Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2950

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
993000-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan valsheid in geschrifte bij het opmaken van verantwoordingsformulieren PGB-ABWZ. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 993000-11

Datum vonnis: 18 november 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 november 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mw. mr. C.H.J. Bollen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. D.J.H. Harbers, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft een vordering wijziging tenlastelegging gedaan. De raadsman heeft zich daartegen niet verzet. De rechtbank heeft de wijziging toegestaan. In de hieronder opgenomen tenlastelegging is de toegestane wijziging verwerkt.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen in de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2008 te Enschede verantwoordigingsformulieren PersoonsGebonden Budget Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (PGB-ABWZ) valselijk heeft opgemaakt.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006

tot en met 31 december 2008 te Enschede en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtsperso(o)n(en) en/of

natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) één of meer verantwoordingsformulier(en) Persoons Gebonden Budget -

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (PGB-AWBZ), in gebruik bij de Stichting

Zorgkantoor Menzis

waaronder:

a. a) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 1] over de periode 30-10-2007 tot en met

31-12-2007 voor een bedrag van EUR 10.392,- aan [medeverdachte 1] was betaald;

(dossierpagina 90/91)

en/of

b) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 2] over de periode 01-10-2006 tot en met

31-12-2006 voor een bedrag van EUR 5.185,- aan [betrokkene 1] / [medeverdachte 2] was

betaald;

(dossierpagina 210/211)

en/of

c) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 3] over de periode 01-01-2007

tot en met 28-02-2007 voor een bedrag van EUR 3.132,- aan [medeverdachte 2] was

betaald;

(dossierpagina 311/312)

en/of

d) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 3] over de periode 27-06-2006

tot en met 30-09-2006 voor een bedrag van EUR 4.980,- aan [medeverdachte 2] was

betaald;

(dossierpagina 303/304)

en/of

d) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 4] over de periode 01-10-2006 tot en

met 31-12-2006 voor een bedrag van EUR 3.717,- aan [medeverdachte 2]/ [betrokkene 1]

was betaald;

(dossierpagina 1739/1740)

en/of

e) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 5] over de periode 28-02-2008 tot

en met 30-06-2008 voor een bedrag van EUR 6.160,50 aan [medeverdachte 1] was

betaald;

(dossierpagina 564/565)

en/of

f) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 6] over de periode 01-01-2008 t/m

30-06-2008 voor een bedrag van EUR 5.445,70 aan [medeverdachte 1] was betaald;

(elk) zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin

gestelde, althans van enig feit

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of heeft doen opmaken of laten opmaken en/of vervalsen met het oogmerk om dat/die formulier(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende bedoeld valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat op die/dat

formulier(en)

- ( een) ander(e) bedrag(en) was/waren vermeld dan waarvoor in werkelijkheid

zorg was verleend; en/of

- ( een) ander(e) zorgvorm(en) was/waren vermeld en/of aangekruist dan in

werkelijkheid was verleend; en/of

- ( een) valse en/of vervalste handtekening(en) was/waren gezet en/of

geplaatst, althans ondertekening(en) was/waren geplaatst die door moesten gaan

voor die van de budgethouder(s);

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft verder geconcludeerd dat op grond van het strafdossier het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit nu hij enkel in opdracht heeft gehandeld van de medeverdachte [medeverdachte 2] en daarom niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de valsheid van de declaratie- en verantwoordingsformulieren.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Het PersoonsGebondenBudget (PGB) is een regeling die valt onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ is in Nederland een verplichte, collectieve ziektekostenverzekering voor niet individueel verzekerbare ziektenkostenrisico's. Verzekerd voor de AWBZ zijn alle ingezetenen van Nederland en niet-ingezetenen van Nederland die bepaalde inkomsten in Nederland genieten. De AWBZ is één van de zogenoemde volksverzekeringen.

De AWBZ kent in het kader van het PGB zogenoemde functiegerichte aanspraken namelijk;

• Huishoudelijke verzorging (in dit dossier ook afgekort als H en HH);

• Persoonlijke verzorging (P en PV);

• Verpleging (V en VP);

• Ondersteunende begeleiding (O, OB en OU als ondersteunende begeleiding in uren en VV, hetgeen ondersteunende begeleiding met vervoer inhoudt);

• Activerende begeleiding;

• Behandeling en

• (kortdurend) Verblijf .

Op 1 januari 2007 werd de zorgfunctie huishoudelijke verzorging ondergebracht in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en vanaf die datum beslissen de gemeenten over deze vorm van zorg.

De cliënt, in het kader van het PGB budgethouder genoemd, dient een aanvraag in bij het Centrum voor Indicatiestelling Zorg (CIZ). Het CIZ oordeelt of de cliënt de aangevraagde zorg nodig heeft en in welke mate. Hierbij specificeert het CIZ welke typen zorg er nodig zijn, de klasse en het aantal uren. De cliënt ontvangt de indicatiestelling in de vorm van een schriftelijk besluit en elektronisch wordt het (Regionale) Zorgkantoor op de hoogte gesteld van dit besluit.

Aan de hand van de indicatiestelling wordt door het Zorgkantoor vastgesteld wat het bruto PGB is, waar de cliënt recht op heeft. Hierop wordt de verschuldigde eigen bijdrage in mindering gebracht. Het zo berekende netto PGB wordt door het Zorgkantoor uitbetaald aan de cliënt. De eigen bijdrage wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor bijzondere ziektekosten (CAK). Het CAK doet dit op basis van de geïndiceerde zorg en de inkomensgegevens van de cliënt. Het CAK heeft daarvoor toegang tot de gegevens van de Belastingdienst.

De cliënt/budgethouder sluit overeenkomsten af met mensen en/of instellingen die de zorg gaan leveren en betaalt hen vanuit het PGB.

Periodiek moet de cliënt verantwoording afleggen over de besteding van het PGB.

Wanneer iemand een indicatie heeft, dan kan het toegekende PGB, in plaats van de soort van zorg waarvoor dat budget is toegekend, ook voor andere vormen van zorg worden ingezet. Dit betekent dat iemand die bijvoorbeeld een indicatie voor ondersteunende begeleiding heeft, zijn budget desgewenst ook kan inzetten voor persoonlijke verzorging. Door de budgethouder dient echter steeds de daadwerkelijk genoten zorg verantwoord te worden.

Verdachte was werkzaam in de tenlastegelegde periode als medewerker - eerst vrijwillig en later als betaalde kracht - in de door medeverdachte [medeverdachte 2] gerunde ondernemingen, te weten de eenmanszaak “[betrokkene 1]” en later (aaneensluitend) een besloten vennootschap [medeverdachte 1]. Verdachte heeft ook ter terechtzitting van 4 november 2013 aangegeven dat hij daar gemiddeld voor vijf uur per week heeft gewerkt.

De rechtbank leidt uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting af dat verdachte de bedrijfsadministratie - het opstellen van de verantwoordingsformulieren - in de ten laste gelegde periode grotendeels heeft uitgevoerd aan de hand van door hem vervaardigde exceloverzichten. Zowel verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 2] hebben aangegeven dat verdachte de gegevens die hiervoor benodigd waren kreeg van medeverdachte [medeverdachte 2], waarna deze gegevens door verdachte werden verwerkt en de medeverdachte haar handtekening onder het formulier zette. Vervolgens verstuurde verdachte de formulieren naar de desbetreffende instanties. Verdachte heeft verklaard dat vertrouwde op de mededeling van de medeverdachte dat alle gedeclareerde uren ook daadwerkelijk aan zorgtaken waren besteed. Enige controle voerde hij daarop niet uit. Hij kon dat ook niet omdat er geen afgetekende urenbriefjes voorhanden waren. De medeverdachte had hem aangegeven dat het maximaal mogelijke bedrag, het bedrag uit de toekenningsbeschikking werd gedeclareerd. Verdachte deelde het maximaal toegekende budget conform het toekenningsbesluit door de uurtarieven die staan voor bijvoorbeeld verpleging en huishoudelijke hulp. Deze uren werden dan verdeeld over de periode waarover verantwoording werd afgelegd. De medeverdachte verzekerde verdachte dat de gedeclareerde uren ook daadwerkelijk aan zorg werden besteed.

Pas nadat zijn werkzaamheden waren overgenomen zag verdachte voor het eerst de urenbriefjes van de daadwerkelijk door de werknemers gemaakte uren. Het verdelen van dit totaal aantal uren over de verantwoordingsperiode over de dagen was volgens verdachte dan ook nattevingerwerk geweest en hij begreep achteraf dat de eerder gehanteerde verdeling niet klopte.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het ten laste gelegde feit, anders dan de raadsman heeft bepleit, wel bewezen worden, omdat verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe wel bevoegd en ook gehouden was.

Iemand die, zoals verdachte, bedrijfsmatig PGB’s beheert en administreert, is als uitvoerende verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de geldende regelingen en de daarmee samenhangende verplichtingen. Het was mede verdachte’s verantwoordelijkheid dat de door hem ingevulde verantwoordigingsformulieren gebaseerd waren op de juiste onderliggende feitelijke gegevens. Dit is ook uitgewerkt in de toekenningsbeschikking onder punt 7. De budgethouder moet kunnen beschikken over ondertekende declaraties van de verleende zorg. Daarin moet onder meer zijn opgenomen het aantal gewerkte/betaalde uren, de tijden waarop is gewerkt, het uurtarief, de naam en het adres van de zorgverlener.

De basis voor die declaratieformulieren vormt de zorgovereenkomst waarin staat welke zorg op welke dagen voor hoeveel uur tegen welk tarief verricht wordt. In de onderhavige zaak zijn bijna geen overeenkomsten aangetroffen en als ze al aangetroffen, dan zijn die op de hoofdpunten onvolledig. Verdachte had dus kunnen en moeten beseffen dat de door hem gehanteerde werkwijze onjuist was omdat de door hem verantwoorde uren per definitie niet de daadwerkelijk verleende zorguren betroffen. Zijn bron was immers het toekenningsbesluit en niet een betrouwbare lijst van daadwerkelijk verleende zorguren. Dat hij heeft vertrouwd op de mededeling van [medeverdachte 2], maakt dat niet anders, omdat hij wist of kon weten, dat hij daarop niet kon en mocht vertrouwen.

Daaraan doet evenmin af dat, in het onderhavige geval, uit de bestaande taakverdeling volgt, dat medeverdachte [medeverdachte 2] de eerst aangewezene was om de verboden gedraging te voorkomen. Verdachte had, gelet op de inhoud van zijn functie, ook een eigen verantwoordelijkheid. Verdachte heeft verzuimd in te grijpen, terwijl hij daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, als enig administratief medewerker ook redelijkerwijs gehouden, temeer omdat hij degene was die zich binnen het bedrijf intensief bezighield met het invullen en verwerken van de verantwoordigingsformulieren.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte mede schuldig is aan het vervalsen van voornoemde verantwoordigingsformulieren.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2008 te Enschede,

tezamen en in vereniging met een ander,

verantwoordingsformulieren PersoonsGebonden Budget -

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (PGB-AWBZ), in gebruik bij de Stichting

Zorgkantoor Menzis

waaronder:

a. a) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 1] over de periode 30-10-2007 tot en met

31-12-2007 voor een bedrag van EUR 10.392,- aan [medeverdachte 1] was betaald;

en

b) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 2] over de periode 01-10-2006 tot en met

31-12-2006 voor een bedrag van EUR 5.185,- aan [betrokkene 1] / [medeverdachte 2] was

betaald;

en

c) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 3] over de periode 01-01-2007

tot en met 28-02-2007 voor een bedrag van EUR 3.132,- aan [medeverdachte 2] was

betaald;

en

d) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 3] over de periode 27-06-2006

tot en met 30-09-2006 voor een bedrag van EUR 4.980,- aan [medeverdachte 2] was

betaald;

en

d) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 4] over de periode 01-10-2006 tot en

met 31-12-2006 voor een bedrag van EUR 3.717,- aan [medeverdachte 2]/ [betrokkene 1]

was betaald;

en

e) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 5] over de periode 28-02-2008 tot

en met 30-06-2008 voor een bedrag van EUR 6.160,50 aan [medeverdachte 1] was

betaald;

en

f) een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende (zakelijk weergegeven) dat

door of namens budgethouder [slachtoffer 6] over de periode 01-01-2008 t/m

30-06-2008 voor een bedrag van EUR 5.445,70 aan [medeverdachte 1] was betaald;

elk zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin

gestelde, telkens valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die formulieren als echt en onvervalst te gebruiken,

hebbende bedoeld valselijk opmaken telkens hierin bestaan, dat op die formulieren

- andere bedragen waren vermeld dan waarvoor in werkelijkheid zorg was verleend; en

- andere zorgvormen waren vermeld en/of aangekruist dan in werkelijkheid waren verleend;

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft, met behulp van zijn mededader, ruim twee jaar lang zorguren gedeclareerd waarop geen recht bestond. Door zo te handelen hebben verdachte en zijn mededader misbruik gemaakt van zorgafhankelijke mensen die vertrouwen hadden in de medeverdachte [medeverdachte 2] en haar BV. Deze personen hebben niet de zorg ontvangen die ze nodig hadden. Daarnaast zijn zij ook blootgesteld aan een financieel risico omdat de budgetverlener, het geld dat niet is besteed aan daadwerkelijke zorg, in beginsel van hen kan terugvorderen. Voorts is er sprake van misbruik van gemeenschapsgeld waarbij verdachten geen oog hebben gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de regeling van de PGB’s en de mensen die met behulp daarvan juist op een adequate manier in hun zorgbehoefte konden voorzien. Fraude met sociale voorzieningen kan uiteindelijk gevolgen hebben voor het op hetzelfde niveau voorbestaan van dergelijke voorzieningen.

Gelet hierop en het aanzienlijke benadelingsbedrag dat met deze fraude gemoeid is, was naar het oordeel van de rechtbank een in beginsel een gevangenisstraf op zijn plaats geweest.

De rechtbank houdt echter bij de bepaling van de strafmaat ook rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Op 26 mei 2009 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden. Verdachte zelf is als verdachte gehoord op 9 september 2009. Op die datum heeft verdachte’s vervolging een aanvang genomen. De zaak is op 6 juni 2011 voor de eerste keer ter terechtzitting behandeld. Op die datum is de zaak - op verzoek van de verdediging - terugverwezen naar de rechter-commissaris in verband met het verhoor van getuigen en het onderzoek ter terechtzitting is toen voor onbepaalde tijd geschorst.

De volgende zitting heeft op 10 december 2012 plaatsgevonden en de inhoudelijke behandeling heeft op 4 november 2013 plaatsgevonden. De uitspraak is op 18 november 2013. De totale tijdsduur van deze zaak bedraagt ruim vier jaren jaren en de overschrijding van de redelijke termijn (van twee jaren) bedraagt iets meer dan twee jaren. Een deel van deze overschrijding is toe te schrijven aan de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging getuigen gehoord moesten worden door de rechter-commissaris, maar dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat sprake is van een overschrijding die voor ongeveer 18 maanden voor rekening van het openbaar ministerie komt. De rechtbank zal, rekening houdend met die overschrijding van de redelijke termijn, een strafvermindering toepassen.

Daarnaast zal de rechtbank rekening houden met de rol die verdachte in het geheel heeft vervuld. Zo werd hij in de eerste jaren voor zijn inspanningen niet of nauwelijks beloond en is niet gebleken dat hij persoonlijk gewin heeft gehad bij het plegen van de feiten. Voorts is van belang dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

Op grond van al het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van zestig (60) uur opleggen. Voor oplegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf ziet de rechtbank geen aanleiding vanwege het ontbreken van eerdere justitiecontacten, terwijl er evenmin omstandigheden zijn op grond waarvan herhalingsgevaar zou dreigen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 47 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende zestig (60) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. R.P. van Eerde en mr. A.A.J. Lemain, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2013.Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

A.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Regiopolitie Twente, Rechercheteam cluster Oost,

met nummer 09-001515. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

B.

1.

Een geschrift, zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ, inhoudende dat door of namens budgethouder [slachtoffer 1] over de periode 30-10-2007 tot en met 31-12-2007 voor een bedrag van EUR 10.392,- aan de zorgverlener was betaald en dat de soort hulpverlening heeft bestaan uit persoonlijke verzorging, verpleging en ondersteunende begeleiding in uren.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d.15 september 2008, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van aangever:

Mijn moeder is afgelopen februari 2008 overleden. In de periode daarvoor had mijn moeder zorg nodig.

Mijn moeder heeft daarvoor via Zorginstantie Menzis een persoonsgebonden budget toegewezen gekregen.

Op een dag, waarschijnlijk half oktober 2007, kwam een nicht van mij, [medeverdachte 2], bij ons bekend als [medeverdachte 2], wonende aan de [adres 2] te [woonplaats] bij mijn moeder op ziekenbezoek.

[medeverdachte 2] heeft een bedrijf dat hulp in huishouding verleent en ze heeft mijn moeder huishoudelijke hulp aangeboden. Mijn moeder heeft dit toen geaccepteerd omdat ze haar nicht wilde helpen. Vanaf dat moment kwam twee keer per week voor twee uur een schoonmaakster van [medeverdachte 1], het bedrijf van [medeverdachte 2].

3.

Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 14 oktober 2009, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de medeverdachte:

Ik heb eigenlijk bij geen enkele instelling of instantie nagevraagd of ik, [betrokkene 1]/[medeverdachte 1], wel gerechtigd was/waren om verpleging te mogen verlenen en aan welke eisen ik moest voldoen. Ik ging gewoon af op de toekenningsbesluit. Als daar verpleging op stond, dan probeerde ik dat op mijn manier uit te voeren. Ik wist ook niet dat ik dan wel mijn medewerkers BIG-geregistreerd moesten zijn om verpleging te mogen verlenen. Ik ben directeur/eigenaar van [medeverdachte 1]. en ik hou me overal mee bezig, met alles. Ik 'run' de onderneming.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1], d.d. 27 april 2009, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de getuige:

Ergens in oktober 2007 hoorde ik van mijn broer dat mevrouw [medeverdachte 2] graag huishoudelijke hulp via haar eigen thuiszorginstelling wilde leveren. Ik was er niet blij mee, want ik had de thuiszorginstelling Livio al ingeschakeld en zij zouden een Turks sprekende schoonmaakster sturen. Daarnaast heeft de hele familie [naam familie slachtoffer 1] geen band met mevrouw [medeverdachte 2]. Mijn moeder had alleen contact, omdat ze wilde weten hoe het met haar kleinkinderen ging. Mevrouw [medeverdachte 2] en haar moeder, die tevens mijn tante is (zus van mijn moeder), hebben mijn moeder uiteindelijk overgehaald. We wilden onze moeder in haar laatste fase van haar leven ook niet tegenspreken. Dus hebben wij uiteindelijk besloten, omwille van mijn moeder, om alleen de huishoudelijke hulp bij haar te laten verlopen. De schoonmaaksters hebben 4 uur in de week gedurende de periode van 30-10-2007 tot 31-12-2007 bij mijn moeder schoongemaakt.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2], d.d. 27 april 2009, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de getuige:

Op 23 november 2007 ben ik in dienst getreden bij mevrouw [medeverdachte 2], [adres 2] te [plaats]. Zij was toen nog privé. Later werd dit [betrokkene 1] en weer later [medeverdachte 1]. Ik heb hiervoor een overeenkomst met haar afgesloten. Mijn werkzaamheden bestonden uit huishoudelijke werkzaamheden bij gezinnen van Turkse afkomst. Ik heb dit gedaan tot 1 maart 2009.

Met betrekking tot wijlen mevrouw [slachtoffer 1], kan ik verklaren dat ik hier huishoudelijke werkzaamheden heb verricht. Ik bedoel daarmee werkzaamheden die normaal een huisvrouw uitoefent binnen een gezin. Schoonmaken, eten klaar maken en andere soorten huishoudelijke taken. Ook heb ik tijdens deze werkzaamheden wel eens een gesprek met haar gevoerd. In totaal heb ik ongeveer 6 à 7 weken bij haar deze werkzaamheden verricht. Dit was voor twee (2) maal (x) twee (2) uur. In totaal dus vier (4) uur in de week.

U vraagt mij of iemand anders wel eens werkzaamheden heeft verricht in de periode dat ik bij wijlen mevrouw [naam familie slachtoffer 1] werkzaam was. Nee ik heb hier verder niemand gezien die werkzaamheden heeft verricht in opdracht van mevrouw [medeverdachte 2].

6.

Een geschrift, zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ, inhoudende dat door of namens budgethouder [slachtoffer 2] over de periode 01-10-2006 tot en met 31-12-2006 voor een bedrag van EUR 5.185,- aan [betrokkene 1] / [medeverdachte 2] wasbetaald en dat de soort hulpverlening heeft bestaan uit persoonlijke verzorging, verpleging en ondersteunende begeleiding in uren

7.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d.15 september 2008, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van aangever:

In het jaar 2006 kreeg ik advies van een kennis genaamd [betrokkene 2]. Hij vertelde mij dat ik thuiszorg kon krijgen voor mijn gehandicapte kinderen. Hij beval mij een mevrouw aan. In de maand mei werd ik gebeld door [medeverdachte 2] en zij maakte een afspraak voor een gesprek. Een aantal dagen na de telefonische afspraak kwam een mevrouw langs en stelde zich voor als [medeverdachte 2]. In het gesprek dat wij met haar hadden, gaf zij aan dat zij ons wel kon helpen bij de verzorging van onze kinderen, Zij gaf niet aan waar zij werkte en hoeveel uren zorg zij kon verlenen. Ik heb zelf trouwens ook niet verder doorgevraagd over haar werkzaamheden. Verder gaf zij aan dat zij alles ging regelen en dat wij niets hoefden te betalen en dat ziekenfonds alles ging vergoeden. In juni 2006 tot december 2006 kwam zij 4 uur per week langs en ging in gesprek met mijn zoons. Zij verleende verder geen enkele zorg. In april 2008 kreeg ik een brief van zorgkantoor PersoonlijkGebonden Budget waarin stond dat ik 7000,- euro terug moest betalen dit in verband met de verleende zorg in de maanden januari, februari en maart 2007, terwijl zij in die maanden helemaal niet bij ons thuis is geweest.

8.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 3], d.d. 11 februari 2009, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de getuige:

Ik heb maar voor een (1) gezin gewerkt voor mevrouw [medeverdachte 2] dat was een gezin met twee gehandicapte zoons. Dat gezin heet [naam familie slachtoffer 2], wonende aan de [adres 3] te [plaats]. Ik schat dat ik ongeveer twintig uur in totaal voor dat gezin gewerkt heb. Ik weet dat niet meer precies, het was in ieder geval niet veel.

9.

Een geschrift, zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ, inhoudende dat door of namens budgethouder [slachtoffer 3] over de periode 01-01-2007 tot en met 28-02-2007 voor een bedrag van EUR 3.132,- aan [medeverdachte 2] was betaald en dat de soort hulpverlening heeft bestaan uit huishoudelijke verzorging, verpleging en ondersteunende begeleiding in uren;

10.

Een geschrift zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ inhoudende dat door of namens budgethouder [slachtoffer 3] over de periode 27-06-2006 tot en met 30-09-2006 voor een bedrag van EUR 4.980,- aan [medeverdachte 2] was betaald en dat de soort hulpverlening heeft bestaan uit huishoudelijke verzorging, verpleging en ondersteunende begeleiding in uren;

11.

Een geschrift, zijnde een verantwoordingsformulier PGB-AWBZ, inhoudende dat door of namens budgethouder [slachtoffer 4] over de periode 01-10-2006 tot en met 31-12-2006 voor een bedrag van EUR 3.717,- aan [medeverdachte 2]/ [betrokkene 1] was betaald en dat de soort hulpverlening heeft bestaan uit huishoudelijke verzorging, verpleging en ondersteunende begeleiding in uren;

12.

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4], d.d. 21 oktober 2009, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de getuige op vragen van de verbalisanten:

Vraag: Is er in het kader van Persoons Gebonden Budgetten (PGB) zorg aan u verleend door [betrokkene 1]/[medeverdachte 1]? Zo ja, door wie?

Antwoord:

Ongeveer drie jaar geleden is [medeverdachte 2] van [medeverdachte 1] bij mij gekomen met de mededeling dat zij voor mij zorg zou kunnen regelen. [medeverdachte 2] heeft de aanvragen voor mij gedaan.

Vraag: Hoeveel uren zorg en door wie is aan u verleend door [betrokkene 1] / [medeverdachte 1]. in de periode 20-02-2006 tot en met 26-05-2009

Antwoord:

Ik kreeg ondersteunende begeleiding van [betrokkene 3]. Ik weet niet hoeveel uur dat zij bij mij kwam. Ik weet alleen hoeveel huishoudelijke hulp ik kreeg. Dat was 1 maal per week van 12.00 uur tot 14.00 uur.

13.

Het proces-verbaal verhoor van de verdachte [verdachte], d.d. 9 september 2009, zakelijk weergegeven, inhoudende als zijn verklaring:

Het werkte zo dat [medeverdachte 2] wilde dat er voor het maximaal mogelijke bedrag, het bedrag uit het toekenningsbesluit, werd gedeclareerd. Het ging dan zo dat ik het maximale toegekende budget uit het toekenningsbesluit deelde door de uurtarieven die staan voor bijvoorbeeld verpleging en huishoudelijk hulp. Deze uren verdeelde ik dan over de dagen uit de periode waarover verantwoording werd afgelegd. De dagelijkse leiding lag in handen van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] was de directeur. Ik weet alleen dat [medeverdachte 2] degene was die dus de beslissingen nam en de werkopdrachten gaf binnen [medeverdachte 1]. Verder nam niemand beslissingen binnen [medeverdachte 1].

De verantwoordingsformulieren PGB/AWBZ waren in de periode van eind 2006 tot en met oktober 2008, gebaseerd op de door mij ontworpen en ingevulde excelformulieren genaamd "declaratieformulier PGB". Deze declaratieformulieren PGB waren niet gebaseerd op onderliggende urenbriefjes van cliënten, maar op het maximale toegekende PGB-budget. Dit toegekende PGB-budget werd door mij in opdracht van [medeverdachte 2] vertaald naar uren.

Ik heb de verantwoordingsformulieren opgemaakt en de bijbehorende exceloverzichten "declaratieformulier PGB" ingevuld. Ik heb al verklaard dat ik ben afgegaan op het woord van [medeverdachte 2], namelijk dat alle uren die ik invulde op deze overzichten ook daadwerkelijk geleverd zijn aan zorg. Kortom, dat het totaal aantal uren klopte. Het verdelen van dit totaal aantal uren over de verantwoordingsperiode, over de dagen, dat was “natte vinger werk” van mij. Ik wist ten tijde van het invullen van dit exceloverzicht "declaratieformulier PGB" dat de verdeling van de uren over de dagen niet klopte, dit niet conform de waarheid was.

14

Het proces-verbaal verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 3], d.d. 15 oktober 2009, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de medeverdachte:

Ik moest dan een verantwoordingsformulier van een klant erbij pakken. Vervolgens pakte ik een toekenningsbeschikking erbij. Hierna keek ik dan wat er al eerder verantwoord was. Vervolgens keek ik op de toekenning wat er nog aan het restant over was van het toegekende budget.

Op de interne formulieren vulde ik de weeknummers in, daarna de uren die op de toekenning vermeld staan, vervolgens de code van de toegekende zorg; automatisch komt er een bedrag uitrollen. Dit alles wordt vergeleken met het restant van het te verantwoorden PersoonsGebonden Budget. Bij grote afwijkingen verander je de uren tot het restant bedrag PGB ongeveer gelijk wordt.

U vraagt mij of het mij nooit is opgevallen dat het volledige bedrag werd gedeclareerd.

Dit moest ik zo doen van [medeverdachte 2] en [verdachte]. Ik moest dit zo doen omdat [medeverdachte 2] niets wilde terug betalen aan PGB-gelden. Er werd dus ook de maximale zorg gedeclareerd terwijl mensen bijvoorbeeld op vakantie waren.