Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2997

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
C/08/142094 / FA RK 13-1485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Behoefte kind van ouders die nooit hebben samengewoond.

Beroep op de aanvaardbaarheidstoets deels gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/142094 / FA RK 13-1485 (mk)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 27 november 2013, in de zaak van:

[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats 1],[adres 1],

verzoekster,

advocaat: mr. M.H. Hasselo te Nijverdal,

tegen

[verweerder],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats 2], [adres 2],

belanghebbende,

advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans te Meppel.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 2 augustus 2013;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, binnengekomen op 27 september 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van mr. Hallmans, binnengekomen op 1 november 2013.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 november 2013. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Uit de – inmiddels verbroken – relatie van partijen is geboren:

[naam], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

De man heeft [naam] erkend. Zij heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam] met ingang van 8 april 2013 vast te stellen op € 317,- per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht.

Zij verzoekt de rechtbank daarnaast om de bijdrage te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van [naam] kan of zal worden verstrekt. Tot slot verzoekt zij te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van deze alimentatiebeslissing voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden.


De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan en dat de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage. Het voormalige netto besteedbare gezinsinkomen bedroeg € 2.750,- per maand. Volgens de vrouw moeten de inkomens van partijen bij elkaar worden opgeteld, omdat partijen nog samenwoonden toen de vrouw zwanger raakte. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [naam] bedraagt € 401,- per maand. De vrouw ontving en ontvangt een kindgebonden budget van € 84,- per maand. Hierdoor resteert een behoefte van € 317,- per maand.

Het verweer

De man verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen.

De man stelt dat partijen nooit hebben samengewoond en dat de behoefte van [naam] daarom moet worden berekend op basis van het inkomen van de man enerzijds en het inkomen van de vrouw anderzijds en dat die behoefte vervolgens moet worden gemiddeld. Volgens de man bedraagt de behoefte € 78,- per maand. De werkgever van de man is failliet verklaard en de man ontvangt met ingang van 14 oktober 2013 een WW-uitkering. Hij woont samen met zijn huidige partner. Zij heeft een inkomen uit arbeid rond het bijstandsniveau. Zij heeft twee kinderen en zij verwachten in december 2013 samen een kind. De man is dan onderhoudsplichtig voor twee kinderen. De man heeft nog een studieschuld bij DUO en bij zijn ouders. Gelet hierop en op zijn overige lasten, heeft hij geen draagkracht. Hij doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets.

De beoordeling

Ten aanzien van de behoefte van de minderjarige

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [naam] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (vermeerderd met het kindgebonden budget voor dat kind) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens vermeerderd met het kindgebonden budget voor dat kind). De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat beide inkomens bij elkaar moeten worden opgeteld. De omstandigheid dat de vrouw al zwanger was toen partijen hun relatie hebben beëindigd, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

Uit de door de man overgelegde en door de vrouw niet weersproken berekeningen blijkt dat hij ten tijde van de geboorte van [naam] een netto besteedbaar inkomen had van € 2.119,- per maand. Gelet op dit inkomen zou de man in 2012 recht hebben op een kindgebonden budget van € 33,- per maand. Volgens de tabel kosten van kinderen van 2012 en rekening houdend met vier kinderbijslagpunten bedroeg de behoefte van [naam] op basis van het inkomen van de man afgerond € 300,- per maand.

De vrouw heeft gesteld dat zij ten tijde van de samenwoning een inkomen genoot van € 600,- netto per maand. Het inkomen van de vrouw ten tijde van de samenwoning is echter niet relevant voor de vaststelling van de behoefte. Het is de rechtbank niet bekend hoe hoog het inkomen van de vrouw was ten tijde van de geboorte van [naam]. Mede gelet op de WW-uitkering die de vrouw thans ontvangt, gaat de rechtbank er vanuit dat zij toen als alleenstaande ouder een netto besteedbaar inkomen (uit arbeid) had van minimaal de bijstandsnorm van een alleenstaande ouder van € 1.203,- netto per maand. Rekening houdend met een kindgebonden budget van € 84,-, bedroeg haar netto besteedbaar inkomen
€ 1.287,- netto per maand. Volgens de tabel kosten van kinderen van 2012 en rekening houdend met vier kinderbijslagpunten bedroeg de behoefte van [naam] op basis van het inkomen van de vrouw afgerond € 160,- per maand.

Op basis van de tabel 2012 en voormelde netto besteedbare inkomens berekent de rechtbank de behoefte van [naam] aan een bijdrage van haar ouders op € 230,- per maand. Deze behoefte vermindert de rechtbank vervolgens met het kindgebonden budget van € 84,- per maand dat de vrouw voor [naam] ontving en thans nog ontvangt. Hierdoor resteert een behoefte in 2012 van € 146,- per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2013 € 148,- per maand.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in die behoefte. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw

De vrouw geniet een WW-uitkering van € 1.274,- bruto per vier weken exclusief de vakantietoeslag. Haar bruto jaarinkomen bedraagt afgerond € 17.887,- inclusief de vakantietoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij recht op de algemene heffingskorting en de alleenstaande ouderkorting. De man heeft een aantal draagkrachtberekeningen van de vrouw overgelegd. In die berekeningen heeft hij ten onrechte rekening gehouden met de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vrouw ontvangt een WW-uitkering en die uitkering wordt niet aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid. Haar netto besteedbare inkomen bedraagt afgerond € 1.184,- netto per maand. Volgens de draagkrachttabel 2013 dient de vrouw een minimale bijdrage te leveren van € 25,- per maand. De vrouw heeft geen beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets, zodat de vrouw in staat wordt geacht om die minimale bijdrage te voldoen.

Ten aanzien van de draagkracht van de man tot en met 14 oktober 2013

Tot 14 oktober 2013 heeft de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man, de door hem overgelegde en door de vrouw niet weersproken draagkrachtberekening als uitgangspunt genomen. De man genoot een inkomen uit arbeid van € 37.014,- bruto per jaar inclusief de vakantietoeslag. Rekening houdend met de ingehouden pensioenpremie, de voor hem geldende tarieven inkomstenbelasting, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting had de man een netto besteedbaar inkomen van € 2.119,- per maand. Hierbij is geen rekening gehouden met het fiscale voordeel dat de man geniet door het betalen van hypotheekrente. De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de draagkrachtformule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Op basis van deze formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 443,- per maand. De man heeft een fiscaal voordeel van € 41,- per maand. Dit voordeel moet bij de draagkracht worden opgeteld.

De totale draagkracht van de man bedraagt hierdoor € 484,-

De man heeft de stelling van de vrouw dat hij geen omgang heeft niet betwist, zodat de rechtbank geen zorgkorting toepast.

Ten aanzien van de draagkrachtvergelijking

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen € 509,- (€ 25,- + € 484,-) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte, die is vastgesteld op € 148,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de behoefte van de kinderen te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de vrouw vastgesteld op een (afgerond) bedrag ad € 7,- per maand (€ 25,- : € 509,- x € 148,-).

Het aandeel van de man stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 141,- per maand
(€ 484,- : € 509,- x € 148,-).

Ten aanzien van de aanvaardbaarheidstoets

De man stelt dat deze bijdrage voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. De man heeft een forse studieschuld en hij is onderhoudsplichtig voor het kind dat binnenkort geboren wordt uit de relatie van hem en zijn huidige partner. Bij vaststelling van voormelde bijdrage kan de man met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud voorzien, althans houdt hij van zijn inkomen na vermindering van zijn lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm over. Hij verzoekt de rechtbank daarom rekening te houden met de studieschuld en met de omstandigheid dat hij binnenkort onderhoudsplichtig is voor een tweede kind.

De vrouw maakt hiertegen gemotiveerd bezwaar, daartoe stellende dat de onderhoudsverplichting van de man prioriteit heeft. Bovendien is er nog geen kind geboren uit de relatie van de man en zijn partner, zodat met die omstandigheid ook geen rekening moet worden gehouden.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

In die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.250,- per maand, kan de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt.

In beginsel zijn alle schulden van de man van invloed op zijn draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen.

De rechtbank is van oordeel dat wel rekening dient te worden gehouden met de studieschulden van de man aan DUO en zijn ouders. De vrouw heeft het bestaan van deze schulden niet betwist. Ook heeft zij de gestelde rente- en aflossingsverplichtingen niet betwist. Er is de rechtbank niet gebleken dat de man deze schulden nodeloos is aangegaan of dat de man de mogelijkheid heeft zich van die schulden te bevrijden of een regeling te treffen.

De door de man gestelde rente- en aflossingsverplichtingen zal de rechtbank daarom bij het draagkrachtloos inkomen in aanmerking nemen.

De rechtbank houdt, naast de bijstandsnorm voor een alleenstaande, rekening met de navolgende lasten (alles op maandbasis):

  • -

    de helft van de hypotheekrente ad € 214,-;

  • -

    de helft van het forfait overige eigenaarslasten ad € 48,-;

  • -

    de basis- en aanvullende premie Zorgverzekeringswet ad € 128,-, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 35,-;

  • -

    het verplicht eigen risico ad € 29,-;

  • -

    de rente en aflossing op de studieschuld aan DUO van € 271,-;

  • -

    de rente en aflossing op de studieschuld bij zijn ouders van € 306,-.

Blijkens de aangifte inkomstenbelasting 2012 van de man bedraagt de hypotheekrente
€ 5.144,- per jaar en het eigenwoningforfait € 1.368,-. De rechtbank is van oordeel dat van de partner van de man mag worden verwacht dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet en dat zij de helft van de gezamenlijke woonlasten voor haar rekening neemt. De rechtbank heeft daarom in de berekening van de man de helft van het eigenwoningforfait, de helft van de verschuldigde hypotheekrente en de helft van het forfait overige eigenaarslasten meegenomen.

De rechtbank houdt over deze periode geen rekening met het nog niet geboren kind van de man en zijn partner.

De rechtbank heeft nu wel rekening gehouden met het fiscale voordeel dat de man geniet wegens de hypotheekrenteaftrek. De man heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.185,- per maand. Zijn niet in de bijstandsnorm begrepen noodzakelijke lasten bedragen € 764,- per maand. De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam] bedraagt € 141,- per maand. Zijn totale lasten bedragen € 905,- per maand. Hierdoor resteert voor de man een bedrag van € 1.280,- per maand. Dit is meer dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 925,- per maand.

De rechtbank concludeert dan ook dat niet is gebleken dat de man bij een bijdrage van
€ 140,- per maand niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of dat hij van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. Dit betekent dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheids-toets niet kan slagen.

De rechtbank acht de man in staat om tot 14 oktober 2013 € 140,- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam].

Ten aanzien van de draagkracht van de man over de periode van 14 oktober 2013 tot 14 december 2013

De man is ontslagen als gevolg van het faillissement van zijn werkgever. Hij ontvangt thans een WW-uitkering. Er is geen sprake van verwijtbare werkloosheid, zodat de rechtbank rekening houdt met het lagere inkomen. Over de periode van 14 oktober tot 14 december 2013 ontvangt de man een WW-uitkering van € 102,96 bruto per dag inclusief de vakantietoeslag. Dit is € 2.230,- bruto per maand. Rekening houdend met de voor de man geldende tarieven inkomstenbelasting en de algemene heffingskorting heeft de man over de periode van 14 oktober 2013 tot 14 december 2013 een netto besteedbaar inkomen van
€ 1.542,- per maand.

De man heeft geen recht meer op de arbeidskorting, omdat de uitkering niet wordt aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige arbeid.

Op basis van voormelde draagkrachtformule: 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)] berekent de rechtbank de draagkracht van de man over de periode van 14 oktober 2013 tot

14 december 2013 op € 160,- per maand. Ook nu geniet de man een fiscaal voordeel van
€ 41,- per maand. De totale draagkracht van de man bedraagt € 201,- per maand.

De rechtbank houdt ook over deze periode geen rekening met een zorgkorting en met de in december te verwachten gezinsuitbreiding.

Ten aanzien van de draagkrachtvergelijking

De totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen bedraagt over de periode van
14 oktober 2013 tot 14 december 2013 € 226,- (€ 25,- + € 201,-) per maand.

De draagkracht is ook nu hoger dan de behoefte van € 148,- per maand. Daarom dient het aandeel van de man en de vrouw in de behoefte van de kinderen te worden berekend.

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

wordt het aandeel van de vrouw vastgesteld op een (afgerond) bedrag ad
€ 16,- per maand (€ 25,- : € 226,- x € 148,-).

Het aandeel van de man stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 132,- per maand
(€ 201,- : € 226,- x € 148,-).

Ten aanzien van de aanvaardbaarheidstoets

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets nu wel slaagt. Zijn niet in de bijstandsnorm begrepen noodzakelijke lasten bedragen ook nu € 764,- per maand. De forfaitaire bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam] bedraagt € 132,- per maand. Zijn totale lasten bedragen € 896,- per maand. Rekening houdend met een netto besteedbaar inkomen van € 1.608,- per maand (inclusief het fiscaal voordeel dat de man geniet door de hypotheekrenteaftrek), houdt de man van zijn inkomen na vermindering van voormelde lasten € 712,- per maand over. Dit is minder dan 90%
(€ 833,-) van de voor hem geldende bijstandsnorm van € 925,- per maand. Bij een forfaitaire bijdrage van € 132,- per maand, bedraagt het tekort van de man € 121,- per maand. Dit tekort brengt de rechtbank in mindering op die bijdrage, zodat de man over de periode van
14 oktober 2013 tot 14 december 2013 een draagkracht heeft van € 11,- per maand.

Ten aanzien van de draagkracht van de man vanaf 14 december 2013

Vanaf 14 december 2013 ontvangt de man een WW-uitkering van € 96,10 bruto per dag inclusief de vakantietoeslag. Dit is € 2.082,- bruto per maand. Rekening houdend met de voor de man geldende tarieven inkomstenbelasting en de algemene heffingskorting heeft de man vanaf 14 december 2013 een netto besteedbaar inkomen van € 1.456,- per maand.

Op basis van voormelde draagkrachtformule: 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)] berekent de rechtbank de draagkracht van de man vanaf 14 december 2013 op € 118,- per maand.

De rechtbank houdt ook nu geen rekening met een zorgkorting.

De man heeft onweersproken gesteld dat hij en zijn partner in december een kindje verwachten. De man is vanaf dat moment onderhoudsplichtig voor twee kinderen. De draagkracht van de man dient gelijkelijk over deze kinderen te worden verdeeld. Hierdoor resteert een draagkracht van € 59,- per maand voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam].

De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw bedraagt vanaf 14 december 2013
€ 84,- per maand (€ 25,- + € 59,-). Die draagkracht is lager dan de behoefte, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het maken van een draagkrachtvergelijking.

Ten aanzien van de aanvaardbaarheidstoets

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets ook nu slaagt. Zijn niet in de bijstandsnorm begrepen noodzakelijke lasten bedragen ook nu € 764,- per maand. De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam] bedraagt € 59,- per maand. Zijn totale lasten bedragen € 823,-- per maand. Rekening houdend met voormeld netto besteedbaar inkomen van € 1.522,- per maand (inclusief het fiscaal voordeel dat de man geniet door de hypotheekrenteaftrek), houdt de man van zijn inkomen na vermindering van voormelde lasten € 699,- per maand over. Ook dit is minder dan 90% (€ 833,-) van de voor hem geldende bijstandsnorm van € 925,- per maand. Het tekort bedraagt dan € 134,- per maand. Dit tekort is groter dan de forfaitaire bijdrage van € 59,- per maand.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man vanaf 14 december 2013 geen draagkracht heeft voor het betalen van een bijdrage voor [naam].

Ten aanzien van de ingangsdatum

De man heeft de door de vrouw verzochte ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding niet weersproken, zodat de rechtbank de bijdrage zal vaststellen met ingang van 8 april 2013.

Ten aanzien van de overige verzoeken van de vrouw

De rechtbank wijst af het verzoek van de vrouw om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van [naam] kan of zal worden verstrekt.

De rechtbank acht dit verzoek te onbepaald.

De rechtbank wijst eveneens af het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de eventuele kosten van de tenuitvoerlegging. Dit verzoek is niet op de wet gegrond. Executiekosten moeten immers worden verhaald door de executie zelf. Bovendien heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de man niet vrijwillig zal nakomen.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind:

[naam], geboren te Almelo op 4 september 2012,

over de periode van 8 april 2013 tot 14 oktober 2013 vast op een bedrag van € 141,- (honderd eenenveertig euro) per maand en over de periode van 14 oktober 2013 tot
14 december 2013 op € 11,- (elf euro per maand) en vanaf 14 december 2013 op nihil.

2.

Verklaart onderdeel 1 uitvoerbaar bij voorraad.

3.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.H. Heijink, in tegenwoordigheid van
G.M. Keupink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.