Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2960

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
13/929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van een varkensstal met luchtwasser. Geen milieueffectrapport vereist. Het akoestisch rapport berust ten dele op onjuiste aannames. Verweerder had dit niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. In rapportages uitgegaan van verschillende locaties van de ventilatoren. Daardoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de berekeningen van de uittreesnelheid van de lucht op de juiste uitgangspunten berusten. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Besluit omgevingsrecht 2.1
Wet milieubeheer 7.2 en 7.28
Besluit milieu-effectrapportage 1994 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer : Awb 13/929

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2],

wonende te Raalte, eisers,

gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof, juridisch adviseur te Wageningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder,

[naam 3], belanghebbende,

gevestigd te Raalte,

gemachtigde: ing. B.H. Wopereis, juridisch adviseur te Lichtenvoorde.


Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013, verzonden op 11 maart 2013 heeft verweerder aan [naam 3]., te Raalte, een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een varkensstal met luchtwasser op het perceel [adres 1] te Raalte en voor het wijzigen van de werking van de inrichting op dit perceel.

Eisers hebben tegen dit besluit bij brief van 24 april 2013 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft desgevraagd [naam 3]., te Raalte, hierna te noemen belanghebbende, in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende partij deel te nemen aan dit geding.

Het beroep is ter zitting van 2 oktober 2013 behandeld. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.M. Legebeke, H.J. Vollenbroek en C. Kooy .

Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4], bijgestaan door ing. B.H. Wopereis.

Overwegingen

Belanghebbende voert een varkenshouderij aan de [adres 1] te Raalte. In de inrichting van belanghebbende worden hoofdzakelijk fokzeugen en vleesvarkens gehouden. De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Raalte. Bij besluit van 18 augustus 2009 is reeds eerder een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend ten behoeve van de inrichting van belanghebbende. Deze vergunning is in rechte onaantastbaar.

Belanghebbende wil bestaande varkensstallen slopen en een nieuwe, grotere, stal bouwen. De nieuw te bouwen stal is voorzien van een chemische luchtwasser. Belanghebbende wil het aantal varkens dat in de inrichting gehouden wordt uitbreiden. In de nieuw te bouwen stal zullen 2992 mestvarkens en 2376 gespeende biggen worden gehuisvest.

Eiser [naam 2] woont aan de[adres 2] te Raalte. Eiser [naam 1] woont aan de [adres 3] te Raalte. De afstand tussen de inrichting en de woning aan de[adres 2] te Raalte bedraagt hemelsbreed 166 meter. De woning aan de [adres 3] te Raalte ligt iets verder verwijderd van de inrichting.

Belanghebbende heeft op 23 december 2011 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning gedaan. Bij de aanvraag zijn diverse tekeningen en rapporten gevoegd.

Bij het besluit van 5 maart 2013 heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning aan belanghebbende verleend. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden.

De rechtbank stelt voorop dat de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning aanvankelijk betrekking had op de volgende activiteiten, als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

  • -

    het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo);

  • -

    het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo);

  • -

    het slopen van een bouwwerk (artikel 2.2, eerste lid, onder a, Wabo).

Omdat, ten gevolge van het vervallen van artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wabo, voor het slopen van een bouwwerk met ingang van 1 april 2012 niet langer een omgevingsvergunning kan worden gevraagd heeft belanghebbende de aanvraag dit onderdeel ingetrokken.

Over de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ten tijde van de indiening van de aanvraag waren op het perceel [adres 1] te Raalte het bestemmingsplan “Zandwinning het Hooge Broek” en de “Partiële Herziening intensieve veehouderij”, waarbij het bestemmingsplan “Zandwinning het Hooge Broek” gewijzigd is, van toepassing. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold voor dit perceel het bestemmingsplan “Buitengebied Raalte”.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft getoetst aan het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld bij uitspraak van 4 april 2012 (LJN: BW0744) geldt weliswaar als hoofdregel dat bij het nemen van een besluit in beginsel het recht dient te worden toegepast zoals dat op dat moment geldt, maar mag bij wijze van uitzondering het ten tijde van het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk nog wel, maar ten tijde van het besluit daarop niet meer geldend bestemmingsplan worden toegepast, indien ten tijde van het indienen van de aanvraag het desbetreffende bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was, dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was. Nu het bouwplan in overeenstemming was met het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan "Zandwinning het Hooge Broek”, zoals gewijzigd bij de “Partiële Herziening intensieve veehouderij”, en destijds geen voorbereidingsbesluit van kracht was en het bouwplan evenmin in strijd was met het ten tijde van de aanvraag toekomstige bestemmingsplan “Buitengebied Raalte”, heeft verweerder dan ook terecht getoetst aan het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan.

De locatie waarop belanghebbende het bouwplan wil realiseren heeft, blijkens de plankaart bij het bestemmingsplan “Zandwinning het Hooge Broek”, de bestemming ‘agrarisch gebied’. Tevens is sprake van een agrarisch bouwperceel. Op gronden waaraan de bestemming ‘agrarisch gebied’ is toegekend is het bepaalde in artikel 9 van de voorschriften, behorend bij dit bestemmingsplan van toepassing. Het bouwplan is hiermee in overeenstemming.

De gronden van het beroep, voor zover gericht tegen de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’, kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Over de activiteit ‘het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting’ overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

De inrichting valt onder categorie 8.1, sub a, van Bijlage I bij het Bor. Daarnaast geldt, ingevolge het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor dat inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort vergunningplichtig zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo, zoals deze bepaling ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde, wordt onder gpbv-installatie verstaan: een installatie als bedoeld in bijlage I bij richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEU I,24). Ingevolge het bepaalde in artikel 1 van richtlijn nr. 2008/1/EG, gelezen in samenhang met categorie 6.6, onder b, van bijlage I bij deze richtlijn, gelden als inrichtingen als bedoeld in deze richtlijn: installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan 2000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg). Omdat voornoemde categorie 6.6, onder b, van bijlage I bij deze richtlijn van toepassing is op de inrichting van belanghebbende, is de inrichting op grond van het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor vergunningplichtig.

Namens eisers is ter zitting verklaard dat de aanvankelijk aangevoerde grond, dat de inrichting aan de [adres 1] te Raalte geacht moet worden één inrichting te vormen met de inrichting aan de Kriegshuisweg 2a te Raalte, niet langer wordt gehandhaafd.

Eisers stellen zich op het standpunt dat bij het indienen van de aanvraag ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: mer) is overgelegd. Verweerder had de aanvraag daarom buiten behandeling moeten laten.

De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

Artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Ingevolge het bepaalde in artikel 7.2, derde lid, van de Wet milieubeheer worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een mer moet worden gemaakt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Ingevolge het bepaalde in artikel 7.2, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een mer moet worden gemaakt.

Artikel 7.28, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer bepaalt dat het bevoegd gezag een aanvraag om een besluit buiten behandeling laat indien bij het indienen van de aanvraag geen mer is overgelegd, tenzij van de plicht tot het opstellen van een mer op grond van artikel 7.21 ontheffing is verleend.

Op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit mer) worden de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer is omschreven aangewezen als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer, met uitzondering van activiteiten die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.

Ingevolge het bepaalde in voornoemd artikel 2, eerste lid, van het Besluit mer, gelezen in samenhang met categorie C14, onderdeel 3, van de bijlage bij het Besluit mer, geldt in geval van oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van varkens, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 3000 stuks mestvarkens, dat voor een dergelijke activiteit, behoudens in geval van een hier niet terzake doende uitzondering, bij de voorbereiding een mer moet worden gemaakt.

De rechtbank heeft geconstateerd dat op blz. 2 van de toelichting op de aanvraag d.d. 25 mei 2011 is vermeld dat de plaatsen voor de gespeende biggen en vleesvarkens variabel zijn en dat binnen de stalruimtes, gelet op de beoogde bedrijfsvoering, geen specifieke onderverdeling voor de biggen en de vleesvarkens kan worden aangegeven. Ter zitting is namens belanghebbende toegelicht dat met deze zinsnede bedoeld is dat de plekken in de stal variabel zijn. Niet bedoeld is om variabel om te gaan met de maximaal toelaatbare aantallen mestvarkens en gespeende biggen. De rechtbank acht deze toelichting aannemelijk. Voldoende gegarandeerd is dat niet meer dan 2992 mestvarkens zullen worden gehuisvest in de nieuw te bouwen stal.

Aangezien de installatie voor het houden van varkens, die belanghebbende wil oprichten, geen betrekking heeft op meer dan 3000 mestvarkens, hoeft hiervoor niet op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Besluit mer, gelezen in samenhang met categorie C14, onderdeel 3, van de bijlage bij het Besluit mer, een mer te worden opgemaakt.

Op grond van het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van het Besluit mer, voor zover hier van belang, worden als categorieën besluiten als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, van de wet aangewezen de categorieën die in onderdeel D van de bijlage zijn omschreven. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan 2000 stuks mestvarkens is in categorie D14, onderdeel 2, aangewezen als een activiteit waarop het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van het Besluit mer van toepassing is. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of de nieuwe stal die belanghebbende wil oprichten zodanige belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft, dat bij de voorbereiding hiervan een mer moet worden verlangd.

Verweerder heeft bij het op 30 augustus 2011 genomen ‘mer-beoordelingsbesluit’ geoordeeld dat de gevolgen voor het milieu van de door belanghebbende beoogde uitbreiding van zijn bedrijfsactiviteiten, waaronder de bouw van een nieuwe stal, niet zodanig zijn dat hiervoor een mer diende te worden verlangd. Deze beslissing van verweerder geldt als een voorbereidingshandeling, als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen destijds geen rechtsmiddelen konden worden aangewend. Eisers kunnen in het kader van deze procedure tevens opkomen tegen deze beslissing.

De rechtbank is van oordeel dat de op 30 augustus 2011 genomen beslissing deugdelijk is gemotiveerd en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ook op grond van het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van het Besluit mer behoefde verweerder dan ook geen mer van belanghebbende te verlangen.

De omstandigheid dat ook reeds bij besluit van 18 augustus 2009 een omgevingsvergunning was verleend ten behoeve van uitbreiding van de activiteiten binnen de inrichting van belanghebbende doet aan hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de mer-plicht niet af. Niet gebleken is dat de wijziging van de inrichting waarvoor verweerder bij het thans bestreden besluit een omgevingsvergunning heeft verleend reeds bij het nemen van het besluit van 18 augustus 2009 te voorzien was.

Artikel 2.14, derde lid, van de Wabo bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo slechts in het belang van het milieu kan worden geweigerd. Weigering van een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit op grond van andere belangen is derhalve niet mogelijk.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo dienen de in deze bepaling genoemde belangen in ieder geval betrokken te worden bij de beslissing op de aanvraag van een vergunning voor een dergelijke activiteit.

Eisers stellen zich op het standpunt dat de voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk 11 van de voorschriften bij de vergunning onvoldoende bescherming bieden tegen geluidsoverlast.

Verweerder richt zich bij de vaststelling van voorschriften voor geluid in beginsel op de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Hoewel de Handreiking verweerder formeel niet bindt, acht de rechtbank het zorgvuldig dat verweerder van de beoordelingswijze zoals neergelegd in de Handreiking is uitgegaan. Verweerder is bij de vergunningverlening uitgegaan van de aanbevolen richtwaarden voor een landelijke omgeving.

Ingevolge het bepaalde in voorschrift 11.1.1 bij de omgevingsvergunning mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, tijdens de reguliere bedrijfssituatie, ter plaatse van de omliggende woningen[adres 4], zoals vermeld in het bij de beschikking behorende akoestisch rapport (Van Westreenen/Het Geluidburo, d.d. 1 oktober 2012, 1119-VE), niet meer bedragen dan:

tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 40 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 35 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 30 dB(A).

In voorschrift 11.1.2 is bepaald dat, onverminderd het gestelde in voorschrift 11.1.1, de maximale geluidsniveau’s (LAmax), voor zover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van de omliggende woningen [adres 4] niet groter mogen zijn dan:

tijdens de dag (07.00-19.00 uur) : 70 dB(A)

tijdens de avond (19.00-23.00 uur) : 65 dB(A)

tijdens de nacht (23.00-07.00 uur) : 60 dB(A).

In voorschrift 11.1.3 is, voor zover hier van belang, bepaald hoe de beoordeling van de meetresultaten dient plaats te vinden.

De rechtbank stelt vast dat hangende beroep een nieuw akoestisch rapport d.d. 24 juli 2013 is ingebracht door verweerder. Dit rapport maakt geen deel uit van de verleende omgevingsvergunning. Dat op dit rapport een stempel is geplaatst met de tekst dat dit rapport behoort bij het besluit van 5 maart 2013 maakt dit niet anders, nu immers door verweerder geen (formeel) besluit is genomen, waarbij de verleende omgevingsvergunning gewijzigd is.

De rechtbank stelt vast dat de rekenresultaten in het akoestisch rapport d.d. 24 juli 2013 verschillen van de rekenresultaten in het eerdere akoestisch rapport d.d. 1 oktober 2012. De in het nieuwe akoestisch rapport berekende geluidsbelasting is voor een aantal omliggende woningen, waaronder de woning van eiser [naam 2], hoger dan de in het bij de vergunning behorende rapport berekende geluidsbelasting. Tijdens de incidentele bedrijfssituatie bedraagt het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT), blijkens het akoestisch rapport d.d. 24 juli 2013, ter plaatse van de woning van eiser [naam 2] tijdens de dagperiode 41 dB(A), tijdens de avondperiode 33 dB(A) en tijdens de nachtperiode 31 dB(A).

Thans is niet in geschil dat het akoestisch rapport d.d. 1 oktober 2012 ten dele berust op onjuiste aannames. Zo is in dit rapport ten onrechte aangenomen dat in het bouwplan sprake is van dakventilatoren. Verweerder had zich bij het nemen van het bestreden besluit dan ook niet op het akoestisch rapport d.d. 1 oktober 2012 mogen baseren. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

De rekenresultaten in het hangende beroep door verweerder overgelegde akoestisch rapport d.d. 24 juli 2013 hadden voor verweerder aanleiding moeten zijn om in de voorschriften behorend bij de vergunning tevens een voorschrift op te nemen met betrekking tot de geluidsbelasting op de omliggende woningen, in de incidentele bedrijfssituatie. Ook in zoverre is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

Eisers stellen zich voorts op het standpunt dat de omgevingsvergunning voor deze activiteit vanwege de geurbelasting had moeten worden geweigerd.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bepaalt dat bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot met 9 van de Wgv betrekt.

Artikel 3, eerste lid, van de Wgv bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

  1. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;

  2. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;

  3. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;

  4. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.

De gemeente Raalte is gelegen binnen een concentratiegebied, als bedoeld in bijlage 1 bij de Meststoffenwet. Aangezien de woningen van eisers en andere omwonenden, die gelden als geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv, buiten de bebouwde kom gelegen zijn, bedraagt de maximale geurbelasting ten gevolge van de veehouderij van belanghebbende 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

In artikel 10 van de Wgv, voor zover hier van belang, is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de wijze waarop de geurbelasting wordt bepaald. Deze ministeriële regeling is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). In artikel 2, eerste lid, van de Rgv is bepaald dat de geurbelasting wordt berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010 (hierna: V-Stacks).

De rechtbank overweegt dat het systeem van de Wgv niet voorziet in een beoordeling van cumulatieve geurbelasting, ten gevolge van meerdere veehouderijen. Dat de woningen van eisers tevens belast worden door geur die afkomstig is van de inrichting aan de[adres 5] te Raalte, kan bij de beoordeling dan ook geen rol spelen.

Op het luchtwassysteem van de inrichting is hoofdstuk 12 van de voorschriften bij de omgevingsvergunning van toepassing. Ingevolge het bepaalde in voorschrift 12.1.1 moeten alle stallen met het gecombineerde luchtwassysteem 85 procent ammoniakemissiereductie met waterwasser en chemische wasser zijn uitgevoerd (nummer BWL 2006.14.V2). De stallen moeten overeenkomstig de bij de vergunning behorende tekening(en) en bijlage(n) worden uitgevoerd, tenzij anders in de voorschriften staat aangegeven.

In voorschrift 12.2.11 bij de omgevingsvergunning is bepaald dat de uittreesnelheid van de ventilatie lucht van de luchtwasser van de stallen B, C en D op basis van de benodigde capaciteit voor de normventilatie tenminste 8,5 meter per seconde moet bedragen. Bij grotere ventilatiecapaciteiten dan de normventilatie moet de uittreesnelheid in alle situaties tenminste 8,5 meter per seconde bedragen.

Als bijlage bij de omgevingsvergunning is een schrijven van Kleventa B.V., van 27 september 2012, met betrekking tot de uittreesnelheid van de lucht bij de ventilatoren, opgenomen. In dit schrijven is aangegeven hoe voor de verschillende stallen kan worden bereikt dat de uittreesnelheid tenminste 8,5 meter per seconde bedraagt.

De rechtbank stelt vast dat de verschillende rapporten en andere bijlagen bij de omgevingsvergunning uit van verschillende locaties waar de ventilatoren zullen worden geplaatst. Hierdoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de berekeningen van Kleventa B.V. op de juiste uitgangspunten voor wat betreft de plaatsing van de ventilatoren berusten. Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

Aan hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd, ondermeer met betrekking tot de geurhinder die zij vrezen te ondervinden van de inrichting van belanghebbende, komt de rechtbank niet toe. Een goede beoordeling daarvan is eerst mogelijk, nadat is bepaald waar de ventilatoren zullen worden geplaatst.

Het beroep is daarom gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding om het gehele bestreden besluit, ook voor wat betreft de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’, wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb te vernietigen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het wijzigen van de werking van een inrichting’ in dit geval onlosmakelijk met elkaar samenhangen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Verweerder zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb worden opgedragen om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op de aanvraag te beslissen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het bezwaar en van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, op basis van toekenning van 1 punt voor het beroep en 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 944,--, als kosten van verleende rechtsbijstand. Tevens ziet de rechtbank aanleiding om eisers een bedrag van € 7,40 aan reis- en verblijfkosten en van € 63,48, aan verletkosten gemaakt in verband met het bijwonen van de terechtzitting, toe te kennen.

Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank er, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2003 (LJN: AI0801), op dat de rechtbank in een op deze zaak volgende zaak zal moeten uitgaan van de juistheid van het oordeel over beroepsgronden die in deze uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud door de rechtbank zijn verworpen, indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- gelast verweerder om, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op de aanvraag te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 1014,88, te betalen aan eisers;

- gelast dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht, ten bedrage van

€ 160,-- , vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. A. Oosterveld en mr. W.R.H. Lutjes, rechters, en door de voorzitter en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2013

Afschrift verzonden op: 21 november 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep