Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2837

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
C/08/142213 / KG ZA 13-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inlichtingenplicht ex artikel 47 Awr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2901 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/142213 / KG ZA 13-284

datum vonnis: 15 november 2013 (sr)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

De Staat der Nederlanden, Ministerie van Financiën,

Directoraat-Generaal Belastingdienst,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

verder te noemen de Belastingdienst,

advocaten: mr. W.I. Wisman en mr. R.T. Wiegerink te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Belba B.V.,

gevestigd te Schuinesloot,

verder te noemen Belba,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A/b financiën B.V.,

gevestigd te Almelo,

verder te noemen A/b financiën,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen[gedaagde],

gedaagden.

1 Het procesverloop

1.1

De voorzieningenrechter heeft op 27 september 2013 een tussenvonnis gewezen. De voorzieningenrechter neemt over hetgeen in dit vonnis over het procesverloop is overwogen.

1.2

Op 25 oktober 2013 heeft de Belastingdienst aanvullende stukken in het geding gebracht.

1.3

Op 30 oktober 2013 hebben gedaagden aanvullende stukken in het geding gebracht.

1.4

De zaak is voortgezet behandeld ter terechtzitting van 1 november 2013. Ter zitting zijn verschenen: namens de Belastingdienst de heer[H], de heer [G] en de heer [S], vergezeld door mr. Wiegerink en namens gedaagden[gedaagde], vergezeld door mevrouw I.A. Bakker. De standpunten zijn toegelicht.

1.5

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1

De voorzieningenrechter neemt hier over hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en is opgenomen over de vaststaande feiten, de vorderingen en de standpunten van partijen.

2.2

Ingevolge artikel 47 lid 1 Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Met betrekking tot administratieplichtigen zijn deze verplichtingen op grond van artikel 53 AWR van overeenkomstige toepassing ten behoeve van de belastingheffing van derden.

2.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagden administratieplichtig zijn, zodat het bepaalde in artikel 53 AWR juncto artikel 47 AWR op hen van toepassing is. Uit artikel 47 AWR volgt dat de inlichtingenplicht van de belastingdienst niet onbeperkt is. Het gaat om gegevens en inlichtingen welke voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Het woord “kunnen” impliceert dat het geen vereiste is dat de gegevens en inlichtingen achteraf daadwerkelijk van belang blijken te zijn.

2.4

Partijen hebben op 30 augustus 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de fiscale geschillen van een groot aantal klanten van gedaagden. Zoals in het tussenvonnis van 27 september 2013 reeds is overwogen, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat deze geldt voor alle klanten van gedaagden die betrokken zijn bij de fiscaal ontoelaatbare constructies ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek en de Tante Agaathleningen (durfkapitaalleningen). Gelet op de inhoud van die overeenkomst is de inlichtingenverplichting van die klanten en van gedaagden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter beperkt in vergelijking tot een zonder die vaststellingsovereenkomst bestaande inlichtingenplicht. Deze vaststellingsovereenkomst sluit echter niet uit dat gedaagden desgevraagd gegevens en inlichtingen dienen te verstrekken die voor de overige belastingheffing (voor zover niet ziend op de hypotheekrenteaftrek en/of Tante Agaathleningen) van belang kunnen zijn.

2.5

Om te kunnen beoordelen of door gedaagden al dan niet is voldaan aan de informatieverplichting die voor de overige belastingheffing van belang kan zijn, is het nodig dat de Belastingdienst duidelijk aangeeft welke informatie hij wil ontvangen en waarom de informatie van belang kan zijn voor de overige belastingheffing. Bij dagvaarding heeft de Belastingdienst gevorderd gedaagden te bevelen om hun volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen met betrekking tot de verzoeken om gegevens en inlichtingen van de Belastingdienst betreffende de relaties/klanten van gedaagden en alle gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken vanaf in ieder geval 2002 tot en met 2012, waaronder in ieder geval de gegevens en inlichtingen omschreven in de brieven c.q. e-mailberichten van de Belastingdienst van 8 november 2010, 10 december 2010, 4 januari 2011, 7 januari 2011, 29 maart 2011, 16 mei 2011, 23 mei 2011, 25 mei 2011, (twee brieven van) 15 mei 2012, 27 november 2012 en 24 januari 2013, waaronder begrepen zijn die gegevens die gedaagden eventueel bij derden dienen op te vragen.

Na het uitbrengen van de dagvaarding hebben partijen voornoemde vaststellingsovereenkomst gesloten. Voorts hebben gedaagden op 18 september 2013 een dvd aan de Belastingdienst aangeleverd. Mede gelet hierop heeft de voorzieningenrechter op 27 september 2013 een tussenvonnis gewezen en de Belastingdienst gevraagd een gespecificeerde opgave te verstrekken welke gegevens en informatie hij nog van gedaagden wenst te ontvangen, welke belastingplichtigen het betreft en met welk doel hij deze gegevens en informatie wil ontvangen. Op 25 oktober 2013 heeft de Belastingdienst hierop gereageerd en producties 32 en 33 in het geding gebracht.

2.6

Ter zitting van 1 november 2013 heeft de Belastingdienst verzocht om hetgeen in productie 33 onder 1.2 is vermeld en de bijlagen niet in de beoordeling van onderhavige vorderingen te betrekken. Gedaagden stellen zich immers op het standpunt dat de Belastingdienst en gedaagden ten aanzien van een aantal van de tijdens het onderhandelingsproces gewisselde stukken geheimhouding zouden zijn overeengekomen en de Belastingdienst wenst deze procedure niet te belasten met de vraag in hoeverre dat standpunt van gedaagden juist is. De voorzieningenrechter slaat geen acht op deze producties.

Voorts heeft de Belastingdienst ter zitting verklaard dat gedaagden zeer recent onder meer machtigingen hebben verstrekt waardoor er (meer) personen onder de werking van de vaststellingsovereenkomst worden gebracht. Er worden nog steeds vragen van de Belastingdienst door gedaagden beantwoord en de verwachting is dat in de nabije toekomst nog meer gegevens en inlichtingen zullen worden verstrekt door gedaagden. De Belastingdienst verwacht over een maand duidelijkheid te hebben over de vraag of er dan nog een resterende informatiebehoefte is en, zo ja, wat die inhoudt. Om die reden heeft de Belastingdienst verzocht de behandeling van deze zaak nog een maand aan te houden. Gedaagden verzetten zich tegen deze aanhouding, stellende dat zij nu volledig aan hun inlichtingenverplichtingen voldoen. Daarnaast komt de Belastingdienst nu met irrelevante vragen over bejaarde futiliteiten in reeds lang afgedane zaken. Een ongeclausuleerde verplichting om op straffe van dwangsommen inlichtingen te verschaffen geeft de Belastingdienst een wapen dat zij op onbehoorlijke wijze kan gebruiken.

2.7

Mede gelet op vorenstaande ontwikkelingen stelt de voorzieningenrechter vast dat de Belastingdienst niet voldoende duidelijk heeft gesteld op welke gegevens en inlichtingen zijn vorderingen (thans nog) betrekking hebben. Ondanks herhaald vragen ter zitting is het wat dat betreft gebleven bij algemeenheden. Zo er nog sprake is van een serieuze inlichtingenbehoefte moet het toch mogelijk zijn dat een concrete opgave wordt verstrekt met daarin de namen van de betrokken belastingplichtigen, de jaren en de aard van de inlichtingen. Dat is in dit geding niet gebeurd, de Belastingdienst heeft volstaan met enige algemene definities en opgaven die niet meer up to date zijn. Om deze reden dienen de vorderingen van de Belastingdienst, ondanks de bestaande wettelijke inlichtingenverplichtingen die op gedaagden rusten, te worden afgewezen. Uiteraard is het soms niet eenvoudig om exact op te geven welke gegevens de Belastingdienst wil hebben, het vragen om inlichtingen dient er immers toe om op de hoogte te geraken van wat er zich feitelijk heeft afgespeeld, maar in deze zaak moet een scherpere omschrijving mogelijk zijn dan die nu is gegeven.

Daar komt het volgende bij. Zoude de voorzieningenrechter, omdat gedaagden immers buiten kijf aan hun wettelijke inlichtingenverplichtingen hebben te voldoen, naar aanleiding van het nu gevorderde een veroordeling om die verplichtingen na te komen uitspreken, zoude hij zich in het dictum moeten begeven op het gladde ijs der vage definities. De discussies wie wel en in hoeverre onder de overeenkomst vallen en welke inlichtingen (nog) relevant zijn, zijn dan niet beëindigd, waarna de nodige executiegeschillen zijn te verwachten.

2.8

De Belastingdienst zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde nakosten zullen worden afgewezen. Met de term nakosten wordt doorgaans bedoeld het salaris van de advocaat dat betrekking heeft op het instrueren en begeleiden van de deurwaarder, de kosten van het bestuderen van de uitspraak door de advocaat en het adviseren van zijn cliënt dienaangaande, alsook pogingen van de advocaat om voldoening van de veroordeling in der minne te verkrijgen. Nu gedaagden zich niet laten bijstaan door een advocaat, kunnen deze kosten reeds gelet hierop niet worden toegewezen.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen van de Belastingdienst af;

II. Veroordeelt de Belastingdienst in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 589,00 aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.