Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3053

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
08/955488-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte rijdt gehaast met de auto naar de huisartsenpost met zijn schijnbaar niet meer ademende, blauw aangelopen zoon voor wiens leven hij vreesde. Kort voor een T-splitsing haalt hij over de andere weghelft een andere auto in, terwijl hij geen goed zicht had op het kruisingsvlak achter de in te halen auto. Andere weggebruikers verwachten zulk gedrag niet. De gevolgde aanrijding met een fietser is naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte’s aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag te wijten (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994). De luttele seconden die hij met zijn inhaalmanoeuvre kon winnen tijdens een rit van enkele minuten staan niet in verhouding tot het gevaar dat hij voor andere weggebruikers op de kruising veroorzaakt. Een beroep op overmacht, noodtoestand, wordt daarom verworpen. De rechtbank houdt in de strafmaat wel rekening met de bijzondere omstandigheid waaronder verdachte het feit pleegde.

De rechtbank spreekt vrij van het tenlastegelegde harder rijden dan was toegestaan, nu het naar het oordeel van de rechtbank er juist op lijkt dat hij op het voor deze zaak relevante deel van het gereden traject geen te hoge snelheid had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/955488-13

Datum vonnis: 4 december 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 november 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Nijpels en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een fietser, [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel (subsidiair) dat hij als bestuurder van een auto de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht waarbij hij [slachtoffer] heeft aangereden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 31 december 2012 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel Zafira, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Krijgerstraat, gaande in de richting van het kruispunt van deze weg met de Petersburgstraat, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

- terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd, beperkt en/of gehinderd, en/of

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 72 km/h, in elk geval harder dan de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 km/h, en/of

- ( kort) voor dat kruispunt een ander motorrijtuig (personenauto) heeft ingehaald, en/of

- ( daarbij) met het door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte (van de Krijgerstraat) is terechtgekomen, en/of

- ( daarbij) een bestuurder van een fiets, welke uit tegenovergestelde richting naderde, niet of te laat heeft opgemerkt/gezien, en/of

- ( vervolgens) is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met de bestuurder van die fiets,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 31 december 2012 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel Zafira, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Krijgerstraat, gaande in de richting van het kruispunt van deze weg met de Petersburgstraat,

- terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd, beperkt en/of gehinderd, en/of

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 72 km/h, in elk geval harder dan de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 km/h, en/of

- ( kort) voor dat kruispunt een ander motorrijtuig (personenauto) heeft ingehaald, en/of

- ( daarbij) met het door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte (van de Krijgerstraat) is terechtgekomen, en/of

- ( daarbij) een bestuurder van een fiets, welke uit tegenovergestelde richting naderde, niet of te laat heeft opgemerkt/gezien, en/of

- ( vervolgens) is gebotst, althans in aanrijding is gekomen met de bestuurder van die fiets,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de duur dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezenverklaard kan worden met inbegrip van alle gedachtestreepjes. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden. Verdachte heeft het leven van de andere verkeersgebruikers in de waagschaal gezet om zijn zoontje zo spoedig mogelijk naar de huisartsenpost te kunnen brengen. Door het ongeval heeft het slachtoffer meerdere ribben gebroken, een gebroken oogkas, een gescheurde milt en meerdere botbreuken in zijn onderbeen opgelopen, hetgeen volgens de officier van justitie te kwalificeren valt als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft betoogd dat niet bewezen kan worden verklaard dat hij roekeloos, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam heeft gereden. Verdachte was naar eigen zeggen zeer oplettend.

Ook kan volgens verdachte niet bewezen worden verklaard dat hij ten tijde van het verkeersongeval nog op de linker rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer reed. Verdachte was naar eigen zeggen klaar met inhalen en hij was alweer op of bijna op zijn eigen weghelft.

Daarnaast kan volgens de verdachte het gedachtestreepje dat hij harder heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 50 km/per uur niet bewezen worden verklaard. Verdachte heeft naar eigen zeggen in de tweede versnelling en niet te hard gereden. Er zijn ook geen remsporen aangetroffen op de plaats van het ongeval.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.

Op 31 december 2012 heeft er een aanrijding tussen een personenauto en een fietser plaatsgevonden op de Krijgerstraat te Vriezenveen. Bij de aanrijding zijn verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] betrokken. Een drietal personen genaamd [getuige 1],

[getuige 2] en [getuige 3] zijn in meer of mindere mate getuige geweest van de aanrijding.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op 31 december 2012, als bestuurder van een personenauto (Opel Zafira met kenteken [kenteken]), betrokken was bij een aanrijding met een fietser, welke aanrijding heeft plaatsgevonden op de Krijgerstraat te Vriezenveen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde verwijtbare gedragingen die aan de aanrijding voorafgaan en die een oorzakelijk verband met de aanrijding zouden hebben het volgende.

Op 31 december 2012 in Vriezenveen, gemeente Twenterand, rijdt verdachte met zijn vijfjarige zoontje in zijn auto op de Krijgerstraat. Verdachte is op weg naar de huisartsenpost en hij heeft haast. Zijn zoontje is even daarvoor thuis onwel geworden, blauw aangelopen en hij ademt niet meer. Hij zit op de passagiersstoel naast verdachte aangeleund, “hangend”, tegen de leuning en de deur. Na de kruising met de Verzetstraat en voor de T-kruising met de Petersburgstraat haalt verdachte op de Krijgerstraat links, op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weghelft, een voor hem rijdende auto van [getuige 1] in.

Juist op het moment dat verdachte inhaalt komt [slachtoffer] uit tegenovergestelde richting aan fietsen. [slachtoffer] wil op de T-kruising met de Petersburgstraat linksaf slaan de Petersburgstraat in. Hij gaat daartoe naar het midden van de weg. Verdachte wijkt uit naar links, maar kan de fietser, [slachtoffer], niet meer ontwijken, waardoor een aanrijding ontstaat. Het is de rechtbank onduidelijk gebleven of verdachte na het inhalen weer helemaal terug was gekeerd op de eigen weghelft. Dat zou naar het oordeel van de rechtbank wel het geval kunnen zijn geweest. De foto in het dossier die inzicht geeft over de plaats van de aanrijding, bij een put in het midden van de weg, en die inzicht geeft in de hoek die de auto van verdachte en de fiets van het latere slachtoffer ten opzichte van elkaar hadden en die ook inzicht geeft in de plaats van het elkaar raken van elk van beide voertuigen, wekt wellicht onbedoeld ook een suggestie over de hoek van de auto en fiets ten opzichte van de as van de weg op het moment van de aanrijding, namelijk dat de auto nog op de linker weghelft was op het moment van aanrijden van de fiets. Deze suggestie vindt echter geen steun in het dossier. De auto is voor de foto teruggeplaatst op de waarschijnlijke plek van de aanrijding maar de richting waarin de auto voor de foto is geplaatst wordt niet verantwoord door de Verkeers Ongevallen Analyse (verder: VOA) noch door enig ander bewijsmiddel. Zo is de plaats waar de auto even later tegen een trottoir tot stilstand is gekomen en de hoek waarin de wielen dan staan niet in verband gebracht met de plek en richting waarin de voertuigen op de foto bij de put zijn geplaatst. De plaats van het ongeval wordt enkel afgeleid uit de eiersalade die uit de fietstas moet zijn gevallen, en dat is klaarblijkelijk bij de put gebeurd, maar de richting waarin de auto op dat moment reed volgt daar niet met enige zekerheid uit. De combinatie van de auto en de fiets in hun onderling aannemelijk vastgestelde hoek kan derhalve draaien om de put heen, waarbij de auto al of niet rechtdoor reed op de linker helft of meer schuin naar links gestuurd schuin op de weg reed komend vanaf de rechter helft of vanaf het midden van de weg.

Om in te halen moet verdachte wel ergens tussen de Verzetstraat en de Petersburgstraat over de voor hem linker weghelft zijn gereden en dat is het enige wat in de tenlastelegging staat met betrekking tot de weghelft: er staat niet ook in de tenlastelegging dat hij daar nog reed ten tijde van de aanrijding. Die tenlastegelegde gedraging kan derhalve wel bewezen worden verklaard.

Voor wat betreft de snelheid waarmee volgens de tenlastelegging is gereden overweegt de rechtbank dat voor deze strafzaak slechts relevant is de snelheid op het relevante traject tussen de Verzetstraat en de Petersburgstraat. [getuige 1] reed volgens de VOA, naar aanleiding van ter plaatse onder gelijke omstandigheden met dezelfde auto en met medewerking van [getuige 1] gehouden proeven, op dat traject nog geen 30 km/uur gemiddeld en de aanrijding is volgens de VOA gebeurd met een lagere snelheid dan 50 km/u gelet op de schade. Deze bevindingen komen de rechtbank betrouwbaar voor. Dat verdachte aanzienlijk te hard, harder dan de maximumsnelheid van 50 km/uur, zou hebben gereden op het relevante traject is daardoor allerminst buiten twijfel komen vast te staan. Dat verdachte op het traject vanaf de haakse hoek in de Krijgerstraat tot aan de Verzetstraat veel harder dan 50 km/uur heeft gereden is echter wel voor te stellen nu hij op dat stuk onbelemmerd het gaspedaal kon indrukken. Dat hij daardoor gemiddeld over het traject van die haakse hoek tot aan de splitsing met de Petersburgstraat 72 km/uur zou hebben gereden, zoals de VOA meent, is daarom heel wel denkbaar, maar niet redengevend voor het oordeel dat verdachte op het relevante traject tussen Verzetstraat en Petersburgstraat aanzienlijk te hard reed waardoor een aanrijding is geschied.

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet de rechtbank onder andere vaststellen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij er minimaal sprake moet zijn van een aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen door verdachte.

Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het -volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad- aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

De rechtbank is gelet op de getuigenverklaringen van [slachtoffer], [getuige 1] en

[getuige 4] en gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden als gevolg waarvan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft immers, zo uit heeft de rechtbank vastgesteld, vlak voor de T-kruising met de Petersburgstraat een auto links ingehaald waarbij hij enige tijd op de linker weghelft die bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer heeft gereden. Verdachte had voordat hij aan die manoeuvre begon geen goed zicht op wat zich voor de auto van [getuige 1] afspeelde. Hij wist dat hij afstevende op een voor hem bekende T-splitsing met een kruisingsvlak. Door de korte afstand tot dat kruisingsvlak moest hij weten dat hij niet tijdig zicht zou krijgen op de situatie op dat vlak. In andere woorden, hij heeft te kort voor een kruising een inhaalmanoeuvre ingezet en uitgevoerd zonder rekening te houden met wat hij op de kruising zou kunnen tegenkomen. Te laat zag hij daardoor de fietser, die hem ook pas laat zag. De aanrijding konden verdachte en [slachtoffer] daardoor niet meer voorkomen.

Verdachte had zich ervan bewust moeten zijn dat ook andere weggebruikers hem niet zagen aankomen en dat zij ook niet reëel rekening behoefden te houden met de volstrekt ongebruikelijke inhaalmanoeuvre die verdachte heeft ingezet en (al of niet bijna) afgerond zo kort voor die splitsing. Hij moest ermee rekening houden dat ander verkeer bij dat kruisingsvlak verrast kon worden door zijn plotselinge verschijning op de voor hen rechter weghelft en dat zij dan wellicht onverwacht rijgedrag gaan vertonen. Hij moest zich ervan bewust zijn dat hij in een auto reed waarmee hij gemakkelijk het overlijden van andere weggebruikers kon veroorzaken. De rechtbank houdt ermee rekening dat [slachtoffer] mogelijk geschrokken is toen hij verdachte plots op de voor hem rechter weghelft zag en daarna wellicht ook weer naar de voor hem goede linker helft zag sturen, de weghelft die hij juist op het punt stond over te steken. Mogelijk verklaart dat dat hij, [slachtoffer], zoals getuige [getuige 2] verklaart, wat hakkelend op de kruising de bocht in stuurt; wellicht was [slachtoffer] aan het twijfelen geslagen hoe hij een aanrijding moest voorkomen met de auto die eerst plots rechts voor hem opduikt en daarna weer naar links stuurt. Dit alles is gebeurd door de onbesuisde inhaalmanoeuvre op een punt waar verdachte de weg niet voldoende kon overzien, waarmee hij anderen in verwarring kon brengen en op de koop toe nam dat hij andere weggebruikers zou aanrijden.

Feit is dat hij toen zoals gezegd de fietser, de heer [slachtoffer] heeft aangereden. Het slachtoffer, [slachtoffer], heeft als gevolg van de aanrijding, zo blijkt uit de medische informatie en zijn verklaring, meerdere gebroken ribben, een gebroken oogkas, een gescheurde milt en meerdere botbreuken in zijn onderbeen opgelopen. Het slachtoffer heeft minimaal vier weken in het ziekenhuis moeten verblijven. Uit zijn verklaring blijkt dat hij na de periode in het ziekenhuis naar een verzorgingstehuis zal moeten worden overgeplaatst voor therapie. Het slachtoffer zal daar verder moeten herstellen van zijn verwondingen.

Het door het slachtoffer opgelopen letsel is naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar aan te duiden als zwaar lichamelijk letsel.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 december 2012 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Opel Zafira, kenteken

[kenteken]), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Krijgerstraat, gaande in de richting van het kruispunt van deze weg met de Petersburgstraat, aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

- kort voor dat kruispunt een ander motorrijtuig (personenauto) heeft ingehaald, en

- daarbij met het door verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte (van de Krijgerstraat) is terechtgekomen, en

- daarbij een bestuurder van een fiets, welke uit tegenovergestelde richting naderde, te laat heeft opgemerkt, en

- vervolgens in aanrijding is gekomen met de bestuurder van die fiets,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 WVW 1994.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Hoewel verdachte niet uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op overmacht, noodtoestand, zal de rechtbank het verweer van verdachte, dat hij handelde uit nood vanwege zijn zoon, wel als zodanig beschouwen en beoordelen of dit verweer terecht gevoerd wordt. Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat er sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een acute concrete nood om een einde te maken aan een conflict tussen rechtens te beschermen belangen. Bovendien moet de gedraging voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte moet in zijn belangafweging kiezen voor de behartiging van het meest zwaarwegende belang.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte zonder meer een zwaarwegend belang wilde dienen, namelijk de gezondheid en denkelijk zelfs het leven van zijn vijfjarige zoontje, maar de verkeersveiligheid is hieraan niet totaal ondergeschikt. Ook de gezondheid en zelfs levens van andere weggebruikers stonden op het spel. De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet zo kort voor de splitsing met de Petersburgstraat over de linker weghelft had moeten gaan inhalen. Immers nam hij daarmee een reëel en potentieel dodelijk risico voor één of meer andere weggebruikers op het kruisingsvlak dat hij voor de inhaalmanoeuvre niet kon overzien, terwijl hij met die inhaalmanoeuvre maar luttele seconden tijd kon winnen op een rit naar de huisartsenpost die tenminste enkele minuten zou duren. Zijn gedraging was daardoor niet proportioneel in de gegeven omstandigheden, hoezeer de rechtbank zich ook de ernst van de situatie en de wens van verdachte kan voorstellen om snel bij de dokter aan te komen. Met de inhaalmanoeuvre kort voor de kruising viel maar weinig tijd te winnen en het heeft niet veel gescheeld of deze zou ook het leven van [slachtoffer] hebben gekost.

Het beroep op overmacht in de zin van een noodtoestand moet daarom worden afgewezen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft op 31 december 2012 te Vriezenveen een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, waarbij een 84-jarige fietser is aangereden. Verdachte wilde zo spoedig mogelijk met zijn vijfjarige zoontje naar de huisartsenpost. Om dit te bewerkstelligen heeft hij vlak voor een T-kruising een auto ingehaald. Hij nam op de koop toe dat hij de kruising niet goed kon overzien en dat er daardoor een ongeluk zou gebeuren. Dat ongeluk is gevolgd en met name de heer [slachtoffer] ondervindt daarvan de ernstige gevolgen. Aan de andere kant is voor de rechtbank ook volstrekt begrijpelijk dat verdachte zo snel mogelijk naar de huisartsenpost wilde. Het is begrijpelijk dat verdachte de komst van een ambulance aan huis niet wilde afwachten en meer heil verwachtte van de huisartsenpost dichtbij.

Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van na te melden duur passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die aanzienlijk lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan. Hierbij heeft de rechtbank ook ermee rekening gehouden dat verdachte’s snelheid in het verband met de aanrijding anders dan de officier van justitie meent niet te hoog lijkt te zijn geweest en met de bijzondere omstandigheden van het geval waaronder de aanrijding heeft plaatsgevonden.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 Sr en de artikelen 6, 178 en 179 WVW 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    misdrijf: overtreding van artikel 6 WVW 1994;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van (2) twee jaren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van (2) twee jaren met aftrek van de duur dat het rijbewijs ingevorderd is geweest ingevolge artikel 179 WVW 1994;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en

mr. B.C. Maresch-Evers, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.

Buiten staat

Mr. B.C. Maresch-Evers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL05OD 2012130219. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 november 2013, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte:

Op 31 december 2012 reed ik op de Krijgerstraat te Vriezenveen in de richting van Westeinde. Ik had haast omdat ik mijn zoontje zo snel mogelijk naar de huisartsenpost wilde brengen. Ik zag dat een auto uit de Verzetstraat linksaf de Krijgerstraat op kwam rijden. Ik heb deze auto ingehaald op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijweg. Ik was de auto gepasseerd en ik was bezig om terug te gaan naar mijn eigen weghelft. Plotseling kwam een fietser, [slachtoffer] uit tegenovergestelde richting aan fietsen. [slachtoffer] wilde linksaf slaan de Petersburglaan in. Ik ben naar links uitgeweken, maar ik kon [slachtoffer] niet meer ontwijken.

2.

Het proces-verbaal van benadeelde [slachtoffer] in het ziekenhuis te Almelo, van

28 januari 2013, pagina 30, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de benadeelde:

Op 31 december 2012 reed ik over de Krijgerstraat te Vriezenveen en wilde op de T-kruising met de Petersburgstraat linksaf de Petersburgstraat inrijden. Ik kon echter nog niet afslaan omdat er mij een personenauto tegemoet kwam rijden op de Krijgerstraat die op de

T-kruising rechtdoor wilde rijden.

Ik zag dat de mij tegemoet komende auto plotseling werd ingehaald door een andere auto. Deze auto kwam op dat moment recht op mij af. Ik kon geen kant meer op en die inhalende auto reed mij vervolgens van voren aan. Ik kwam direct daarop te vallen. Ik kwam weer bij in het ziekenhuis. Ik verblijf op dit moment nog in het ziekenhuis te Almelo.

Door de aanrijding heb ik onder andere een gebroken onderbeen op meerdere plaatsen, meerdere gebroken ribben en een scheurtje in de milt. Ik zal, als ik in het ziekenhuis uitbehandeld ben, naar een verzorgingstehuis moeten voor therapie. Het kan wel een jaar duren voordat ik weer geheel de oude ben.

3.

Het proces-verbaal van getuige [getuige 1], van 31 december 2012, pagina 21, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 31 december 2012 reed ik te Vriezenveen als bestuurster van een personenauto. Ik reed vanaf de Verzetstraat in de richting van de kruising met de Krijgerstraat. Ik wilde linksaf de Krijgerstraat oprijden. Op enig moment werd ik op de Krijgerstraat richting C1000 ingehaald door een personenauto. De bestuurder haalde mij tussen de Krijgerstraat (de rechtbank leest hier de Verzetstraat) en de T-kruising met de Petersburgstraat in.

Op het zelfde moment zag ik voor mij, uit tegenovergestelde richting, dus uit de richting van de C1000 een fietser naderen. De mij inhalende auto was mij gepasseerd maar reed op dat moment nog aan de linkerzijde van de weg. Ik zag dat er een frontale aanrijding ontstond tussen de auto en fietser.

4.

Een geschrift aangeduid als “aanvraagformulier medische informatie” van benadeelde

[slachtoffer] van 18 januari 2013, ingevuld door arts Ten Cate, inhoudende zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] is op 31 december 2012 onderzocht door de arts. Het uitwendige letsel bedraagt een gebroken oogkas links, wond in het gelaat, meerdere gebroken ribben, gescheurde milt en een gebroken onderbeen, meervoudige breuk.