Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2862

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-11-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
Awb 13/1451
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van reeds gebouwd tuinhuisje te Rouveen; tuinhuisje niet vergunningvrij; bouwplan in strijd met bestemmingsplan; verweerder heeft in redelijkheid kunnen weigeren om afwijking van het bestemmingsplan toe te staan; bouwplan voorts in strijd met redelijke eisen van welstand; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1451

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

wonende te Rouveen, eiser,

gemachtigde: mr. D.C.J. Bogerd, advocaat te Bunschoten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst,

verweerder.

13/1451

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2012 heeft verweerder geweigerd om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van een reeds gebouwd tuinhuisje aan de [adres] Rouveen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 17 mei 2013 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 27 juni 2013 beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 16 oktober 2013 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bogerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Atsma.

Overwegingen

Eiser woont aan de [adres]te Rouveen. De woning van eiser gebouwd op een inbreidingslocatgie aan een steeg bij de Oude Rijksweg in Rouveen. Het gebied rondom de Oude Rijksweg te Staphorst en Rouveen, waarbinnen ook het perceel waarop eisers woning gelegen is zich bevindt, is aangewezen als beschermd dorpsgezicht.

In augustus 2012 heeft eiser bij een veiling ter gelegenheid van het evenement Huttendorp Staphorst een tuinhuisje gekocht. Het tuinhuisje is geleverd en geplaatst op het bij eisers woning behorende erf, aan de linkerzijde van de steeg. Vanuit de Oude Rijksweg bezien wordt het zicht op het tuinhuisje beperkt door de hiervoor gelegen kapschuur van buren van eisers. Eiser heeft vervolgens een aanvraag gedaan om verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van het tuinhuisje, ter legalisering van de bestaande situatie.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en verweerder geen medewerking wil verlenen aan afwijking daarvan. Tevens is het bouwplan, gelet op het advies van de welstands- en monumentencommissie d.d. 5 december 2012, in strijd met redelijke eisen van welstand.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd indien een of meer van de omstandigheden als bedoeld in deze bepaling zich voordoen. Uit artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor deze activiteit wordt geweigerd indien:

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro);

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

Andere gronden voor weigering van de omgevingsvergunning zijn niet aan eiser tegengeworpen.

De rechtbank zal eerst bezien of het bouwen van het tuinhuisje op grond van het bepaalde in artikel 2.1, derde lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningvrij is.

Artikel 2.3, tweede lid, van het Bor bepaalt dat, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de wet geen omgevingsvergunning vereist is voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Nog daargelaten de vraag of het tuinhuisje kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, als bedoeld in categorie 3 van artikel 2 van bijlage II bij het Bor, is in dit geval geen sprake van een bouwwerk dat op grond van deze bepaling vergunningvrij mag worden opgericht, omdat de in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van bijlage II bij het Bor in dit geval van toepassing is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het tuinhuisje is opgericht binnen een gebied dat is aangemerkt als beschermd dorpsgezicht en dat sprake is van meer dan uitsluitend inpandige veranderingen. Het tuinhuisje is evenmin op grond van enige andere bepaling vergunningvrij.

Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het perceel [adres]te Rouveen gelegen binnen het bestemmingsplan “Oude Rijksweg Gemeenteweg; partiële herziening Oude Rijksweg 245b”. De gronden waarop het tuinhuisje is gesitueerd hebben, blijkens plankaart, behorend bij dit bestemmingsplan, de bestemming ‘tuinen’. Ingevolge het bepaalde in artikel 16, lid A, van de voorschriften behorend bij dit bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) zijn gronden waaraan deze bestemming is toegekend bestemd voor (moes-)tuinen, boomgaard, weiland en erven, met daarbij behorende bebouwing. Op grond van het bepaalde in artikel 16, lid B, van de planvoorschriften mogen op gronden waaraan deze bestemming is toegekend uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte ten hoogste één meter bedraagt. Vast staat dat de hoogte van het bouwplan in strijd is met deze bepaling. Daaruit volgt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, volgt dat in het geval het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd is met het bestemmingsplan, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en onder c, (in dit geval: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan), en dat de vergunning slechts wordt geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts kan worden verleend, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1º met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2º in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3º indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan in dit geval geen mogelijkheid biedt om ten behoeve van het bouwplan af te wijken van het bepaalde in artikel 16, lid B, van de planvoorschriften.

Artikel 2.7 van het Bor bepaalt dat als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4, aanhef en onder 1, onder a, van bijlage II bij Bor bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komt: een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

De rechtbank is van oordeel dat het tuinhuisje een bijbehorend bouwwerk in de zin van deze bepaling is. Verweerder is gelet op deze bepaling bevoegd om, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo, afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan toe te staan.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het gebruik van de bevoegdheid om op voet van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan heeft ingevuld middels de “Beleidsregels ‘Afwijkingen bestemmingsplan ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, Wabo’ gemeente Staphorst” (hierna: de Beleidsregels). In deze Beleidsregels is aansluiting gezocht bij het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in voorontwerp zijnde bestemmingsplan “De Streek”. Verweerder heeft deze beleidsregels mogen toepassen bij de invulling van het gebruik van zijn bevoegdheid.

Verweerder voert, blijkens paragraaf C, onderdeel 1, sub a, van de Beleidsregels voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen het beleid dat deze ten minste 4 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, dan wel niet meer dan de bestaande afstand indien deze minder bedraagt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de naar de Oude Rijksweg, als openbare weg, gekeerde zijde van de woning van eiser, waarin zich ook de voordeur bevindt, als voorgevel geldt. Het tuinhuisje bevindt zich derhalve voor de voorgevel van de woning. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het toestaan van de afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van dit bouwplan in strijd is met de Beleidsregels.

Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Eiser heeft er op gewezen dat het aan de overzijde van de steeg gelegen terrein, welk terrein binnen het vigerende bestemmingsplan één bestemmingsvlak vormt met de gronden waarop eisers woning gelegen is, door de eigenaar van dit terrein alsnog niet is verkocht. Uitgangspunt ten tijde van de bouw van eisers woning was dat bijgebouwen op het aan de overzijde van de steeg gelegen terrein zouden kunnen worden gebouwd.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het terrein aan de overzijde van de steeg door eiser niet kan worden gebruikt voor het realiseren van bijgebouwen op zichzelf genomen onvoldoende bijzonder is om aan te nemen verweerder om deze reden gehouden was om eiser, in afwijking van de Beleidsregels, toe te staan om het tuinhuisje voor de voorgevel van zijn woning op te richten. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat het verlenen van medewerking in dit geval zou kunnen leiden tot precedentwerking.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat de weigering om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld. De rechtbank acht de reactie die verweerder in het verweerschrift d.d. 23 augustus 2013 heeft gegeven op de stelling van eiser dat hiervan sprake is toereikend. Dat verweerder, op basis van een luchtfoto uit 2007, alleen handhavend optreedt tegen illegale situaties van na 2007 maakt dit niet anders, nog daargelaten dat in dit geval niet de vraag voorligt of handhavend optreden gerechtvaardigd is, maar of verweerder gehouden was om een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het tuinhuisje.

Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen weigeren om afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan toe te staan.

Voor het standpunt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand heeft verweerder zich mogen baseren op het advies van de welstandscommissie van 5 december 2012. Volgens dit advies past het ongeschilderde tuinhout met een enigszins groenige kleur, waarin het tuinhuisje is uitgevoerd, niet binnen de verzorgde omgeving van het beschermde dorpsgezicht. Voorts is, volgens dit advies, plaatsing van een tuinhuisje op het voorerf van een boerderij in strijd met de bouwtraditie van Staphorst en daarom niet aanvaardbaar bij een passende erfinrichting.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar het advies van de welstandscommissie, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand Dat eiser heeft aangeboden om de kleurstelling van het tuinhuisje aan te passen, zodat deze beter aansluit bij het beschermd dorpsgezicht, laat onverlet hetgeen in het advies van de welstandscommissie is overwogen over de situering van het tuinhuisje, welke in strijd is met een passende erfinrichting, als bedoeld in de welstandsnota.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de Wabo, van oordeel dat verweerder de weigering om eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gebouwd tuinhuisje aan de [adres] te Rouveen dan ook op goede gronden heeft gehandhaafd.

Het beroep is daarom ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, en door haar en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep