Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2996

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
C/08/146757 KG RK 13-2645
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/146757 KG RK 13-2645

Beslissing van 4 december 2013

in de zaak van

1 [verzoeker],

2. [verzoekster 1],

3. [verzoekster 2],

4. [verzoekster 3],

5. DE ERVEN [A], ZIJNDE VERZOEKERS SUB I, III EN IV,

allen wonende te [plaats],

verzoekers tot wraking,

advocaat mr. drs. S.J.P. Kukolja te Hengelo.

1 De procedure

1.1.

Op 31 oktober 2013 hebben [verzoeker] c.s. het verzoek tot wraking gedaan van mrs. Jue, Van Hoof en Elferink, althans van mr. Van Hoof. Mrs. Jue, Van Hoof en Elferink waren belast belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder ALM 12/888 WET V1 (verder: de hoofdzaak).

1.2.

Op 19 november 2013 heeft de griffier van de wrakingskamer aan mr. Kukolja meegedeeld dat mrs. Jue, Van Hoof en Elferink in het kader van de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart zijn ‘toebedeeld’ aan rechtbank Gelderland, en sindsdien geen bemoeienis (meer) hebben met de hoofdzaak. Mr. Kukolja heeft, voor zover van belang, vervolgens meegedeeld dat het verzoek zich richt tegen de rechter(s) die thans deze zaak behandelen.

1.3.

Het wrakingsverzoek van [verzoeker] c.s. is op 20 november 2013 in het openbaar behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn [verzoeker], bijgestaan door zijn raadsman mr. Kukolja en kantoorgenoot mr. Wullink, verschenen.

2 De feiten

2.1.

De hoofdzaak betreft een planschade-kwestie waarin door [verzoeker] c.s. op 7 september 2012 beroep is ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van 14 augustus 2012 van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [plaats].

2.2.

De eerste mondelinge behandeling van het beroepschrift stond gepland op 20 december 2012. De behandelend rechters waren, zoals ook aan [verzoeker] c.s. is meegedeeld, mrs. Jue, Van Hoof en Elferink. Bij brief van 18 december 2012 is aan partijen meegedeeld dat de behandeling tot een nader te bepalen datum is uitgesteld.

2.3.

Bij brief van 4 januari 2013 is aan partijen bericht dat de rechtbank aanvullende informatie nodig heeft en zij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (verder StAB) als deskundige aanwijst om onderzoek te verrichten.

2.4.

Als gevolg van wijzigingen binnen de gerechtelijke organisaties in het kader van de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart (HGK) zijn mrs. Jue, Van Hoof en Elferink werkzaam geworden in de rechtbank Gelderland, afdeling bestuursrecht. Vervolgens is mr. Elferink teruggekeerd naar de rechtbank Overijssel, alwaar hij thans in de civiele afdeling te Almelo werkzaam is. Mrs. Jue, Van Hoof en Elferink hebben, vanaf het moment dat zij de afdeling/sector bestuursrecht hebben verlaten, geen bemoeienis meer (gehad) met de hoofdzaak.

2.5.

Op 8 juli 2013 heeft StAB een rapportage uitgebracht.

2.6.

Bij brief van 2 september 2013 hebben [verzoeker] c.s. een aantal bezwaren tegen de rapportage geformuleerd en hebben zij de rechtbank verzocht de rapportage te negeren en als niet valide en niet betrouwbaar te beoordelen.

2.7.

Op 30 oktober 2013 heeft de griffie contact opgenomen met (het kantoor van) mr. Kukolja om te informeren of een zitting kon worden geagendeerd op 22 januari 2014.

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

[verzoeker] c.s. leggen - samengevat - aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat mrs. Jue, Van Hoof en Elferink dan wel de rechters die thans deze zaak behandelen, blijk hebben gegeven van partijdigheid, althans de schijn van partijdigheid hebben gewekt:

  1. door pas op 22 januari 2014 een zitting te agenderen, derhalve meer dan vijf maanden nadat [verzoeker] c.s. de rechtbank op de hoogte hebben gebracht van de ernstige bezwaren die [verzoeker] c.s. hebben tegen de rapportage;

  2. omdat zij verantwoordelijk zijn voor de partijdigheid van het door hen ingeschakelde adviesbureau (StAB), dat immers zelf niet kan worden gewraakt.

Voorts hebben [verzoeker] c.s. bezwaren tegen mr. Van Hoof; hij is in zijn hoedanigheid van rechter betrokken geweest bij andere procedures van [verzoeker] c.s. en staat daardoor ten opzichte van [verzoeker] c.s. niet langer vrij.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.2.

Mrs. Jue, Van Hoof en Elferink hebben sinds begin 2013 geen bemoeienis meer met deze zaak. Voor zover het wrakingsverzoek - dat later is ingediend - zich tegen hen richt dient het derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.3.

Ook overigens dient het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

In dit geval is aan [verzoeker] c.s. voorgesteld de hoofdzaak te behandelen ter zitting van 22 januari 2014. De hoofdzaak is evenwel (nog) niet geplaatst op deze zitting omdat [verzoeker] c.s. niet instemmend op dit voorstel hebben gereageerd. De hoofdzaak is op dit moment derhalve nog niet toebedeeld aan een of meer rechters.

Uit het stelsel van de wrakingsprocedure kan worden afgeleid dat een wrakingsverzoek slechts kan worden ingediend tegen geïndividualiseerde rechters, en niet tegen in abstracto aan te duiden rechters.

Een tegen de “leden van de meervoudige kamer” gericht verzoek tot wraking, zonder dat vast valt te stellen welke rechters dat betreft is mitsdien niet-ontvankelijk.

4.4.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat indien de zaak al wel zou zijn toebedeeld aan één of meer rechters, het - gelet op de thans voorliggende gegevens - niet voor de hand ligt het wrakingsverzoek toe te wijzen. Uit de - in de visie van [verzoeker] c.s.: aanzienlijke - periode tussen de brief waarin zij de bezwaren tegen de rapportage formuleren en de agendering van de hoofdzaak voor mondelinge behandeling valt op zichzelf genomen niet af te leiden dat vooringenomenheid ten opzichte van één der partijen bestaat.

Datzelfde geldt voor inschakeling van een deskundige onder verantwoordelijkheid van de rechtbank. Uit de enkele omstandigheid dat deze deskundige een rapportage uitbrengt waartegen een van partijen vervolgens grote bezwaren heeft, kan in beginsel evenmin een schijn van vooringenomenheid worden afgeleid.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wraking.

Deze beslissing is gegeven door mrs. T.R. Hidma, W.K.F. Hangelbroek en G.A. Versteeg in tegenwoordigheid van de griffier G.W.G. Wijnands en in openbaar uitgesproken op 4 december 2013.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.