Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:3003

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
C-08-136734 - HA ZA 13-105
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IPR. Bevoegheidsincident.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/136734 / HA ZA 13-105

Vonnis in incident van 6 november 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WÄRTSILÄ NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M. Russchen te Amersfoort,

tegen

de rechtspersoon naar Frans recht

SOCIETE ENERGIE MEAUX,

gevestigd te Meaux (Frankrijk),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A.L. van Beugen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Wärtsilä Netherlands en Energie Meaux worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring ex artikel 27 EEX verordening

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak heeft Wärtsilä Netherlands – samengevat – gevorderd te verklaren voor recht dat de vordering van Energie Meaux tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad in verband met de brand op 25 december 2005 is verjaard, dan wel dat zij niet aansprakelijk is voor de schade, dan wel dat de schade niet aan haar kan worden toegerekend.

2.2.

Wärtsilä Netherlands heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Wärtsilä NSD France S.A. heeft een overeenkomst gesloten met Energie Meaux voor de turn key levering van een elektriciteitscentrale. De elektriciteitscentrale is door Wärtsilä NSD France S.A. in 1999 gebouwd en geleverd aan Energie Meaux. De motoren voor de centrale zijn door Wärtsilä Netherlands geleverd aan Wärtsilä NSD France S.A., die deze heeft geïnstalleerd. Op 25 december 2005 is brand ontstaan in de elektriciteitscentrale van Energie Meaux. Op verzoek van Energie Meaux heeft het Tribunal de Commerce de Meaux op 2 januari 2006 een voorlopig deskundigenonderzoek gelast. Wärtsilä Netherlands is bij exploit van 22 december 2006 door Energie Meaux bij dit voorlopig deskundigenonderzoek betrokken. Volgens Wärtsilä Netherlands is de vordering van Energie Meaux verjaard, aangezien er vijf jaren zijn verstreken nadat Energie Meaux bekend is geworden (namelijk in ieder geval vanaf 22 december 2006) met de schade en de aansprakelijke persoon.

Subsidiair voert Wärtsilä Netherlands aan dat zij geen onrechtmatige daad heeft begaan en daarmee niet aansprakelijk is voor de schade. Meer subsidiair stelt Wärtsilä Netherlands zich op het standpunt dat, indien aansprakelijkheid al kan worden aangenomen, er onvoldoende causaal verband is om de schade die in 2005 is ontstaan aan haar toe te rekenen.

3 Het geschil en de beoordeling in het incident

3.1.

Energie Meaux vordert in het incident dat de rechtbank haar uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van de Tribunal de Grande Instance te Parijs vaststaat, met bepaling dat zij zich onbevoegd zal verklaren indien de bevoegdheid van de Tribunal de Grande Instance te Parijs komt vast te staan, met veroordeling van Wärtsilä Netherlands in de kosten van deze procedure.

3.2.

Energie Meaux heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Energie Meaux heeft op 21 januari 2013 een dagvaarding doen uitbrengen waarbij Wärtsilä Netherlands, tezamen met 4 andere vennootschappen, is gedagvaard om te verschijnen bij de Tribunal de Grande Instance te Parijs. Hiermee was tussen partijen reeds een procedure aanhangig ten aanzien van hetzelfde onderwerp op het moment dat Wärtsilä Netherlands op 5 februari 2013 de dagvaarding in de onderhavige procedure heeft doen uitbrengen.

3.3.

Wärtsilä Netherlands heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Wärtsilä Netherlands heeft erkend dat de vordering die door Energie Meaux is ingesteld voor het Tribunal de Grande Instance hetzelfde onderwerp betreft als het onderwerp in deze hoofdprocedure. Het verzoek tot aanhouding van de zaak dient te worden afgewezen omdat de hoofdprocedure voor deze rechtbank ex artikel 30 EEX-Vo eerder is aangebracht dan de procedure bij het Tribunal de Grande Instance. De deurwaarder in Frankrijk heeft de te betekenen dagvaarding van deze procedure ontvangen op 11 februari 2013 om 08.03 uur. De Nederlandse deurwaarder heeft de dagvaarding van de Franse procedure, volgens mondelinge verklaring, op 11 februari 2013 ontvangen. Het tijdstip is echter onbekend.

Wärtsilä Netherlands heeft nog aangevoerd dat zij op 20 september 2013 een conclusie voor de rolrechter heeft genomen (productie 1 bij de conclusie van antwoord in het incident), waarbij aan het Tribunal de Grande Instance is verzocht om haar uitspraak aan te houden totdat deze rechtbank uitspraak heeft gedaan over haar bevoegdheid.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.5.

Energie Meaux heeft zich beroepen op artikel 27 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12, zoals laatstelijk gewijzigd op 22 februari 2012, PbEU L 50 (hierna: de EEX-Vo).

Eerst dient te worden beoordeeld of deze verordening in deze van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het onderhavige geval betreft een burgerlijke of handelszaak waarop de EEX-Vo ingevolge artikel 1 daarvan materieel toepasselijk is. De EEX-Vo is eveneens formeel van toepassing nu Energie Meaux, de gedaagde, woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, te weten Frankrijk. Ten slotte is de EEX-Vo ook temporeel toepasselijk, gelet op het tijdstip waarop de in deze zaak te behandelen vorderingen zijn ingesteld (artikel 66 EEX-Vo).

3.6.

Aanhouding van een zaak op grond van lid 1 van artikel 27 EEX-Vo (litispendentie) dient te geschieden door het gerecht waarbij die zaak als laatste is aangebracht. Voor aanhouding is echter slechts plaats wanneer dit gerecht in beginsel bevoegd is kennis te nemen van deze zaak; is dit gerecht niet bevoegd, dan kan het niet meer toekomen aan aanhouding van de zaak.

Nu Energie Meaux de onbevoegdheid van deze rechtbank uitsluitend baseert op litispendentie, betwist zij kennelijk niet dat deze rechtbank bevoegd is de zaak aan te houden. Deze rechtbank is dan ook op grond van artikel 24 EEX-Vo (stilzwijgende forumkeuze) in beginsel bevoegd.

3.7.

De rechtbank zal echter op dit moment niet beslissen of er plaats is voor aanhouding ex artikel 27 EEX-Vo. Daartoe wordt overwogen dat Wärtsilä Netherlands in haar incidentele conclusie heeft vermeld dat zij op 20 september 2013 het Tribunal de Grande Instance heeft verzocht de uitspraak aan te houden totdat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, uitspraak heeft gedaan over haar bevoegdheid. Nu de Franse instantie door Wärtsilä Netherlands eerder is aangezocht dan de Nederlandse instantie door Energie Meaux met een gelijkluidend verzoek (te weten op de rol van 25 september 2013), zal de rechtbank iedere beslissing aanhouden totdat het Tribunal de Grande Instance te Parijs zich heeft uitgelaten over het aanhoudingsverzoek, zoals gedaan bij conclusie van 20 september 2013.

De meest gerede partij dient de (eind)uitspraak van het Tribunal de Grande Instance te Parijs, waaruit haar beslissing over het aanhoudingsverzoek blijkt of valt af te leiden, in het geding te brengen. Daartoe zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol van 18 december 2013. Indien tegen die roldatum nog geen uitspraak bekend is met betrekking tot de bevoegdheid van het Tribunal de Grande Instance te Parijs, kunnen partijen om uitstel vragen.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 december 2013 voor akte in het geding brengen van de uitspraak van het Tribunal de Grande Instance te Parijs als bedoeld in rechtsoverweging 3.7.,

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.