Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2799

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
13/1551
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Onvoldoende aangetoond dat sprake is van werkzaamheden waarvoor een tewerkstellingsvergunning nodig was. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1551

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1],

gevestigd te Wanneperveen, eiseres,

gemachtigde: mr. W.P. Maris,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2012 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 12.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 21 maart 2013 gegrond verklaard, waarbij verweerder het besluit van 21 december 2012 heeft herroepen en de boete vastgesteld heeft op € 6.000,00.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 26 september 2013 behandeld. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, vergezeld door[naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Farahami en drs. J. van Dommelen.

Overwegingen

Artikel 2, eerste lid van de Wav, bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid van de Wav wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, van de Wav als overtreding aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.

Artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav bepaalt dat de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk is aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00. Het tweede lid bepaalt dat de op te leggen boete wordt verhoogd met 50%, indien op de dag van het constateren van het beboetbare feit nog geen 24 maanden zijn verstreken nadat een eerder beboetbaar feit bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting is geconstateerd en de boete wegens het eerdere beboetbare feit onherroepelijk is geworden. Het derde lid bepaalt dat de minister beleidsregels vaststelt waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2012 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav’ (de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8000,00 per persoon per overtreding gesteld.

Op 14 oktober 2012 hebben inspecteurs van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (voorheen: de Arbeidsinspectie) in het kader van de Wav een controle ingesteld op het adres[adres] te Wanneperveen waar eiseres een restaurant en zaalverhuur voert. Het naar aanleiding van deze controle opgestelde boeterapport van 5 november 2012 houdt in dat de inspecteurs in de onderneming van eiseres een persoon aangetroffen hebben die werkzaamheden verrichtte, bestaande uit het sorteren van bestek. Deze persoon bleek [naam 3] met de Iraanse nationaliteit te zijn (hierna: de vreemdeling). Deze vreemdeling is de vader van één van de vennoten van eiseres, die in Nederland was op grond van een visum voor kort verblijf voor de duur van drie maanden, geldig tot 21 oktober 2012, en is derhalve aan te merken als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling heeft verklaard dat hij tafels heeft neergezet en gedekt. De vreemdeling was niet gerechtigd tot het verrichten van arbeid zonder dat de werkgever beschikte over een tewerkstellingsvergunning.

Op grond hiervan is een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav geconstateerd. In verband hiermee heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 8000,00, verhoogd met 50% op grond van artikel 19d, tweede lid, van de Wav omdat eiseres eerder beboet is voor overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid van de Wav, zodat de totale boete € 12.000,00 bedraagt.

Naar aanleiding van hetgeen in bezwaar is aangevoerd heeft verweerder een matiging van de opgelegde boete met 50% tot een bedrag van € 6000,00 op zijn plaats geacht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) dienen, juist omdat een boete als hier bedoeld een punitieve sanctie betreft, aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen te worden gesteld.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat onvoldoende rekening is gehouden met de door eiseres aangevoerde omstandigheden, nu niet is gebleken dat de door de vreemdeling in de onderneming verrichte arbeid méér inhield dan het op eigen initiatief bijspringen door enkele hand- en spandiensten te verrichten. Daarnaast heeft verweerder belang gehecht aan het feit dat de vreemdeling de vader respectievelijk de schoonvader is van de vennoten van eiseres, hij 73 jaar oud is, aan artrose en prostaatkanker lijdt, rechtmatig in Nederland verbleef op grond van een kortdurend visum voor familiebezoek, alsmede dat niet is gebleken dat eiseres de vreemdeling voor zijn werkzaamheden heeft betaald. Op grond hiervan heeft verweerder de aan eiseres opgelegde boete gematigd.

Ter zitting is namens eiseres aangevoerd dat er op de dag van de controle, zondag 14 oktober 2012, een familiediner in het restaurant zou worden gehouden omdat de heer [naam 3] enkele dagen later terug zou keren naar Iran. Dit diner vond plaats in het restaurant, omdat in de woning boven het restaurant, alwaar de vennoten wonen, geen keuken is. De vennoten eten altijd in het restaurant.

Door verweerder is ter zitting expliciet gesteld dat er niet aan getwijfeld wordt dat in het restaurant een familiereünie zou plaatsvinden. Ook is niet betwist dat er in de woning boven het restaurant geen keuken is. Uit het boeterapport blijkt dat de inspecteurs van verweerder hebben waargenomen dat de vreemdeling bestek aan het sorteren was. Dat er tevens sprake zou zijn van het neerzetten en dekken van tafels, berust niet op waarneming van de inspecteurs. Dat de vreemdeling dit tegenover de inspecteurs heeft verklaard, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat deze handelingen moeten worden aangemerkt als arbeid in de zin van de Wav. De rechtbank acht hierbij de leeftijd en de gezondheidssituatie van de vreemdeling van belang. Naar het oordeel van de rechtbank kon de vreemdeling, gezien zijn (hoge) leeftijd en zijn fysieke gesteldheid, hetgeen door verweerder ter zitting ook niet is betwist, niet in staat worden geacht om werkzaamheden in de zin van de Wav te verrichten.

De rechtbank is van oordeel dat, als al sprake is van werkzaamheden door de heer [naam 3], deze werkzaamheden verricht zijn ten behoeve van dit familiediner, nu elders in het restaurant klanten aanwezig waren, die werden bediend door het aanwezige personeel.

Hieruit volgt dat niet is gebleken dat de vreemdeling werkzaamheden heeft verricht waarvoor een tewerkstellingsvergunning nodig was. Op grond hiervan is geen sprake van een overtreding op grond van de Wav en bestaat er derhalve geen reden om eiseres een boete op te leggen.

Het beroep van eiseres is dan ook gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de wet. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald.

Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten zijn tot op heden begroot op € 944,00 (1 punt voor het beroepschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x wegingsfactor 1 x € 472,00 per punt).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, tot op heden begroot op € 944,00, te betalen aan eiseres;

  • -

    gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 318,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Bruggen, rechter, en door haar en Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2013

Afschrift verzonden op: 11 november 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep