Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2875

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
2076561 CV EXPL 13-2459
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: 2076561 CV EXPL 13-2459

Beslissing van 27 november 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap TRG Sales B.V.,

gevestigd te Zwolle,

verzoekster tot wraking,

verschenen bij de heer [A],

tegen

mr. C.H. de Haan, in zijn hoedanigheid van kantonrechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie d.d. 23 september 2013 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- het schriftelijke verweer van mr. De Haan d.d. 23 september 2013;

- de schriftelijke toelichting van verzoekster per e-mail d.d. 24 oktober 2013;

- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Bij de mondelinge behandeling is verschenen dhr. [A] voornoemd.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. De Haan als rechter in de zaak met nummer 2076561 CV EXPL 13-2459 tussen TRG Sales B.V., als gedaagde en [B] B.V. als eiseres.

2.2.

Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij haar e-mail d.d. 24 oktober 2013 alsmede tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

2.2.1.

Ter zitting is het verzoekster gebleken dat niet mr. Van Aerde de behandelend kantonrechter is, zoals in de uitnodiging voor de comparitie vermeld stond, maar mr. De Haan. Verzoekster stelt dat als zij dit van te voren had geweten, zij een advocaat had meegenomen naar de zitting. Redengevend daarvoor is dat mr. De Haan in het verleden eerder zaken heeft behandeld waarbij verzoekster partij was en deze zaken voor haar nadelig zijn afgelopen. Verder heeft verzoekster toegelicht dat zij bezwaren heeft tegen de ‘de stijl’ van mr. De Haan. Hij loopt ter zitting snel door de zaak heen en stapt daarbij makkelijk over verweren heen. Ook tijdens de bewuste comparitie is dat gebeurd. Zowel tijdens de comparitie als in het daarvan na afloop opgemaakte proces-verbaal heeft mr. De Haan ‘gestuurd’. Het proces-verbaal is subjectief. Daarbij komt dat de aan het proces-verbaal gehechte e-mail nummer 5 niet van verzoekster is. Dit maakt het proces-verbaal niet alleen subjectief, maar ook erg onzorgvuldig en feitelijk onjuist, aldus verzoekster.

2.2.2.

Dit alles heeft bij verzoekster de objectieve vrees doen ontstaan dat mr. De Haan niet onpartijdig is.

2.3.

Mr. De Haan heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

3.2.

Uit het wrakingsverzoek en de mondelinge toelichting ter zitting kan niet worden afgeleid dat er aanwijzingen zijn voor het oordeel dat mr. De Haan jegens verzoekster enige vooringenomenheid koestert, althans dat zijn optreden ter zitting grond heeft gegeven voor de vrees dat het hem aan onpartijdigheid ontbreekt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.3.

Hoewel juist is dat de griffier een fout heeft gemaakt door in de uitnodiging voor de comparitie als behandelend kantonrechter mr. Van Aerde in plaats van mr. De Haan te vermelden, levert dit op zichzelf geen grond op voor wraking van de behandelend kantonrechter. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat mr. De Haan reeds eerder zaken heeft behandeld met verzoekster als partij, waarin hij kennelijk een aantal voor verzoekster ongunstige beslissingen heeft genomen. Dat zou slechts anders kunnen zijn, als sprake is van bijkomende, bijzondere omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is dat mr. De Haan vooringenomenheid jegens verzoekster koestert en/of op basis waarvan de vrees voor partijdigheid jegens verzoekster objectief gerechtvaardigd is. Dergelijke omstandigheden zijn echter gesteld noch gebleken.

3.4.

De omstandigheid dat verzoekster, als zij van te voren had geweten dat mr. De Haan de behandelend kantonrechter was, een advocaat had meegenomen naar de zitting, levert evenmin een grond voor wraking op. Verzoekster stond in dat geval een ander middel ter beschikking. Zij had immers, op het moment dat haar ter zitting duidelijk werd dat mr. De Haan de behandelend kantonrechter was, om aanhouding van de zaak kunnen vragen teneinde alsnog een advocaat in de arm te kunnen nemen. Wraking is in een dergelijk geval niet het geëigende middel.

3.5.

Ook als de wijze waarop de comparitie volgens verzoekster is verlopen in de beoordeling wordt betrokken, levert het door verzoekster gestelde geen grond voor wraking op. Het is de taak van de kantonrechter om op de zitting de regie te voeren. De kantonrechter heeft daarbij een grote vrijheid, zodat slechts in zeer bijzondere omstandigheden de wijze waarop de kantonrechter die taak heeft ingevuld een zwaarwegende aanwijzing kan opleveren voor het oordeel dat hij jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dat mr. De Haan ter comparitie kennelijk een ‘stijl’ hanteert die verzoekster minder goed ligt, is niet een dergelijke omstandigheid. Uit hetgeen verzoekster overigens op dit punt heeft aangevoerd kan evenmin een dergelijke omstandigheid worden afgeleid.

3.6.

Het proces-verbaal geeft evenmin blijk van vooringenomenheid of partijdigheid. De daaraan gehechte e-mail nummer 5 is weliswaar niet door verzoekster opgesteld, maar wel door haar in de procedure gebracht, zodat van feitelijke onjuistheid als door verzoekster gesteld evenmin is gebleken.

3.7.

De conclusie is dan ook dat het verzoek moet worden afgewezen.


4.De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.L.J. Koopmans, A. Oosterveld en F. Koster in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.H. Krol en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013.

De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat deze beschikking te ondertekenen.

De beschikking is derhalve door de jongste rechter en de griffier ondertekend.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.