stelt, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit kort geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van Lindorff.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] dat hij altijd aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, door het bedrag telkens contant aan [gedaagde] te voldoen, veelal door aan zijn zoon een envelop met geld mee te geven. Volgens [eiser] is er thans nog slechts sprake van een achterstand van € 437,68, welke bedrag hij bereid is te betalen. Nu de WOZ-waarde van de woning

€ 241.000,- bedraagt is het gelegde executoriale beslag buiten alle proporties en staat in geen verhouding tot de door [gedaagde] gepretendeerde vordering. [gedaagde] heeft het voor [eiser] meest bezwarende beslag laten leggen, terwijl loonbeslag of beslag op de auto van [eiser] ook afdoende zou zijn geweest. De zoon van partijen is thans weer bij [eiser] woonachtig en [eiser] krijgt dan ook de indruk dat [gedaagde] deze wijze van beslag heeft gekozen om op deze manier wraak te nemen. Reden waarom [gedaagde] misbruik maakt van recht en het beslag met onmiddellijke ingang dient te worden opgeheven, aldus [eiser].

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

4.2.

Het geschil tussen partijen is een executiegeschil. Voor de beantwoording van de vraag of de vordering tot opheffing van het beslag bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of [gedaagde] de bevoegdheid tot executie toekomt, en zo ja, of zij bij gebruikmaking van deze bevoegdheid misbruik maakt van recht. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de beschikking van deze rechtbank van

4 december 2002 niet berust op een juridische of feitelijke misslag en [gedaagde] op grond van voornoemde beschikking ook de bevoegdheid tot executie toekomt, zodat slechts nog de vraag dient te worden beantwoord of [gedaagde] door het leggen van het beslag misbruik maakt van recht doordat ten gevolge van de executie aan de zijde van [eiser] een noodtoestand ontstaat.

4.4.

Daartoe heeft [eiser] meer in het bijzonder gesteld dat ten gevolge van het gelegde beslag Lindorff in opdracht van ABN AMRO de executie heeft aangezegd en te verwachten valt dat de woning van [eiser] op korte termijn onderhands dan wel openbaar verkocht dreigt te gaan worden. Als gevolg hiervan zullen [eiser] en zijn zoon op straat komen te staan, met alle gevolgen (en met name ook kosten) van dien. Nu er slechts een achterstand is van € 437,68 - welk bedrag [eiser] overigens direct zou kunnen voldoen - levert het gelegde beslag met zulke desastreuze gevolgen misbruik van recht op. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen verschillen van mening over de hoogte van de achterstand in betaling van de verschuldigde kinderalimentatie. Hoewel [gedaagde] stelt zelden enige betaling te hebben ontvangen en de door [eiser] overgelegde bankafschriften niet aantonen dat de door [eiser] gepinde bedragen ook daadwerkelijk aan [gedaagde] zijn overhandigd, acht de voorzieningenrechter het zeer onaannemelijk dat [gedaagde] over een periode van ruim vijf jaar geen actie jegens [eiser] onderneemt wanneer zij - zoals [gedaagde] zelf stelt - zo afhankelijk was van de maandelijkse betalingsverplichting om in het dagelijkse onderhoud van de zoon van partijen te voorzien. Tegenover de gemotiveerde stellingen en uitvoerige producties van [eiser] volstaat de enkele ontkenning van [gedaagde] niet. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat, hoewel de door [eiser] overgelegde stukken niet onomstotelijk aantonen dat hij immer aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, [eiser] gelet op het voorgaande, vooralsnog aannemelijk heeft gemaakt dat de door [gedaagde] gepretendeerde achterstand niet dermate hoog is dat dit het door haar - op deze wijze - gelegde executoriale beslag rechtvaardigt. Om die reden zal de voorzieningenrechter het executoriaal gelegde beslag opheffen. De vordering tot veroordeling van [gedaagde] in de incassokosten gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het bestek van dit kort geding te buiten en zal om die reden worden afgewezen.

4.5.

De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad reden om de proceskosten in dit kort geding te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Heft op het executoriaal beslag dat [gedaagde] ten laste van [eiser] heeft gelegd op de woning van [eiser], staande en gelegen te [plaats] aan de [adres], ter verzekering van het verhaal van een door [gedaagde] gestelde vordering op [eiser] uit hoofde van achterstallige kinderalimentatie ten bedrage van € 16.799,09;

II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.